De taalillusionist

De laatste keer dat stemkunstenaar Jaap Blonk in deze kolommen ter sprake kwam was naar aanleiding van de cd Braaxtaal. Bij zijn optreden in het Amsterdamse Bimhuis afgelopen weekend, het startschot voor een internationale tournee, bleek nog weer eens dat je Blonk vooral moet zien.

Gekke bekken trekken, zouden kinderen zeggen. De kunstkritiek spreekt in zo'n geval over het raakvlak tussen muziek, theater en mime. Feit is dat Blonk bij zijn vocale pirouettes en spagaten zijn hele lichaam inzet. Veel nummers beginnen geluidloos. We zien Blonk druk praten, articuleren en gesticuleren. Langzaam komt daar een vleugje stem bij. In een onzintaaltje brabbelt hij erop los, waarbij alle denkbare geluiden die de mond kunnen produceren uit de kast worden getrokken. Met zijn keel, lippen, neus en tong tovert Blonk een heel arsenaal aan muzikale middelen te voorschijn. En vergeet de wangen niet. Nu eens krijgen ze een klap als een ballon die stuk wordt geslagen, dan weer schudt hij ze slap heen en weer zodat er een vochtig geluid klinkt. Het gaat er niet altijd even zachtzinnig aan toe. Soms springt het zuur je in de mond door gggg’s die als schuurpapier door de ruimte knarsen.
Tegenover de schattige oh’s en ah’s staan nare, kartelige kreten. Dat Blonk zijn stembanden nog niet aan flarden heeft geschreeuwd mag een wonder heten. Maar ook al gaat hij soms flink tekeer, elke frase wordt even zorgvuldig afgewerkt, zowel in articulatie als in dynamiek.
En zoals gezegd doet het hele lichaam mee. Sterker nog, zijn lijf staat in dienst van de betreffende klank. Het is alsof Blonk rond elk stemtype een theatrale figuur bouwt.
Met zijn razendsnelle vingers, elastieken benen en oneindig gevarieerde mimiek heeft hij de allure van een stripfiguur - met alle absurditeit vandien. Zo beschouwd zijn het abstracte verhaaltjes ofwel absurdistische miniatuurtjes die hij neerzet.
Op deze tournee speelt Blonk samen met de Zweedse saxofonist/ fluitist Mats Gustafsson en de Amerikaanse slagwerker Michael Zerang. Dat het drietal elkaar al langer kent - enkele jaren geleden bracht het een live-optreden op cd uit - is hoorbaar. Ze zijn uitstekend op elkaar ingespeeld en ze hebben ook een soort gemeenschappelijke taal ontwikkeld. Gustafsson lijkt althans in zijn spel op Jaap Blonk. Met de grootste intensiteit - rood aangelopen hoofd en vertrokken kop - brengt hij nauwelijks hoorbaar gefluister voort.
En hij schuwt niet de theatraliteit om een specifiek geluid te krijgen. Zo zwaait hij af en toe woest met zijn fluit in het rond om een klankflard te produceren of draait hij zich in vreemde bochten om de beker van zijn sax op zijn dijbeen te dempen.
Michael Zerang zit meer in zijn drumstel dan erachter. Door allerlei voorwerpen op de vellen te leggen laat hij veel kleine, gedempte geluidjes horen. De keren dat hij de drums op de traditionele manier bespeelt zijn op een hand te tellen. Maar dat betekent niet dat het drietal in gepriegel blijft steken. Integendeel: het gaat een eigen leven leiden. Als kijker en luisteraar word je deelgenoot van een spannende fantasiewereld met een geheimzinnige taal.
Jaap Blonk is in dat universum de grote illusionist. De manier waarop hij zijn stem en lichaam als instrument inzet is zo uniek dat deze performance volkomen met zijn persoon samenvalt.

  • In de Matinee op de vrije zaterdag dirigeert Peter Eötvös een mooi programma met werk van Messiaen en Oestvolskaja en van de Nederlandse componisten Peter van Onna en Ron Ford (10 oktober, Concertgebouw te Amsterdam).
  • Poëtische muziek van de Grieks-Nederlandse componiste Calliope Tsoupaki. Het Utrecht String Quartet brengt op maandag 12 oktober (Vredenburg, Utrecht) een programma rond haar oeuvre.