De vergelijking Afghanistan-Vietnam

De Taliban zijn geen Vietcong

De oorlog in Afghanistan wordt vaak vergeleken met die in Vietnam. Veel commentaren blijven daarbij steken bij de beeldspraak van Afghanistan als ‘Obama’s Vietnam’. Maar in plaats van een noodlotsoordeel zou de vergelijking juist een leerzame analogie moeten zijn.

Medium afghanistan

‘ALS WIJ EXTRA divisies sturen, kan de vijand dan geen extra divisies sturen? En zo ja, waar houdt het dan eigenlijk op?’ De Amerikaanse president Lyndon Johnson, gefrustreerd en emotioneel uitgeput door een oorlog die hij van meet af aan met grote tegenzin leidde, beet zijn generaal Westmoreland deze vraag toe in april 1967. Johnson had in de voorgaande twee jaar de Amerikaanse troepenmacht in Vietnam omhoog gejaagd van zestienduizend naar meer dan vierhonderdduizend man. Pas op dat moment begonnen Johnson en zijn adviseurs openlijk de vraag te stellen die zij jaren eerder hadden moeten opwerpen: we vechten tegen een vijand die een eindeloos reservoir aan mankracht bezit – wat helpen extra Amerikaanse soldaten dan?
Het is slechts een van de vele vragen uit het verleden die direct te plakken zijn op Obama’s beslissing om dertigduizend man extra naar Afghanistan te sturen, want ook de Taliban beschikken over eindeloos kanonnenvoer. De vergelijking tussen Afghanistan en Vietnam is zo voor de hand liggend dat maar weinig commentatoren die niet hebben gemaakt. Ook Obama zelf gebruikte haar in de toespraak waarin hij zijn plannen aankondigde. Extra reden om secuur naar de vergelijking te kijken, en extra jammer dat veel commentaren niet verder komen dan de beeldspraak van Vietnam als ‘een moeras’ of Afghanistan als ‘Obama’s Vietnam’.
Vooral bij Amerikaanse analisten lijkt een obsessie te bestaan met de vraag welke historische analogie het best bij Afghanistan past. Is het Irak, met de geruststellende conclusie dat het goed kan komen? Is het Vietnam, met de (onuitgesproken) slotsom dat ook deze oorlog ‘onwinbaar’ is? Of zijn het de frontier wars die Groot-Brittannië in Afghanistan uitvocht? Het is een onzinnig spelletje, want met zulke simpele lessen valt niets van de geschiedenis te leren. En dat is jammer, want een vergelijking met Vietnam levert veel stof tot nadenken op.
De oorlog in Afghanistan herinnert vooral aan die in Vietnam vanwege het soort oorlog dat de Verenigde Staten (en hun weinige bondgenoten) er voeren. Net als in Vietnam ontmoeten de VS er een vijand die confrontaties mijdt en zich toelegt op hinderlagen, die zich onherkenbaar onder de bevolking mengt en die gebruik maakt van een duizend kilometer lange, ongemarkeerde grens om het land te infiltreren en om rustgebieden te creëren aan de andere zijde van de grens. De militaire overmacht die de VS hebben op papier en in de lucht wordt uitgevlakt door de omstandigheden op de grond: het terrein en de sociale structuur. Al deze overeenkomsten kloppen, maar de crux van de vergelijking ligt ergens anders.
Sinds het einde van de Vietnamoorlog zijn er boekenkasten volgeschreven met eindeloos veel meningen, maar op één punt bestaat bijna unanieme kritiek: de Amerikaanse strategie. ‘De VS ontwikkelden nooit een strategie die paste bij de oorlog die zij vochten’, concludeerde bijvoorbeeld George Herring, een autoriteit op dit gebied. ‘De Amerikaanse strategie was geïmproviseerd in plaats van secuur uitgedacht en ze bevatte talloze tegenstrijdigheden.’
Begin 1965 leek Zuid-Vietnam op het punt te staan om ten prooi te vallen aan de communistische guerrillabeweging Vietcong. De bezorgde Amerikaanse president Johnson zocht een aanleiding om in te kunnen grijpen en vond die. Zijn minister van Defensie McNamara improviseerde vervolgens haastig een strategie bij de duizenden Amerikaanse militairen die Zuid-Vietnam binnenstroomden en de duizenden Amerikaanse bommen die op Vietnam begonnen neer te regenen. Doordat de VS zich in de oorlog mengden ‘ontnamen zij de vijand de overwinning’, stelde McNamara, en die zou daardoor op den duur gedemoraliseerd raken. De Noord-Vietnamese wil om de Vietcong te steunen zou door de bombardementen gebroken worden. En de demonstratie van Amerikaanse wil en de ‘toezegging zonder einddatum’ van de VS zouden leger en regering van Zuid-Vietnam vleugels geven en de tijd en ruimte om hun zaken weer op orde te krijgen.
Bijna alles aan deze opzet was verkeerd en bijna alles doet denken aan de Amerikaanse strategie in Afghanistan. Tijdens de hele oorlog bleef het overeind houden van de Zuid-Vietnamese staat het meest urgente doel, terwijl die staat tot op het bot corrupt, incompetent en ongeliefd was. ‘Wat belangrijk is, is zelden urgent’, had president Eisenhower al gewaarschuwd en dit was de perfecte illustratie. Vele Amerikaanse politici en militairen zagen destijds glashelder het structurele probleem dat zij in stand hielden, maar ze zagen geen uitweg. De kiem van de opstand op het platteland was de woede van de boeren over hun situatie en de flagrante desinteresse van het Zuid-Vietnamese regime daarvoor. Het lukte de Amerikaanse presidenten niet om de opeenvolgende elitaire Zuid-Vietnamese regeringen hierin een omslag te laten maken.
De parallellen met Afghanistan zijn evident. Het hoofddoel dat president Obama heeft omschreven is het ‘omkeren van het momentum van de Taliban’, oftewel het redden van de even fragiele als corrupte en incompetente Afghaanse staat, die door de mislukte verkiezingen van afgelopen herfst van zijn laatste restje respectabiliteit is ontdaan. Gezien zijn toespraak hoopt Obama dat hij meer invloed heeft op de Afghaanse regering dan zijn voorgangers op die in Vietnam, maar erg bemoedigend is het niet. De Vietnamoorlog illustreerde juist dat een leider die een stroman is (of lijkt) alleen nog wat geloofwaardigheid kan winnen bij zijn bevolking door zich tegen de VS af te zetten – en dat is precies wat Karzai met zijn tandeloze verzet tegen de vele burgerdoden heeft gedaan.

