De taal van de vijand

IN CHILI WIL niemand er meer een woord over horen. Het is niet zo prettig in interessante tijden te leven, maar misschien is het nog minder plezierig om de hoop van de hele wereld te zijn. Dat was Chili drie jaar lang - tot precies 25 jaar geleden. Er was in 1970 een socialistische president democratisch gekozen en die probeerde op wettige wijze een socialistische revolutie door te voeren. Dat was ongekend, want revoluties waren altijd bloedig en onwettig geweest, en ze waren ook nooit geëindigd in een socialistisch paradijs maar in chaos en burgeroorlog, in een linkse dictatuur of op z'n best in een verstarde staatsbureaucratie.

Salvador Allende leek een aardige, beschaafde man, een arts nog wel, die het beste met de armen in Chili voor had en die beloofde dat hij ook de rijken hun vrijheden niet zou ontnemen. De hele wereld wachtte in spanning af. Zou dat kunnen: een democratische revolutie?
Het ging niet. Op 11 september 1973 werd het presidentiële paleis, de Moneda, gebombardeerd en greep een militaire junta de macht. Allende pleegde zelfmoord, vele duizenden werden gemarteld, enige duizenden vermoord, nog veel meer aanhangers van de socialistische regering moesten het land ontvluchten. De Verenigde Staten, die Allende vanaf het begin hadden geboycot en tegengewerkt, waren tevreden, en ook een groot deel van het Chileense volk, dat zich bedreigd had gevoeld door de socialistische hervormingen, zag de staatsgreep als onontkoombaar. Al pakte het militaire regime wel onverwacht hard uit en bleef Pinochet wel erg lang (zeventien jaar) aan de macht.
ECONOMISCH was het neoliberalisme van Pinochet echter een groot succes. Chili is nu nog altijd een voorbeeld van een voorspoedig functionerende vrije-markteconomie en verder is het sinds 1989 weer een normaal, zelfs een ultranormaal landje. Er worden vrije verkiezingen gehouden en de pers is weer ongebreideld. Wel houdt Pinochet er nog altijd, eerst als opperbevelhebber van de strijdkrachten en sinds begin dit jaar als senator-voor-het-leven (en wat lééft die man ellendig lang!) toezicht op dat het land geen socialistische neigingen meer krijgt en dat zijn militairen en hijzelf niet worden gestraft voor de misdaden die ze hebben begaan.
Toen ik een paar jaar geleden in Chili ging kijken, kon ik daar niemand vinden die terugverlangde naar de tijd toen het land in z'n eentje moest bewijzen dat socialisme en democratie wel degelijk konden samengaan. En over de vernederende zeventien jaar militaire dictatuur sprak men ook liever niet meer. Alles was nu toch prima in orde gekomen? Het toneelstuk dat de Chileense schrijver Ariel Dorfman, na zestien jaar ballingschap teruggekeerd in Chili, schreef over de manier waarop er werd omgegaan met de misdaden onder de dictatuur, De dood en het meisje, was overal in de wereld een groot succes, maar in Chili kwam niemand er naar kijken en kraakten de critici het af. Dorfman keerde teleurgesteld terug naar de Verenigde Staten, waar hij aan Duke University in North Carolina college geeft over literatuur en zelf literatuur schrijft. Tot nu toe deed hij dat altijd in het Spaans, maar onlangs verscheen het eerste boek dat hij direct in het Engels heeft geschreven: Heading South, Looking North: A Memoir.
Het is pikant dat Ariel Dorfman, die geldt als een van de belangrijkste en interessantste hedendaagse Latijns-Amerikaanse schrijvers, dit boek, zijn meest persoonlijke tot nu, in het Engels schreef. Het is tegelijk een bekentenis en een bekering. Dorfman is altijd een halve Amerikaan geweest. Of liever: hij wisselde verschillende keren in zijn leven van land, van taal en zelfs van voornaam. En elke keer met een hartstocht en een fanatisme alsof het nooit anders was geweest. Eerst heette hij Vladimiro - naar Lenin, want zijn vader was een Argentijnse communist. Toen wilde hij als jongen Eddie heten, om in de Verenigde Staten niet uit de toon te vallen. En daarna, in Chili, koos hij pas voor Ariel, de naam die zijn moeder hem had gegeven en die in de jaren veertig stond voor onafhankelijkheid tegenover Europa.
Even resoluut koos hij nu eens voor het Engels, dan weer voor het Spaans. Of liever gezegd, zoals hij het in het boek formuleert: die twee talen vochten in hem om de hegemonie en sloten de andere uit. De eerste woorden die hij hoorde, waren Spaans, want hij werd in Argentinië geboren. Maar toen hij drie jaar was, emigreerden zijn ouders, op de vlucht voor het populistisch-rechtse regime van Peron, naar New York. De kleine Vladimiro reageerde daarop door na een verblijf in het ziekenhuis nooit meer een woord Spaans te willen spreken en zijn ouders te dwingen in het Engels tegen hem te praten, een taal die voor hen niet natuurlijk was. Zijn moeder was opgegroeid met het Jiddisj uit Moldavië, z'n vader met het Russisch van een geassimileerd joods gezin uit Odessa. Met elkaar konden ze alleen in het Spaans communiceren. Nu dwong hun driejarig zoontje hen om Engels te spreken.
