Rahul Mehrotra, bouwer van werelderfgoed

‘De tabula rasa bestaat niet’

India’s toparchitect Rahul Mehrotra slaat bruggen tussen oud en nieuw India, tussen India en het Westen. Hij is wars van de hedendaagse Aziatische wolkenkrabbers en glazen kubussen, die voorbijgaan aan regionale tradities.

New Delhi – Voor buitenlanders die Jaipur bezoeken is het vaste prik. Gezeten op de rug van een bont beschilderde olifant omhoog hobbelen naar fort Amber, in de heuvels rondom de stad. Dagelijks kun je de karavaan zien gaan: zon­gebruinde backpackers, pasgetrouwde stelletjes op huwelijksreis, pensionado’s op zoek naar hun eigen Best Marigold Hotel. Weinigen zullen zich afvragen waar de olifant en zijn verzorger, de mahout, na werktijd naartoe gaan. Het antwoord op die vraag werpt waarschijnlijk een schaduw over de mooie vakantie­herinnering. Dier en mens wonen samen in Hathigaon, ‘olifanten­dorp’ in het Hindi, een dorpje even buiten Jaipur op een droog stuk land, verwoest door jarenlange intensieve zandwinning.

Op dit moment krijgt Hathigaon een opknapbeurt. Er komen strakke betonnen gebouwtjes met veel open vensters, frisse waterpartijen voor de olifanten en een hoop groen. Toerismebureaus in Rajastan hopen op een nieuwe trekpleister voor toeristen. De meesten zullen komen voor het spektakel van badende olifanten. De architectuurliefhebber krijgt een dubbele traktatie. Die kan rondlopen in een ontwerp van India’s starchitect Rahul Mehrotra. Zijn bureau, RMA Architects uit Mumbai, kreeg de opdracht om Hathigaon nieuw leven in te blazen.

Mehrotra (1959) is een man die bruggen slaat, tussen oud en nieuw India, tussen India en het Westen. Zijn werk verbindt het klassieke India van de moguls en maharadja’s met het moderne India van outsourcing en sloppenwijken. Hij verdeelt zijn tijd tussen zijn geboorteland en Boston, waar hij hoogleraar urban design and planning is aan de Harvard Graduate School of Design. In de collegezalen spreekt hij over architectuur, restauratie en stadsplanning, meestal met Mumbai, India’s meest duizelingwekkende metropool, als onderwerp.

Mumbai is wat Mehrotra een kinetic city noemt: een stad die constant in beweging is, sociaal maar ook fysiek. In de ruimte tussen de statische gebouwen van Mumbai is het een chaos van ongeplande winkels, hutjes en woningen, vaak gemaakt van restmateriaal. Het is een type stad dat niet kan worden vastgelegd op een kaart of in een uitgedacht stadsplan. De architect moet zich in zo’n omgeving voorzichtig opstellen, vindt Mehrotra. In plaats van de kinetische stad te willen temmen, moet hij proberen mee te gaan met haar dynamiek. Dat betekent bijvoorbeeld ruimte laten voor de kleinbehuisde dagloner, naast de torenflat voor de noveau riche. Mehrotra is even zo goed thuis in de monumentale architectuur van zijn land. Zo is hij verantwoordelijk voor de restauratie van het bijna vier eeuwen oude Chowmallah-paleis in Hyderabad. Het monument is een exquise staaltje islamitische architectuur met oorspronkelijk 54 hectare aan paleistuinen, balzalen, stallen en een eetzaal van bijna anderhalve kilometer lang.

Na de onafhankelijkheid van het Indiase subcontinent in 1947 was de toenmalige nizam van Hyderabad, Osman Ali Khan, de laatste heerser die weigerde zijn vorstendom te laten opgaan in de nieuwe eenheidsstaat. Hij was op dat moment de rijkste man ter wereld met een inkomensbalans zo groot als die van België en zag geen enkele reden waarom zijn eeuwenoude dynastie moest wijken voor een piepjonge democratie. Khan werd uiteindelijk met geweld gedwongen om zijn macht af te staan. Het opdoeken van de prinselijke staat Hyderabad luidde het verval in van de nizam-dynastie, en daarmee ook van de residentie die het vorstengeslacht sinds 1751 bewoonde. De huidige nizam, geboren in 1933, verliet India begin jaren zeventig op de vlucht voor schuldeisers en claims van honderden afstammelingen die aanspraak maakten op een deel van het familiefortuin. Het paleis werd verzegeld en overgelaten aan ongedierte, plunderaars en de tand des tijds.

