De taal van horror

De oude Stephen King, meester van het spannende verhaal, en de nieuwe Stephen King, zelfbewuste auteur die speurt naar de geheimen van zijn scheppingskracht, staan oog in oog met elkaar in hun nieuwste werk, de southern gothic novel Duma Key.

STEPHEN KING
DUMA KEY

Hodder & Stoughton, 583 blz., € 25,99
In het Nederlands verschenen als Duma (vertaling Hugo Kuipers), Luitingh, 624 blz., € 19,95

D.H. Lawrence schreef: ‘Het is laag-bij-de-gronds en melodramatisch, maar het is de waarheid.’ Hij doelde hiermee op het werk van Edgar Allan Poe, maar hij had het net zo goed over Stephen King kunnen hebben. Net als bij Poe wemelt het in Kings nieuwe roman, Duma Key, van de spookhuizen, vliegende creaturen en dolende vrouwen met ontbindende gezichten die bedekt zijn met lijkwaden. En van allerlei abjecte manifestaties van de kleur rood. Maar wat is de ‘waarheid’ dan in zo’n extreem gefantaseerde wereld? Lawrence’s opmerking verwijst naar Poe’s obsessie met lichamelijk verval en de dood, en met de wereld van de levende doden oftewel het schimmenrijk.

Dat laatste vormt bij zowel King als Poe de rode draad. En melodramatisch? Dat deel van Lawrence’s observatie moeten we meer letterlijk opvatten. Wanhoop, doodsangst, verdriet – in de kleine uurtjes moet ‘de waarheid’ voor de laudanum-gebruiker Poe een vloeibaar begrip zijn geweest, te meer doordat zijn nachten in Richmond en later de Bronx, New York, ook nog doordrenkt waren met alcohol. Vergelijkbare nachten als die aan drank en cocaïne verslaafde King in Bangor, Maine, doormaakte, in ieder geval in de jaren zeventig toen hij romans als Carrie en Salem’s Lot schreef waaraan hij later geen enkele herinnering meer had. Juist de werking van herinnering tijdens het schrijven en de roes die kennelijk nodig is voor het scheppingsproces, zijn hoofdthema’s in Duma Key.

King schreef zijn nieuwe roman in de stijl van de southern gothic. Binnen dit genre werkten schrijvers als Tennessee Williams, Harper Lee en William Faulkner, en meer recent Donna Tartt, Anne Rice, Cormac McCarthy en Toni Morrison. Belangrijkste kenmerken van de southern gothic zijn spookachtige villa’s omringd door de wilde, gevaarlijke natuur die de geestestoestand van de verhaalfiguren symboliseert, en de aanwezigheid van het groteske belichaamd door levende of dode (of levende dode) personages die de een of andere weerzinwekkende psychische of lichamelijke afwijking hebben.

Dat laatste staat centraal in de fictie van King. En bizar genoeg ook in zijn echte leven. Lang voordat King in 1999 ternauwernood aan de dood ontsnapte toen hij in zijn woonplaats Maine werd aangereden door een Dodge Caravan schreef hij verhalen en romans waarin een auto-ongeluk het leven van het hoofdpersonage ingrijpend verandert. De beste voorbeelden zijn Misery (1987), waarin de schrijver Paul Sheldon zwaar letsel oploopt, wat overigens alleen maar een klein deel van de nachtmerrie is die hij vervolgens ondergaat, en The Dead Zone (1979). In dat laatste boek raakt een jonge man, Johnny Smith, vijf jaar lang in een coma na een auto-ongeluk. Wanneer hij bijkomt, blijkt hij de gave te bezitten ‘in mensen te kunnen kijken’, zodat hij niet alleen hun verleden kent, maar ook hun toekomst. Over dit griezelige verband tussen zijn kunst en zijn leven merkt King graag op: ‘Beter om daar niet te veel over na te denken.’

Zelf neemt hij het advies niet ter harte, want ook in Duma Key is een zwaar ongeluk de bron van het verhaal: projectontwikkelaar Edgar Freemantle raakt zijn rechterarm kwijt wanneer een bouwkraan op hem valt. Tijdens het herstelproces merkt Edgar dat er ook met zijn hersens iets mis is; hij gedraagt zich gewelddadig tegenover zijn vrouw en hij lijdt aan hallucinaties. Het betekent het einde van het huwelijk, en Edgar verhuist naar het eilandje Duma Key, West-Florida. Een keerpunt komt als Edgar ontdekt dat hij een briljante kunstschilder is. Maar zijn werk – surrealistische schilderijen met de zee als thema – blijkt vreemde eigenschappen te hebben die iets vertellen over het Eastlake-gezin dat een eeuw geleden op het eiland woonde. Twee dochtertjes, een tweeling, zijn lang geleden onder verdachte omstandigheden in de zee verdronken. Het mysterie verdiept zich wanneer de jongste telg uit het gezin, de nu hoogbejaarde Elizabeth Eastlake, een band met Edgar ontwikkelt. Net als Edgar nu kon Elizabeth als meisje fabuleuze tekeningen en schilderijen maken. Edgar en Elizabeth representeren twee werelden, en gaandeweg worden de contouren van deze werelden zichtbaar, die van de verbeelding en van de echte wereld. De koppeling tussen de werelden, en in de roman tussen verschillende verhaalwerkelijkheden, lijkt terug te voeren naar Edgars ongeluk, toen hij zijn arm kwijtraakte, dezelfde arm die hij nu op Duma Key voelt tintelen wanneer hij de drang krijgt een schilderij te maken.

