Piet de Moor, Schemerland

De taal is gewond

Het komt erop aan de enkele nog levende joodse «stemmen uit Midden-Europa» in herinnering te houden. Daarom is het lezen van Piet de Moors

Schemerland een noodzaak.

Piet de Moor

Schemerland

Van Gennep, e 22,50

Een van de meest getroffen regio’s tijdens de twintigste eeuw was ongetwijfeld Midden-Europa. Bijna honderd jaar lang hadden de inwoners van de Baltische staten, Oost-Duitsland, Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië, Bul garije en de Balkanlanden te lijden onder het geweld van wereldoorlogen, het fascisme, het communisme en ten slotte ook van het wilde kapitalisme. Ze waren de speelbal van uitbuiting, haat, terreur, fanatisme, racisme en willekeur.

Vooral de joden kregen het in deze doorgaans fel antisemitische landen zwaar te verduren. De Endlösung zorgde ervoor dat de historische joodse aan wezigheid en invloed op zowel het sociale, economische als culturele leven in deze regio verdween in de nevelen van de geschiedenis. Over dit vreselijke drama van de voorbije eeuw en de nefaste impact ervan schreef schrijver en journalist Piet de Moor een grandioos boek onder de treffende titel Schemerland: Stemmen uit Midden-Europa.

Het boek is de vrucht van een lange zwerftocht door Midden-Europa die twintig jaar geleden begon en hem naar steden als Berlijn, Boedapest, Sarajevo en Tirana bracht waar hij gesprekken voerde met tal van gerenommeerde schrijvers, essayisten, filosofen en historici. Het resultaat is een verzameling van indringende, erudiete en bevlogen teksten, waarin de auteur zijn eigen bespiegelingen koppelt aan citaten uit boeken, ge sprekken en interviews.

Aan de hand van een uitspraak van Milan Kundera schetst Piet de Moor Midden-Europa als het «Zwischeneuropa, een schemerland dat geografisch in het centrum, cultureel in het westen en politiek in het oosten lag». Een reeks van landen die door hun geografische ligging en de historische gebeurtenissen in de tang zaten tussen de twee grootmachten Duitsland en Rusland die afspraken maakten met elkaar teneinde hun eigen doelen te kunnen realiseren. Spontaan denkt men dan aan het geheime Duits-Russische non- ag res siepact, het beruchte akkoord tussen Molotov en Von Ribbentrop. Ook nu zou er een akkoord bestaan om Russisch gas naar Duitsland te pompen. «Poetins Duits is vlekkeloos», schrijft de auteur, en dat is meer dan een loutere vaststelling. Hiermee verwoordt hij in direct de benauwdheid in tal van Midden-Europese landen over deze bijzondere relatie. «Het Duits van Moskou en Berlijn is de taal van de onderdrukkers», zegt De Moor en door de uitroeiing van de joden verdween ook het Europese Duits. In de plaats van die rijke joods-Duitse taal zorgden de nazi’s voor een schraal en angstaanjagend ge bruik van afkortingen dat zo typerend is voor totalitaire regimes. In zijn boek LTI: Lingua Tertii Imperii wijst Victor Klemperer op de haast lachwekkende, maar helaas doodernstige betekenis van dit gebrul dat razendsnel het denken en spreken van de bewoners vergiftigde. Ook in andere totalitaire regimes, zoals in de toenmalige Sovjet-Unie, begrensden die afkortingen elke expressievorm als waren ze onbewuste, maar effectieve censors.

