Charmant-onbeholpen steenkolen Engels

De taalpolitiek van Balkenende

Er wordt tegenwoordig wel eens zorgelijk geklaagd dat het Engels op het punt staat de Nederlandse taal te verdringen, maar wie zijn oor te luisteren legt bij Nederlandse politici in het buitenland weet dat het zo’n vaart niet zal lopen. Integendeel, beheersing van de Engelse wereldtaal lijkt ook helemaal geen wenselijkheid meer in de nationale politieke cultuur van het nieuwe millennium. Het radicaalst — natuurlijk — daarin was wijlen Wilhelmus Fortuyn, die tijdens zijn historische ontmoeting met BBC-verslaggever John Simpson in zijn Rotterdamse hoofdkwartier bijna geheel incommunicado bleek met de taal van Lord Byron en de Beatles, en de Britse sterverslaggever in een bizar soort Polderengels zijn tuin uit verwenste. Maar ook premier Balkenende blijkt ongevoelig te zijn voor de invloed van de lingua franca van de twintigste eeuw. Tijdens de plechtige beëdiging van Jaap de Hoop Scheffer als secretaris-generaal van de Navo hield de premier vorige week in Brussel een redevoering in het Engels die voor iedere aanwezige, De Hoop Scheffer uitgezonderd, totaal onverstaanbaar moet zijn geweest.

Het charmant-onbeholpen steenkolen Engels van Balkenende riep vertederende herinneringen op aan premier Gerbrandy van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen, die zijn Britse ambtgenoot Winston Churchill placht te begroeten met een schetterend: «Goodbye mister Churchill» (waarna de laatste volgens de overlevering zou hebben opgemerkt: «Dit was de kortste ontmoeting die ik ooit heb gehad»). Later ging het nog wel eens vaker fout. Zo hield Joop den Uyl als minister-president een gehoor van buitenlandse ondernemers voor dat Nederland «a country of undertakers» was. Een fraai Frans equivalent werd later in Parijs geleverd door partijgenoot Hans Alders, die zich presenteerde als «le ministre du milieu», «minister van de onderwereld»).

Of Balkenende echt zo slecht Engels spreekt als hij in Brussel demonstreerde is zeer de vraag. Misschien wil hij helemaal geen vloeiend Engels spreken, als een demonstratie van nationale trots, het bewijs van een fundamenteel anders-zijn, naar het voorbeeld van zijn grote inspirator Fortuyn. Zo spreekt Beatrix in het openbaar, bijvoorbeeld bij haar recente aanvaarding van de Karel de Grote-penning van de Pan-Europese Unie in Aken, zeer verhollandst Duits, terwijl zij, volgens ingewijden, binnen de paleismuren als dat nodig is de taal van Goethe vloeiend van de tong kan doen rollen.

In dat geval zou ook in het geval van Jan Peter Balkenende sprake zijn van een bewuste taalpolitiek door middel van het instrument van de opzettelijke taalverminking. Als dat werkelijk zo is, zou het raadzaam zijn als bij de eerstvolgende gelegenheid kenbaar wordt gemaakt dat de Nederlandse premier bewust zo beroerd Engels spreekt. Dat scheelt veel kromme tenen, en scholieren die falen in het vak Engels kunnen zich dan niet langer beroepen op de uitspraak van ’s lands eerste burger.