IN DE JAREN vijftig moest het gezin-Dorfman Amerika weer ontvluchten, vanwege McCarthy’s communistenhaat. In Chili wilde de kleine Eddie het liefste Amerikaan blijven en kreeg ook geregeld zendingen van Amerikaanse strips, grammofoonplaten en candy-bars. Pas langzaam werd hij een Chileen, maar z'n literaire werk bleef hij lange tijd in het Engels schrijven. Tot hij ergens in de jaren zestig die taal ‘voorgoed’ afzwoer en voortaan tot de Latijns-Amerikaanse literatuur zou behoren. De gebeurtenissen in Chili maakten hem vanzelf anti-Amerikaans en met het beruchte anti-Disneyboek Para Leer al Pato Donald (in het Nederlands: Hoe lees ik Donald Duck, geschreven samen met de Belg Armand Mattelart) maakte hij zich in 1971 over de hele wereld gehaat bij iedereen die van Amerikaanse strips, films en liedjes hield. Zijn boeken werden door anderen uit het Spaans in het Engels vertaald, op het toneelstuk De dood en het meisje na - dat vertaalde hij zelf in het Engels. En nu schrijft hij het eerst deel van zijn memoires in de gehate taal van het vijandelijke land, dat hem in zijn leven echter tegelijkertijd meerdere keren heeft moeten redden.
Maar voor het eerst, lijkt het, is zijn bekering niet totaal en onvoorwaardelijk. In dit boek is hij tegelijk, dat wil zeggen na elkaar en door elkaar heen, Vladimiro, Eddie en Ariel. Of liever: hij is nu een Ariel die niet meer ontkent dat hij ooit Vladimiro en daarna Eddie is geweest.
HEADING SOUTH, Looking North gaat heel veel over taal en nog meer over de dood. Hij vertelt afwisselend twee verhalen die steeds meer in elkaar grijpen en uit elkaar voortkomen. Het ene is zijn geschiedenis vanaf zijn geboorte in 1943 in Buenos Aires tot 1973, toen hij voluit Ariel Dorfman was geworden, officieel tot Chileen was genaturaliseerd en enthousiast aanhanger en medewerker was van Salvador Allende en zijn Unidad Popular-regering. In de andere hoofdstukken vertelt hij heel precies wat hem overkwam vanaf 10 september 1973, de avond vóór de staatsgreep, totdat hij in november van dat jaar naar Argentinië en vandaaruit naar Europa kon vluchten.
Of eigenlijk gaat het nog veel meer over wat hem niet overkwam. Hij is niet gearresteerd, niet gemarteld, niet gedood. Dat was voor een gedeelte toeval: hij had eigenlijk in de nacht van 10 op 11 september dienst zullen hebben in de Moneda, het presidentiële paleis, om Allende te bewaken, maar hij had geruild met een kameraad omdat hij op een conferentie over een door hem bedacht stripfiguurtje moest spreken. In zijn plaats is die kameraad gevangen gezet, gemarteld en vermoord. In zijn nachtmerries ziet Ariel Dorfman zichzelf in zijn plaats.
Er was meer voorzienigheid in het spel: hij werd niet opgeroepen om naar de Moneda te komen toen het bericht binnenkwam dat de militairen een coup beraamden, hoewel hij wel op de lijst stond van degenen die gealarmeerd moesten worden. Later kon hij de man die had besloten hem niet te laten waarschuwen, vragen waarom ze hem niet hadden laten komen: 'Iemand moest er toch overblijven om het verhaal te vertellen’, mompelde die. Het staat er niet met zoveel woorden, maar je kunt je voorstellen dat vooral zijn kennis van de Engelse taal Ariel Dorfman toen het leven heeft gered.
Maar er was ook lafheid in het spel. In de ochtend van de 11de september wilde hij aanvankelijk toch naar de Moneda gaan om zijn president bij te staan. Zijn vrouw Angélica bracht hem in de auto naar het centrum van Santiago, hoewel zij het gekkenwerk vond. Toen ze bij een politieafzetting kwamen, stond hij voor de keuze. Daar op de een of andere manier doorheen komen en vervolgens waarschijnlijk gevangengezet worden, of teruggaan in de auto. Hij koos voor het laatste.
WIJSHEID of angst? Dat soort vragen stelt hij zich keer op keer. Het antwoord is niet te geven. Had hij in Chili moeten blijven en anderen door zijn aanwezigheid in gevaar brengen? Was hij meer waard voor de oppositie tegen de dictatuur buiten zijn land? Of koos hij daarmee toch maar voor een comfortabeler leven?
In Heading South, Looking North zijn de gemakkelijke antwoorden volkomen verdwenen. Het is zeker niet zo dat hij in dit boek op een goedkope manier afstand neemt van zijn vroegere idealen. Maar hij beseft nu dat de opdracht die Allende zichzelf had gesteld onmogelijk was en dat zijn regering ook zonder militaire staatsgreep tot de ondergang was gedoemd. Hij vertelt dat hij heeft moeten aanzien dat voor velen het leven doorging in de stad, alsof er niets was gebeurd. En hij erkent met tegenzin dat Allende niet door de militairen is vermoord, maar zelfmoord heeft gepleegd. En wat belangrijker is: hij geeft ook toe dat hij dat lange tijd heeft ontkend omdat het niet in de politieke propaganda tegen Pinochet paste.