«Het verlies van de joden kan niet worden goedgemaakt (…) ze waren im mers de overbrengers van de ideeën in Europa, ze legden de banden tussen de Europese landen, ze waren de vertalers van de Europese cultuur». Het is dé cruciale sleutelzin in het boek van Piet de Moor. De nazi’s en hun aanhangers vermoordden massaal de joden en vernietigden hiermee een belangrijk en vruchtbaar onderdeel van de Europese cultuur. Daarbij werden ze zelfs geestelijk geholpen door filosofen, schrijvers en dichters als Louis-Ferdinand Céline (lees zijn boek l’École), Knut Hamsun (auteur van Hoe het groeide) en Ezra Pound. Maar nog meer door Martin Heidegger die met zijn enorme juridische en filosofische kennis de nazi’s intellectueel ondersteunde en met zijn uitspraak «De wil van de Führer is de enige wet» een moreel-juridisch groen licht verschafte aan menige SS-misdadiger. Hij bewonderde zelfs «de blauwe ogen en de mooie handen van de Führer». Heidegger nam na de oorlog geen woord terug van wat hij toen gezegd had. Piet de Moor stelt de relatie van de beruchte filosoof met zijn studente Hannah Arendt voor als een vorm van misbruik, maar wie het late werk van Arendt leest, beseft dat zij tot haar eigen dood blind bleef voor bepaalde gruwelijke consequenties van Heideggers kromme denken.

Het antisemitisme tierde steeds we lig in Midden-Europa. Piet de Moor heeft het over het leven van de joods-Duitse schrijver Edgar Hilsenrath die op school herkend werd als jood en tal van vernederingen moest ondergaan. Noch tans was zijn vader frontsoldaat geweest in het Oostenrijkse leger, had een Zilveren Medaille ontvangen voor bewezen dapperheid en voelde zich samen met gans zijn familie door en door Duits. «Tot de fascisten kwamen, die hebben alles kapotgemaakt», zo schrijft hij. En hij richt zijn pijlen vooral op Oostenrijk, het «land van de daders bij uitstek». Met een katholieke kerk die de vreemdelingenhaat aanvuurde. Een bijzonder terechte maar al te lang verzwegen waarheid. Zo waren het na de oorlog vaak Oostenrijkse kerkleiders zoals kardinaal Alois Hadal die tal van nazi-kopstukken hielpen ontvluchten. Hadal hielp oorlogsmisdadigers als Paul Stangl, de commandant van het uitroeiingskamp van Treblinka, Walter Rauff, de man die het systeem van de mobiele vergassingswagens op punt had gesteld, Gustav Wagner, die de leiding had over het uitroeiingskamp van Sobibor, en Alois Brunner, een virulente antisemiet die tienduizenden joden uit Oostenrijk, Griekenland en Frankrijk naar de do den kampen stuurde. En ook Adolf Eichmann, de meest prominente jodenvervolger. De auteur schetst treffend de Oostenrijkse mentaliteit van «wie niet tussen ons geboren is, is een vijand», een toonbeeld van racisme en een «eigen volk eerst»-mentaliteit die zijn weerga nauwelijks kende in andere Europese landen, alhoewel het in Vlaanderen stevig wortel schiet.

Dit alles brengt de auteur bij omstreden historici als Ernst Nolte die de Duitse wandaden tegen de joden als een begrijpelijk gevolg van de bolsjewistische terreur in de Sovjet-Unie zag. Dergelijke stellingen werden overtuigend weersproken door critici als Marcel Reich-Ranicki, kunstcriticus en zoon van een Poolse jood en een Duitse jodin. Voor hem was de Verlichting in Duitsland mislukt. Zelf belandde hij in het getto van Warschau. En bij de schrijver Uwe Timm die stelt dat de Duitsers veel te meegaand waren en die de volgende zin schreef: «Als er in de Duitse alledaagsheid wat meer burgerlijke moed was geweest, had er op alle terreinen veel kwaad verhinderd kunnen worden.» Maar die moed was er niet. In tegendeel. Uit tal van historische bronnen blijkt hoezeer het Midden-Europese christendom doordrenkt was van het antisemitisme. De Pools-joodse schrijfster Joanna Olczak-Ronikier schreef over de manier waarop de joden in Polen van kindsbeen de meest waanzinnige beschuldigingen ondergingen. Met pastoors die vanaf hun kansels op de «Godsmoordenaars» scholden en zo de geesten van de mensen verziekten met alle gevolgen van dien.