Enter Mehrotra. In 2001 werd hij door de eerste vrouw van de gevluchte nizam gevraagd om het paleis in oude glorie te herstellen. Mehrotra trommelde een leger vaklui op – houtbewerkers, textielrestaurateurs, landschaps­architecten, historici – om het vervallen paleis te restaureren. Hij spoorde de achter-achterkleinzoon op van de vakman die de originele terracotta balustrades had gemaakt. Binnen tweeënhalf jaar was de ruïne omgetoverd tot een werelderfgoed­monument dat duizend bezoekers per dag trekt.

Hoe het oude te bewaren is een terugkerend thema in Mehrotra’s werk. Hij ontwierp het bezoekerscentrum voor de Taj Mahal en is het brein achter het Taj Mahal Conservation Collaborative, dat India’s meest beroemde monument bewaakt. Het maakt Mehrotra anders dan veel architecten, voor wie bestaande bouw eerder een obstakel is voor het realiseren van ambitieuze gebouwen, stadsplannen en woonwijken.

Toch is hem niet te verwijten met de rug naar de toekomst te staan. ‘Conservation’, aldus Mehrotra in een interview met Harvard Magazine, ‘is niet het hetzelfde als preservation, dat draait om bescherming en herstel. Conservatie is veelzijdiger en rijker. Het gaat om een combinatie van historische integriteit en creativiteit, om verhalen te ontwikkelen die het heden aan het verleden koppelen. Volgens Mehrotra is conservatie onderdeel van ieder project. ‘Zelfs een leeg bouwterrein heeft geschiedenis, die van de natuur. De tabula rasa bestaat niet.’

Het is deze behoedzaamheid die Mehrotra’s visie op stadsontwikkeling kenmerkt. Hij heeft een afkeer van de transformatie die veel Aziatische steden hebben doorgemaakt. Dus voor hem geen torenhoge wolkenkrabbers of varianten op de eeuwige glazen kubus, waarvan ramen de stadshectiek weerspiegelen. ‘De glazen kubus is visueel ondoordringbaar. Je ziet niet wat er binnen gebeurt’, is zijn opvatting. Ook air­conditioning, de motor van het Indiase kantoorbestaan, laat hij het liefst achterwege ten faveure van natuurlijke luchtcirculatie – dezelfde wijze waarop de Indiase vorsten hun paleizen koel hielden.

Een typisch Mehrotra-huis ziet er als volgt uit: hoekige vormen, gladde vloeren van beton of marmer, ruimtelijk en veel open verbindingen tussen de verschillende woongedeelten. Hier en daar zie je een constructie in donker hardhout. Zelden ontbreekt het water, in de vorm van vijver of zwembad. Deze combinatie is de beste remedie tegen vuil en hitte, de plagen die horen bij wonen in India.

Dit type huizen komt het best tot z’n recht met zo min mogelijk interieur. Het is niet moeilijk om in Mehrotra’s ontwerpen de filosofie van de beroemdste Indiër aller tijden terug te zien. De ashram, de leefgemeenschap op basis van een ethiek van soberheid en gemeenschappelijkheid, zoals verheerlijkt door Mahatma Gandhi, is een zichtbare inspiratiebron. Mehrotra, opgegroeid in een arme wijk van Mumbai, waar hij bij gebrek aan elektriciteit thuis zijn schoolwerk deed onder een lantaarnpaal, beheerst de schoonheid van soberheid tot in de puntjes.