Medium afghanistan

HIERUIT VOLGT een tweede tegenstrijdigheid die ook speelde bij de Amerikaanse strategie in Vietnam. De steeds verder opgeschroefde Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam gaf leger en regering van Zuid-Vietnam juist geen vleugels, maar verlamde ze steeds meer. De Amerikanen hielden het Zuid-Vietnamese leger (terecht) weg bij belangrijke gevechten, verzwegen gevoelige informatie en verborgen hun minachting voor de gook chicken shits bepaald niet – met als gevolg dat de al waardeloze moraal van het Zuid-Vietnamese leger nog verder verslechterde, de gevechtskracht afnam en de ‘Amerikanisering’ van de oorlog een zichzelf versterkend mechanisme werd.
Obama heeft zich duidelijk over deze parallel gebogen. Hij benadrukt dat alles in het teken komt te staan van zelfredzaamheid van het Afghaanse leger: bij elke patrouille en elk gevecht gaan Afghanen mee, terwijl in hoog tempo tienduizenden Afghaanse soldaten worden bijgetraind. Maar de ervaring in Vietnam suggereert dat een probleem zien niet betekent dat het ook opgelost kan worden. De VS staken erg veel geld en tijd in het opbouwen van het Zuid-Vietnamese leger, totdat het honderdduizenden soldaten en de vierde luchtmacht ter wereld bezat. Toen gaven de Amerikanen hun Frankenstein een zetje, wrongen hun handen, en – It’s alive! – zagen even verbaasd als iedereen toe dat het Zuid-Vietnamese leger nog jarenlang overeind bleef tot het toch ineenzeeg door de structurele fouten die vanaf het prilste begin helder waren: ze waren slecht gemotiveerd, slecht geleid en corrupt. Die fouten werden met Amerikaans geld niet verholpen, maar verergerd.

EEN DERDE BASISFOUT in het Amerikaanse plan was de verkeerde inschatting van de factor tijd. Hoe McNamara ooit kon denken dat de Noord-Vietnamezen een kortere adem zouden hebben bij het verenigen van hun eigen land dan de Amerikanen bij het steunen van een onbelangrijk ver-weg-land is een van de grote raadsels van de Vietnamoorlog. Het open ended commitment was zelfbegoocheling en Obama wil dit duidelijk vermijden. De Noord-Vietnamese leiding zag dit ook: uit onderzoek blijkt dat die heel snel voorspelde dat een patstelling op het slagveld uiteindelijk zou leiden tot een Amerikaanse terugtrekking. Dat werd dan ook de Noord-Vietnamese strategie en zo liep de oorlog ook af. Achteraf gezien is de pijnlijke conclusie dat Noord-Vietnam en de Vietcong in strategisch opzicht superieur waren aan de VS.
Voor de Taliban geldt dit wellicht ook. Als Taliban-leiders zich tegen westerse media uitspreken, noemen zij bijna altijd de cruciale factor tijd en dat zal niet minder worden nu Obama een terugtrekkingsdatum heeft genoemd. Wellicht schatten de Taliban ook beter in hoe zij de ingewikkelde politiek in buurland Pakistan in hun voordeel kunnen gebruiken. En ten slotte hebben zij, net als Noord-Vietnam, de westerse publieke opinie tot expliciet oorlogsdoelwit gemaakt. De Taliban doen aanzienlijk minder aan pr, maar hebben even duidelijk de westerse stemmers op de korrel: onlangs moest Italië zijn betrokkenheid bij Afghanistan bijvoorbeeld met een reeks aanslagen bekopen.