Piet de Moor beschrijft de afschuwelijke slachting van de joden van het dorp Jedwabne door Poolse boeren en het feit dat Polen die tijdens de oorlogsjaren joden hadden helpen onderduiken het mikpunt waren van een vijandige stemming. Denk aan Reich-Ranicki. Die slaagde erin om met zijn vriendin uit het getto van Warschau te ontsnappen en zich in het Poolse deel van Warschau te verstoppen. In een krot hebben ze de bezetting overleefd en werd hun leven gered door Bolek, een zetter en zijn vrouw Genia. De dag van de bevrijding verzocht Bolek hem om tegen niemand te zeggen dat ze bij hen verstopt waren geweest. «Ik ken dit volk . Het zou ons nooit vergeven dat wij twee joden hebben gered.» Vreselijk, stel u voor. Het zou ons bijna doen vergeten dat ondanks dit alles het hoogste aantal eretitels dat door Yad Vassem werd toegekend aan «Recht vaardigen onder de Volkeren» (mensen die joden hadden gered) Polen waren. Die onmetelijke onmenselijkheid was geen monopolie van de Duitsers of de Polen. De auteur verhaalt over de ma nier waarop sommige joden zich in het getto van Warschau afschuwelijk ge dragen hebben tegenover andere jo den. Maar het lijkt van een andere orde en het is weerzinwekkend om te lezen hoe Polen «als sprinkhanen in de pas ontruimde huizen van hun joodse landgenoten neerstrijken».

Zo belandt de auteur in een ander problematisch land dat tot de dag van vandaag worstelt met zijn onverkwikkelijke verleden: Hongarije. Op het einde van de oorlog, toen iedereen besefte dat de nazi’s ten onder gingen, werden nog honderdduizenden joden gedeporteerd naar en vergast in Auschwitz. De jonge Imre Kertész vertelt over een jongetje dat in 1944 door een Hongaarse rijkswachter uit de bus werd geplukt omdat hij een gele ster droeg. Het begin van een lijdensweg dat het kereltje in Auschwitz, Buchenwald en Zeitz deed terechtkomen. Het gaat duidelijk over hemzelf en in zijn oeuvre ontleedt hij scherp het antisemitisme. Reeds in de jaren dertig keurden priesters er jodenwetten goed en de eerste anti semitische verordeningen dateerden al van voor 1920. Op zijn vijftiende zat Kertész in Auschwitz, stel u voor! Hij beschrijft hoe hij eens ziek en uitgeput op een plank lag en daardoor de levensnoodzakelijke voedselverdeling mistte. Een leraar kwam toen zijn portie brengen, een heldhaftige daad waarmee hij zijn eigen overleven op het spel zette. Kertész schrijft dat dit een «wonder» was: «Alleen een mens is in staat om de kracht voor zo’n daad op te brengen.»

Alleen een mens, schrijft Kertész, geen God, Jaweh of Allah, maar alleen een mens. In zijn boek Negen koffers be schrijft de Hongaarse schrijver Béla Zsolt hoe hij in het getto van Nagyvárad wekenlang ziek naast een stapel joodse lijken lag. Toen nam Zsolt definitief afscheid van God. «Voordat Hij me definitief had verlaten, heb ik Hem uit de grond van mij hart de mantel uitgeveegd», zo schrijft hij verbitterd. Het is een finale afrekening met elke geloofsovertuiging en het zoveelste bewijs dat Kant met zijn Sapere aude de juiste weg insloeg. Die van de autonomie waarbij mensen hun eigen lot kunnen bepalen en zelf hun verantwoordelijkheid moeten opnemen. Geen gemakkelijke levenshouding, omdat men voor elke daad alleen te rade kan gaan bij zichzelf, en zich niet kan wegsteken achter de «waarheden» en bevelen van een God, een Führer of een Partij.

Toen het communisme in Hongarije viel, betekende dit geen verbetering in de omgang met het verleden. Nog steeds heeft men daar de neiging om het verleden te verbloemen. «In Hongarije bestaat geen Holocaustbewustzijn», schrijft Piet de Moor. Nochtans was het een land van daders, zoals ook de grote schrijver Györy Konrad duidelijk maakt in zijn oeuvre. Hij ontsnapte als kind uit de Endlösung, spartelde zich door het communistische schrikbewind en slaagde erin zijn geschriften naar het buitenland te smokkelen, waar ze werden vertaald en gelezen. Samen met zijn zusje was hij de enige die de moord op tweehonderd kinderen in zijn dorp overleefde.