Hij kan nu ook inzien dat hij de aanval op Donald Duck en het Disney-concern in 1971 schreef omdat hij afstand moest nemen van zijn eigen, Amerikaanse verleden vol strips, musicals en lekkernijen. En dat de Verenigde Staten niet alleen de imperialistische tegenstander was van iedereen die in de Derde Wereld naar onafhankelijkheid en rechtvaardigheid streefde. Toen hij in 1968 naar Berkeley ging om daar een boek af te maken, maakte hij bijvoorbeeld kennis met de eerste hippies. Politiek was hij het niet met die dromerige bloemenkinderen eens, en sociaal vond hij ze weerzinwekkend: kinderen van goede families die liedjes zongen en bedelden. Maar hij leerde wel van hen dat er ook een culturele kant aan maatschappelijke vernieuwing zit en dat zo'n revolutie ook iets heel persoonlijks kan zijn. Zij inspireerden hem om tijdens de regering van Allende een culturele taak op zich te nemen en zich daar met z'n hele persoon voor in te zetten.
En midden in z'n grootste ellende, toen hij in november 1973 opgesloten zat in een met vluchtelingen overbevolkte Argentijnse ambassade in Chili, ontmoette hij een deftige Amerikaanse dame die Shakespeare citeerde. Ze wilde zo spoedig mogelijk van al die vieze vluchtelingen af, maar hielp hem wel contact met de buitenwereld op te nemen. Hij voerde hartelijke gesprekken met haar - in het Engels.
ARIEL DORFMAN heeft, door het heel precies over z'n eigen leven te hebben, laten zien hoe een hele generatie die na de Tweede Wereldoorlog opgroeide tegelijk gefascineerd was door de opkomende massacultuur uit de Verenigde Staten en politiek door het land werd afgestoten. Het dwepen met de Derde Wereld was in zijn geval natuurlijker dan het voor Europeanen was, die ergens heel erg ver weg hun idealen wilden projecteren.
Net als voor hem stortte ook voor mij, ver weg in Europa, op 11 september 1973 een wereld in waarin we zo graag wilden geloven. Niet alleen het socialistische Chili maar de droom van een toekomstige wereld, die tegelijk democratisch en socialistisch, vrij en egalitair zou zijn, waar kunstenaars helemaal persoonlijk zouden kiezen voor het volk te werken. En dus stond ik de eerste zaterdag na die 11de september in ’s Hertogenbosch een demonstratie toe te spreken en riep ik op tot een wereldwijde boycot van Coca Cola, te beginnen in Brabant, want we zouden de Verenigde Staten op de knieën dwingen!
Dat is nu even lachwekkend als de situatie van Ariel Dorfman op dat moment tragisch en spannend was. Een Allende-activist die zich moest schuilhouden in het schuurtje achter het huisje van een arbeidersfamilie in een krottenwijk. Daar vindt hij tot zijn ontroering op een boekenplank z'n eigen Donald Duck-boek en honderden andere goedkope boekjes van de staatsuitgeverij Quimantú, waar hij als adviseur had gewerkt. Het maakte hem nog trotser dan een paar dagen eerder, toen hij op de televisie kon zien hoe datzelfde Donald Duck-boek door de militairen op een brandstapel werd gegooid.
Heading South, Looking North geeft geen analyse van het tijdperkje van Allende of de dictatuur daarna. Het is veel meer een boek over wat taal en cultuur met een klein jongetje, een opgroeiende puber en een volwassen man doen. Het is spannend als een roman.
De Ariel Dorfman in Heading South. Looking North is grotesk, overdreven, aanstellerig, naïef en vol van oneindige pretenties. In die zin is het ook een veel meer dan een levensgroot portret van velen van zijn, en mijn, generatie, overal in de wereld.
Heading South, Looking North verschijnt volgend jaar in een Nederlandse vertaling bij de Bezige Bij.
Op vrijdag 11 september is er om 13.00 uur een oecumenische herdenkingsdienst in de Kloosterkerk, Lange Voorhout 4, Den Haag. ’s Avonds om 20.15 uur is er in het Muziektheater, Vredenburg, Utrecht, een uitvoering van Canto general van Neruda en Theodorakis. Na afloop wordt er een boek over de Chilibeweging in Nederland van Hans Beerends ten doop gehouden.
Zaterdag 12 september organiseert de Fundación Salvador Allende om 12.00 uur een herdenking bij het Allende-monument aan de Allendelaan in Amsterdam-Sloterdijk. Daarna is er een programma in de Keizersgrachtkerk, Keizersgracht 566, Amsterdam. ’s Avonds het Canto general in de Pius X-kerk te Alkmaar
Zondag 13 september wordt het Canto general uitgevoerd in Paradiso, Amsterdam, om 15.00 uur.