In 2011 verscheen zijn boek Architecture in India after 1990. Het is de meest ambitieuze poging tot nu toe om orde aan te brengen in het bonte palet aan gebouwen dat de afgelopen decennia in India verrees. Het startpunt, 1990, is cruciaal. Niet alleen omdat Mehrotra toen zijn kantoor opende, maar bovenal omdat het het begin was van een nieuw India. Begin jaren negentig dreigde het land ten onder te gaan aan een economische crisis. De centraal geleide economie van Jawaharlal Nehru bleek slecht bestand tegen globalisering. De oplossing werd gevonden in het opengooien van de Indiase markt en het laten vieren van de staatsteugels.

Omdat India zich langzaam overgaf aan de vrijmarkteconomie veranderde de gebouwde omgeving ingrijpend. Steden slibden dicht, een klasse nieuwe rijken kon zich luxe veroorloven, tientallen multinationals plus hun werknemers moesten van kantoren en woningen worden voorzien. Parallel hieraan ontstond er een praktijk van architectonisch verzet. Juist de confrontatie met het nieuwe scherpte het bewustzijn aan over wat nu eigenlijk ‘Indiaas’ is.

Mehortra onderscheidt vier stromingen in het India van na de liberalisering: ‘Global practice’, ‘regional manifestation’, ‘alternate practice’ en ‘counter modernism’. Ieder daarvan geeft een eigen antwoord op de transformatie van het land. Global practice is architectuur van de anonieme kantoorpanden, de vliegvelden en de hoogbouw. Er is weinig specifiek Indiaas aan, de meeste gebouwen hadden net zo goed in Dubai of Singapore kunnen staan, meent Mehrotra. Het is de gebouwde uitdrukking van ‘ongeduldig kapitaal’ dat India overspoelde in de afgelopen twintig jaar.

De regional manifestation is de lokale inbedding van dat ongeduldige kapitaal. Architectuur die nog steeds voortkomt uit de globalisering, maar gevoel heeft voor de Indiase context. Vaak zijn het ontwerpen van Indiase architecten die in het Westen werken of zijn opgeleid.

Alternate practice, aldus Mehrotra, probeert de ontworteling die bij de tucht van de markt hoort op te vangen. Deze architectuur draait om duurzaamheid als antwoord op de toenemende milieuvervuiling of nieuwe woonvormen voor de Indiërs die door economische ontwikkeling uit hun habitat zijn verdreven.

Counter modernism ten slotte is een regelrecht teruggrijpen op het verleden. In techniek en materiaal is deze bouw volledig eigentijds, in esthetiek is het een uitvergroting van het India in de reis­gidsen: veel kleur en tierelantijnen of een natuurgetrouwe kopie van een pre-modern bouwwerk. Niet voor niets komt counter modernism vooral bij tempels tot uiting.

Mehrotra rangschikt alles keurig, als een brave chroniqueur. Maar tussen de regels door valt een scherp oordeel te lezen. De global practice heeft India weinig goeds gebracht, vindt de architect. De gebouwen zijn niet alleen karakterloos of ronduit lelijk, ze verspillen ook nog eens water en energie. Net als de gast op het feestje die de dresscode niet begrijpt en te veel drinkt, is Mehrotra veel architectuur van na 1990 liever kwijt dan rijk. ‘Kapitaal enkel uit op winst is een destructieve kracht, die een broze omgeving creëert’, zei hij in een interview met het weekblad Tehelka. Hoewel afwezig in Architecture in India after 1990, is het niet moeilijk om te raden in welke categorie Mehrotra’s bouw zelf valt. Door de regional manifesation te benoemen heeft de architect een label voor zijn eigen werk gecreëerd. In veel van zijn ontwerpen schemert het India door de eeuwen heen: de frisse, open bouw van de moguls, de sobere ashram-esthetiek van Gandhi, moderne ontwerpen die zich voegen naar westerse standaardisering. Anders gezegd: het beste wat India wat betreft architectuur te bieden heeft.

Rahul Mehrotra spreekt vrijdag 17 mei om 10.15 uur in de Stads­schouwburg


Casper Thomas is correspondent voor De Groene Amsterdammer in India