Uit zijn gesprek met Piet de Moor komen ook de mooiste en meest verheven zinnen: «Pas als een mens wordt uitgedaagd om iets te doen of na te laten in een gevaarlijke situatie, kun je van moraliteit spreken. In zo’n situatie een daad stellen die indruist tegen je eigenbelang of je carrière, dat noem ik een morele reactie. Ik denk aan iemand die een mensenleven redt, in de zekerheid dat hij of zij daarvoor zal worden gestraft.» In die enkele zinnen veegt Konrad alle boeken en universitaire cursussen over ethiek van tafel en wijst hij op de kern van de zaak. Het is goed om te weten dat er inderdaad heel wat mensen waren die op die manier handelden, meer dan men beseft. Maar evenzeer knaagt de wetenschap dat anderen, en ze waren meer in aantal, zwegen, hun ogen afkeerden en later onder het mom van «wir haben est nicht gewust» verantwoordelijkheid ontkenden.

Zo komt De Moor tot de kern van de zaak, namelijk het belang van een nationaliteit en een identiteit. Aan de hand van teksten van de Midden-Europese auteurs Danilo Kis, Slavenka Draculic, Robert Musil, Witold Gombrowicz en Czeslaw Milosz probeert hij hierop een antwoord te geven. Uiteindelijk blijkt dat elke collectief opgelegde identiteit vals is. Weg dus met de natie, het nationalisme en het «eigen volk eerst»-principe. Elk «ik» tracht te ontsnappen uit de kooi van de – vaak door anderen opgedrongen – identiteit.

Het spoort met de gedachte van Mario Vargas Llosa die achter elk pleidooi voor de verdediging van de identiteit van een groep een complot tegen de individuele vrijheid vermoedt. Collectieve identiteit is een vals begrip en zorgt voor ontmenselijking. Het vernedert de mens tot een mechanisch rader in een groter wiel. Nationale of regionale identiteiten eroderen door de toegenomen kansen om als indi vidu kennis te nemen van andere zaken. Mensen vormen hun zelfbeeld niet langer alleen binnen het gezin en de school, maar steeds meer via per soonlijke contacten en ervaringen, muziek, films, literatuur, beeldende kunsten en reizen. Op die manier herkennen ze zich steeds minder in uniformi serende termen als een nationale of volksgebonden identiteit. Ieder van hen vormt zich een eigen identiteit die niet langer een vast gegeven blijft maar dagelijks wordt aangescherpt en bijgestuurd door het samenleven met anderen. Identiteit is aldus getrans formeerd van een collectieve naar een hoogst persoonlijke maatstaf.

Wat een verandering tegenover de tijd van Hitler, Stalin en later de communistische leiders die hun bevolking zoveel mogelijk uniformiseerden, con formeerden en depersonaliseerden. Ze zorgden ervoor dat de empathie collectief werd uitgewist. Volgens Piet de Moor is de (Duitse) taal gewond, of zelfs onherstelbaar verminkt. Maar wat zal de toekomst bieden? Moeten we bij de pakken neer blijven zitten en net als Theodor Adorno stellen dat dichten na Auschwitz niet meer kan? Neen, we moeten vooruit, niet zozeer voor de huidige generaties maar voor onze kinderen en kleinkinderen. Allicht is de communistische utopie verleden tijd, maar niets voorkomt dat er andere komen. Het komt erop aan de enkele nog levende joodse «stemmen uit Midden-Europa» te beluisteren en in herinnering te houden. Juist zij vormen de geestelijke brug met al het menselijke uit het verleden. Dat heeft Piet de Moor goed begrepen. Daarom heb ik dit boek niet zozeer gelezen, maar verslonden. Niet uit compassie, maar uit noodzaak.