DIT LEIDT TOT een laatste parallel tussen beide oorlogen, die in de VS onvoldoende aandacht krijgt. De oorlog in Vietnam liep mede mis doordat die in de VS altijd van ondergeschikt belang was aan de binnenlandse politiek. Voor Johnson draaide zijn presidentschap om de Great Society, een serie progressieve en broodnodige sociale wetten. Elk besluit dat Johnson nam over de son-of-a-bitch-war in Vietnam was met een schuin oog naar de hardliners in het Congres, die hij nodig had voor zijn binnenlandse agenda. Dit lijkt verontrustend veel op de huidige situatie, waar Obama’s binnenlandse agenda – met name de health care – veilig langs de klippen van Kaboel en Teheran moet worden geloodst.
Dit probleem wordt verergerd doordat in de VS de geloofwaardigheid van een president in hoge mate wordt bepaald door de indruk die hij maakt als commander in chief. Zo werd de Vietnamoorlog vier jaar onnodig gerekt om de geloofwaardigheid van Richard Nixon te dienen. Maar belangrijker: om die reden namen opeenvolgende presidenten maatregelen in Vietnam die werden gepresenteerd als robuuste keuzes voor de Vrijheid van de Wereld, maar die in werkelijkheid een politiek compromis waren tussen haviken en duiven en dus vaak vlees noch vis. Kennedy, Johnson, Nixon – alledrie wilden zij de Vietnamoorlog snel winnen met een beperkte en korte Amerikaanse inzet, zonder dat ze zich tijdig afvroegen of die voorwaarden niet met elkaar in strijd waren. Dit was het angstbeeld dat vorige week bij de toespraak van Obama opdoemde: een president die wat afknibbelt van de verzoeken die hij uit het leger kreeg, maar genoeg overhoudt om de hardliners tevreden te houden. Vlees noch vis: een strategie die de oorlog een klein beetje opvoert voor een korte tijd in de hoop dat die dan gewonnen is, omdat de binnenlandse politiek niet toestaat dat het op een nederlaag lijkt. Een strategie die in Vietnam faalde.
Het is nuttiger als Amerikaanse commentatoren zich over deze strategische en binnenlands-politieke parallellen zouden buigen dan over de overeenkomsten tussen de vechtstijl van de Vietcong en de Taliban, of over het feit dat zij net een Europese grootmacht hadden verslagen toen de VS zelfverzekerd ten tonele verschenen. Aan deze problemen valt uiteindelijk wat te doen; aan een historische analogie die onherroepelijk hetzelfde patroon volgt natuurlijk niet.

WAT DE ANALOGIE betreft kan het overigens ook geen kwaad om de grote verschillen tussen Afghanistan en Vietnam te noemen. Zo voerden de VS in Vietnam niet alleen oorlog tegen een guerrillaleger, maar ook tegen een land waar jaarlijks tweehonderdduizend jongens de militaire leeftijd bereikten en dat gul werd gesteund door twee grootmachten. Het nationalisme en de ideologie van de Vietcong hadden veel wijdere aantrekkingskracht dan de tribale loyaliteiten en het fundamentalisme waar de Taliban op leunen. En op de ‘onwinbaarheid’ van de Vietnamoorlog valt af te dingen: de militaire kaarten lagen na het mislukte Tet-offensief in 1968 veel beter voor de VS en de nieuwe strategie waar generaal Westmorelands vervanger op inzette wierp meteen vruchten af. Wat dit laatste betreft lijkt de strategie van Obama’s generaal McChrystal zo uit de latere jaren van de Vietnamoorlog geplukt. Hij wil zich concentreren op het beschermen van bevolkingscentra en daarmee de belangrijkste factor in het voordeel van de Taliban wegnemen: het gebrek aan veiligheid, waardoor burgers zich maar aan het gezag van de guerrilla’s overgeven om het vege lijf te redden.
De vergelijking met Vietnam moet dus niet worden gebruikt als noodlotsoordeel, maar als analogie waaruit lessen te trekken zijn. In dat opzicht is niets zo omineus als de afloop van de oorlog in Vietnam. Overtuigd dat hij de oorlog kon winnen, hief Nixon het taboe op bombardementen en aanvallen in Cambodja op. De daar gestationeerde Noord-Vietnamezen trokken dieper Cambodja in en veroorzaakten daar de machtsgreep door de Rode Khmer, die uitmondde in de grootste genocide sinds de Tweede Wereldoorlog. Met weinig verbeelding kan dat scenario op Afghanistan worden geplakt, als bevestiging van het motto van Obama’s vice-president Joe Biden: ‘The real problem is Pakistan.’

foto: Larry Towell/Magnum/HH