Jeroen Theunissen, Het einde

De taal van het gezwets

Jeroen Theunissen
Het einde
Meulenhoff/Manteau, 268 blz., ! 18,95

«De instantie zal alles bezitten en zal de zon overleven. De instantie kijkt toe, geniet. De instantie gehoorzaamt niet aan onze wetten, maar is totaal omdat ze met onze normen niet vatbaar is en wij naar de normen van de instantie overbodig zijn.» Aan het woord in dit verhaal van Jeroen Theunissen is ene Ludwig Lazarus, die grossiert in dit soort diepzinnigheidsproza, dat interessante paradoxen lijkt te bevatten maar bij nader inzien gewoon gelul is. Vooral rondom de filmreeks The Matrix kregen veel stukjesschrijvers en filosofen er ook in Nederland last van. Wat Guy Debord en navolgers in Frankrijk en elders aan diepzinnig gezwatel te berde brachten (en brengen) over de «spektakelmaatschappij» en over het globalisme kunnen wij ook, moeten ze gedacht hebben. Ze schreven opgewonden artikelen over de alomvattende wereld van de technologie die ons uiteraard geheel omspoelt en de «diepzinnige visie» daarop van een paar Hollywood-filmers die platte achtervolgingsfilms verbonden met een hutspot aan verlossingsgeklets, christendom en technologieangst waarbinnen voor de zoveelste keer de robots het overnemen. Wat zullen die filmers zich in de handen hebben gewreven over zoveel gratis publiciteit uit onverdachte hoek.

Jeroen Theunissen maakt in zijn verhalenbundel vrolijk gehakt van dit type gekletsmajoor zonder overigens al te nadrukkelijk zijn ergernis en af en toe ook woede erover af te reageren. Dan kun je namelijk beter essays tegen deze modieuze plechtigheden schrijven, maar Theunissen kiest voor literatuur en hij is in deze bundel het best op dreef wanneer je toch niet helemaal zeker weet of hij zijn personages serieus neemt. In het eerste lange verhaal maken we een enigszins benarde kunstschilder mee die zijn relatie net verbroken heeft en zich moet zien te redden in de stad waar maar bitter weinig te beleven valt. Deze Joost Helder maakt succesvolle zelfportretten in de stijl van iconen en probeert de schrijver van een oud boek over iconen te achterhalen. Dat levert een zoektocht op met vooral veel lamlendig gedoe, gezwerf door de stad en onjuiste relatieperikelen. Steeds blijft die Helder een buitenstaander, iemand met een groot zelfbewustzijn, zonder dat hij daarmee aan de slag gaat. Theunissen brengt dit fraai in beeld: «Joost Helder wilde observeren met de frigiditeit van een dansleraar aan de kant. Met de afstandelijkheid van een uitgeputte bezetene. Met de koele interesse van een ornitholoog. Misschien wilde hij iets bijleren. Echt belangrijk probeerde hij het niet te vinden.»

Vooral met zo’n laatste zinnetje zet Theunissen ineens alles op de tocht, nee, echt belangrijk vinden zijn personages niks en dus kletsen ze maar wat. Dit levert voortdurend fraai proza op waarvan je niet zeker weet of je er verschrikkelijk om moet lachen of toch maar met een plechtig gezicht moet doorlezen. «Hoe alles dooreenliep als slierten melk in thee. Hoe alles danste, flinterdun ballet, door de dunne lucht, alleen kijken, gelaten.» In het tweede lange verhaal maakt een ik kennis met Ludwig Lazarus en gaan we expliciet de wereld in van het antiglobalisme, de wereldredders, de onheilsprofeten en de paranoia die daar de scepter zwaait. En alweer slaagt Theunissen er voortreffelijk in de grens tussen satire en sociaal drama niet te overschrijden, al zat ik vaak te schateren: «Ik was gekomen om de catastrofe, die ook hier aanwezig moest zijn, te registreren, te zien. Ik wilde een holistische benadering – hoe zeggen ze dat? – en dus ook natuurbeelden, zuiver of aangetast: het doet er niet toe.» Ach, dit proza maakt veel effectiever gehakt van onzinnig geklets dan welk essay ook. Omdat het van binnenuit opereert, omdat het niet met een botte bijl werkt, maar als een virus de taal van het gezwets sloopt, bijna ongemerkt, soms betrapte ik me er zelfs op dat die ikfiguur toch nog «best wel» een interessante visie geeft op moderne denkwerelden. Vergeet het maar, Theunissens proza holt het allemaal vakkundig uit.

Misschien gaat hij in het verhaal De vrijwilliger net iets te ver. Hierin besluit tatoeëerder Marc Steen voortaan als «vrijwilliger» door het leven te gaan en hij vertrekt naar Ecuador om daar de plaatselijke bevolking bij te staan. Het levert fraaie beschrijvingen op van plaatselijke omstandigheden en er valt weer veel te genieten van het mooie, dubbelzinnige proza dat Theunissen ons voorzet. «Het was een uur voor zonsondergang en de wereld zat vol harmonische durf.» Maar de satire gaat nu wat te veel met zijn verhaal op de loop, die Steen is te veel alleen een onnozelaar.

In het laatste, korte verhaal is Theunissen gelukkig weer helemaal bij de les. Meent-ie het nou of niet? «Mijn fantasie creëert en constitueert mijn gemis.» Dat zeg ik ook altijd. Dit is een zeer geslaagd boek.