Het is een spannend verhaal en King toont zich opnieuw een meesterlijk verteller. En zijn grote kracht is nog altijd dat hij door taal erin slaagt een voor de lezer herkenbare wereld te vermengen met een wereld van horror en mysterie. Niet voor niets wordt King vaak vergeleken met Charles Dickens, een schrijver die prachtig sfeerrijk kon schrijven. Neem zijn verbeelding van Londen aan het begin van Bleak House: ‘… fog everywhere… gas looming… the raw afternoon is rawest…’ Juist de taal trekt je het verhaal in. En King: ‘… its grin outran the sides of its face in a crazy jumble of lips and teeth’. Dit is de taal van King: beeldende taal om abnormale werkelijkheden te beschrijven. Het is de taal van horror, de taal van het groteske.

In Duma Key krijgt taal een extra dimensie van betekenis, waardoor het verhaal een bijkomende laag heeft. Die gelaagdheid illustreert de ontwikkeling van King als romanschrijver. De Eastlake-verhaallijn had vroeger wellicht een volledige King-roman kunnen zijn: een super-horrorverhaal, breed uitgesponnen en strikt volgens de genreregels. Maar sinds Bag of Bones uit 1998, een verhaal over een schrijver met writer’s block, is steeds meer sprake van een ‘oude’ en een ‘nieuwe’ King. De eerste is de schrijver van de cocaïnenachten die instinctmatig de logica van zijn eigen dromen en nachtmerrie volgt, de tweede is de auteur die reflectief speurt naar de geheimen van het proces van het schrijven.

Tijdens en na zijn auto-ongeluk werkte King aan On Writing, zijn inmiddels veelgeroemde non-fictieboek over het schrijverschap. Duma Key valt te lezen als een fictieve ‘remake’ van On Writing. Onder de oppervlakte van het verhaal van Edgar Freemantle (‘Edgar’ is een eerbetoon aan Poe) drijft het verhaal van King de schrijver die worstelt met de vragen hoe dat schrijven eigenlijk in elkaar zit. Net zoals Edgar geen idee heeft hoe hij zijn schilderijen maakt, en sterker nog, wat voor effect die in het echte leven hebben, zo lijkt het alsof King al schrijvende aan Duma Key probeert te achterhalen wat hij nu eigenlijk precies aan het doen is.

En wat dan? Dit: herinnering, alle kunst is herinnering, zegt King, de vloek van herinnering waaraan niemand kan ontsnappen, het houvast van dromen en nachtmerries dat leidt tot het schrijven als uitlaatklep (Edgar noemt het ‘the artist being unbottled’). Dit is ook het oerthema in de southern gothic: de greep die het verleden op het heden heeft, de greep van de doden op de levenden. Het mooie aan de ‘nieuwe’ King is dat hij al worstelend met zijn eigen vragen een netwerk aan literaire allusies in Duma Key verwerkt. Alsof hij dáár het antwoord denkt te kunnen vinden, in de literatuur zelf. Poe is voelbaar op bijna elke pagina, niet alleen in de naam van het hoofdpersonage, die als in veel Poe-verhalen de ik-verteller in Duma Key is, maar ook in motieven als de kleur rood. Die kleur refereert aan The Masque of the Red Death, onder meer in de vorm van het doodskleed dat de monstrueuze vrouwenfiguur Perse draagt. Perse is Kings versie van de groteske vrouw in Poe’s verhalen, fabelachtige vrouwen als Ligeia of Morella of Lenora of Eleonora. In Duma Key hebben de vrouwen poeëske namen: Perse, Ilse, Elizabeth.

Edgar schildert Perse. En dan komt zij tot leven. Edgar schildert een moordenaar, zonder mond of neus. En dan stikt de moordenaar in het echte leven in zijn cel. In Duma Key heeft kunst effect, Oscar Wilde-stijl. Kunst is gevaarlijk, als in The Picture of Dorian Gray, kunst is oncontroleerbaar. En daarin ligt waarheid. Het verhaal in Duma Key is gelardeerd met korte hoofdstukken getiteld How to Draw a Picture. Een van de ‘lessen’ van Edgar luidt: ‘If you tell yourself the great lie of bad art – that you are in charge – your chance at the truth will be lost.’ Het is ook de les van de oude Stephen King, schrijver van romans, onder invloed van drugs en alcohol, zoekend naar de roes, een mentale staat waarin hij geen beheer meer heeft over wat hij schrijft. (Zou de nieuwe King de oude missen?)

Dat is ook het grote verschil met de nieuwe King. Die is nuchter, volledig in beheer, vandaar het zoeken naar de essentie van het schrijverschap. In het boek vindt hij die, net als Edgar die de kern van kunst op Duma Key vindt terwijl hij schildert en luistert naar het geroezemoes van de schelpen en het zeewater. Dat zijn stemmen uit het dodenrijk. Herinneringen. En die hebben ook stemmen. Dikwijls trieste stemmen die alle aandacht opeisen, als ‘raised arms in the dark’. Horror en kunst, verlies en herinnering, de waarheid en de dood – ergens zijn deze dingen onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar heeft King zijn antwoorden gevonden in het boek dat hij heeft geschreven? Misschien in de horror van Edgar, in de taal van Edgar die een reïncarnatie is van die andere Edgar: ‘The winds gusted, the shells murmured. And from the blackness under the house, where that bony bed lay six feet deep, a darker shadow slipped free and stepped into the moonlight. It stood bent over for a moment, as if considering, and then began to come towards me.’