Kunst: Wayne Thiebaud

De taart als verf

Medium kunst
Wayne Thiebaud, Cherry Pie, 2016. © collection museum Voorlinden, c/o Pictoright Amsterdam 2018

Als je het werk gaat zien van een kunstenaar die je niet bijster goed kent, kun je door een terloopse opmerking op een spoor gezet worden waar je niet licht weer vanaf komt. Mij overkwam dat bij het ingaan van de tentoonstelling van Wayne Thiebaud, de eerste overzichtstentoonstelling van zijn werk in Europa, in Museum Voorlinden. Een conservator vertelde dat Thiebaud (1920) ‘was begonnen als cartoonist, illustrator en reclameschilder’. Dat ís zo, en het is bijzaak, maar toch: in je hoofd dringt zich onwillekeurig het idee op dat kunstenaars met zo’n achtergrond over het algemeen briljante, handige tekenaars zijn, alleskunners, wendbaar en slagvaardig, gewend te doen wat de opdrachtgever wil en niet, misschien, mensen met een dieper artistiek gevoel, iets wat er per se ‘uit’ moet.

Thiebaud is autodidact. Hij schildert al zeventig jaar en hij schildert eigenlijk al zeventig jaar hetzelfde, of liever: op dezelfde manier. Hij heeft een schilderkunstig middel dat hij vrijwel overal inzet, bijna een truc. Het is het effect van een 3D-plaatje-zonder-bril: de kleuren van een vast vlak – rood en blauw, samen paars, bijvoorbeeld – zijn een fractie van elkaar verschoven, waardoor dat paarse vlak een rood en een blauw randje krijgt. Alle objecten en figuren op Thiebauds schilderijen hebben van die randjes – helder groen, helder oranje, helder blauw, een contrastkleur die actie geeft, die de vormen als het ware op het netvlies laten trillen. Dat is niks nieuws: Delacroix schreef er al de theorie van, Van Gogh paste die toe op de schemerlamp boven de tafel van De aardappeleters. Een techniek, dus, die (als je de hele tentoonstelling ziet) echt overal te zien is. Is dat vervelend? Nee, maar curieus is het wel.

Het intrigerende van de schilderijen is dat ze ogenschijnlijk vooral willen pleasen. Thiebaud houdt van leuke onderwerpen, in heldere vibrerende kleuren op genoeglijk-vet wit. Een hoed, een setje hotdogs, een gebraden kip en taarten, veel taarten, die van die felle glazuurkleuren hebben en waarvan de laagjes cake met fijne dikke kwaststreken neergezet kunnen worden. Er zijn ook portretten, van mensen die niet veel zeggen en je kalm aanstaren, maar om nou te zeggen dat er een ‘angst’ uit spreekt, een zorg over een mogelijk turbulent innerlijk, nee. Het zijn portretten, ze lijken uitstekend, de opbouw in verf is razend knap, die kleurige contourlijntjes zetten ze in beweging, kortom, niemand zou het je kwalijk nemen als je zou denken: dit is het werk van een virtuoze reclameschilder die zich uitleeft in een onbekommerd Californisch soort popart.

En dat is het dus niet. Het vreemde is dat Thiebauds schilderijen van taarten en hoeden en uitstallingen in bakkersetalages mij erg deden denken aan het fijnste werk van De Kooning en het grootste kleurige werk van Barnett Newman: ze tonen boven alles een belangstelling voor de pure werking van kleurige vlakken op een plat doek – niet voor de werkelijkheid van de patisserie. Andere schilders hebben vanuit diezelfde belangstelling de stap naar de abstractie gezet, maar Thiebaud niet. Een kwestie van temperament, vermoed ik, misschien iets in hem dat zich tegen de tijdgeest verzette, maar ik denk vooral dat het een kwestie is van ‘het al gevonden hebben’: de vreugde en de waarheid van echt schilderen, van ‘verf als vlak’. Dat de goegemeente denkt dat het om die taarten gaat, laat ze.


Wayne Thiebaud, Museum Voorlinden, Wassenaar, t/m 16 september; voorlinden.nl