De wederopstanding van de Taliban

De Taliban zijn terug

De Taliban hebben zich in zes jaar tijd omgevormd van een achterlijke dorpsbeweging tot een modern guerrillaleger dat de bevolking inpalmt. Zijn ze nog te verslaan?

‘Ze bleven maar komen. Als kakkerlakken die onder stenen vandaan kropen’, vertelde Larry, commandant van een compagnie parachutisten van de Luchtmobiele Brigade. Hij en zijn mannen waren net terug uit Chora, eind juni, en hadden dagenlang strijd geleverd tegen een overmacht aan Taliban-strijders. Die konden met hun lichte wapens niet veel uitrichten tegen de Nederlanders, die ondersteund werden door gevechtsvliegtuigen en -helikopters. Maar hun fanatisme joeg de bevolking en de lokale politie de stuipen op het lijf. Ook de Nederlanders ging het niet in de koude kleren zitten.

Twee maanden later kozen de Taliban voor een geheel andere aanpak rond Deh Rawod. ‘Ze hebben het heel slim gedaan’, zegt overste Jelte Groen, commandant van de battlegroup van Taskforce Uruzgan. ‘Al een jaar lang waren ze in het gebied actief. Hun commandant kwam af en toe op de bazaar. Heel vriendelijk hebben ze de bevolking ingepalmd. Met mooie beloftes en geschenken.’ Begin september kwam uiteindelijk de aanval. Vrijwel alle politieposten werden opgerold. De inktvlek waarbinnen Isaf veiligheid tracht te bieden, is er gekrompen tot enkele kilometers rond de Nederlandse basis.

Intimidatie en infiltratie, het zijn twee tactieken van de moderne Taliban-strijders, door onderzoekers ook wel Neo-Taliban genoemd. Hun salafistische doel – de strikte navolging van de profeet en zijn tijdgenoten – is niet veranderd. De islamitische wet dient nog altijd lijfelijk te worden beleefd. Maar sommige van hun beruchte verboden, zoals die op muziek en televisie, worden nu minder rigide toegepast. Zo maken de Neo-Taliban voor propagandadoeleinden gebruik van internetsites en soms filmen ze hun eigen acties. Die worden vervolgens op dvd’s en cd-roms gezet en verkocht of gratis verspreid.

Hetzelfde gebeurt met muziek. ‘Een mannenstem die onbegeleid zingt over de Taliban, dat mag’, vertelt de Britse journalist David Loyn in zijn reportage voor bbc’s Newsnight. Vorig jaar oktober reisde hij mee met een Taliban-eenheid in de zuidelijke provincie Helmand, waar Britse Isaf-troepen zijn gestationeerd. Ook dat is nieuw. De Taliban hebben nu woordvoerders die bereikbaar zijn per sateliettelefoon. En ze hebben nachtkijkers, geavanceerd materiaal waar ze in 2001, toen de Amerikanen hen aanvielen, waarschijnlijk nog nooit van hadden gehoord. In de documentaire van Loyn is een strijder druk doende een nachtkijker aan zijn tulband te bevestigen.

Toen hun regime in 2002 instortte, leek het gedaan met de Taliban. Amerikaanse bombardementen en overlopende commandanten holden de beweging uit. Taliban-leider Moellah Omar en andere topcommandanten vluchtten. Nu is de beweging terug. Moellah Omar is nog steeds Amir ul Momineen, ‘Commandant van de Gelovigen’. Hij geeft nu leiding vanuit Pakistan, waarschijnlijk vanuit de stad Quetta, niet ver van Kandahar, de Zuid-Afghaanse stad die eerder de hoofdstad van de Taliban was.

Nadat de Taliban-leiders die de strijd hadden overleefd, zich hadden herwonnen en het hun duidelijk was geworden dat de Amerikanen hen niet zouden betrekken bij een vredesregeling in een democratisch Afghanistan, besloten ze hun terugkeer voor te bereiden, gewapenderhand. Dat leek onmogelijk, want wie zou hen nog steunen nu zo’n beetje de hele wereld geld en soldaten in het arme, zo lang verwaarloosde Afghanistan leek te willen pompen?

Maar sinds de eerste kleine gewapende acties in 2003 is de Taliban-opstand elk jaar in kracht toegenomen. In het voorjaar van 2006 waren de Taliban zo sterk dat ze de Britten in Helmand massaal en openlijk aanvielen. Ook in de omgeving van Kandahar kwam het tot zware gevechten tussen Canadese troepen en ingegraven Taliban-strijders. De Taliban konden niet op tegen de Navo-bommen en leden zware verliezen. Maar afgelopen zomer waren ze weer helemaal terug. Niet alleen in Helmand, Kandahar en Uruzgan. Ook in het oosten, westen en het noorden van Afghanistan vonden aanslagen plaats en werden hinderlagen gelegd. Evenals in de districten rond Kabul. ‘Volgend jaar trekken we de hoofdstad binnen’, hebben Taliban-commandanten al verkondigd.

Dat lijkt grootspraak, maar onderzoekers nemen de Neo-Taliban zeer serieus en vragen zich af of de strijd door de Navo nog wel te winnen is. De Navo beroept zich op onderzoeken die aantonen dat het merendeel van de bevolking de Taliban niet steunt. Maar het gaat niet meer om steun, het gaat om de militaire capaciteit van de Taliban en de kracht van hun intimidatie en propaganda.

Een westerse onderzoekster die woont en werkt in Zuid-Afghanistan en graag anoniem wil blijven, geeft aan dat het ‘eng’ begint te worden. ‘Ik ga om met politiecommandanten en militieleiders. Ik merk dat sommigen, die vorig jaar nog bereid waren tegen de Taliban te vechten, nu deals met hen sluiten. “Weet je het nog niet? Ze zijn terug”, zei een van hen laatst tegen me, met een stalen gezicht. Die zal ook wel door hen benaderd zijn.’

De Neo-Taliban zijn veel gevaarlijker dan de oude Taliban, die in 2002 verdreven werden, vertelt ze. ‘Die waren niet geïnteresseerd in de wereld. Ook niet in Osama bin Laden, die door zijn aanslagen van 11 september hun ondergang werd. De beweging van nu staat juist midden in de wereld. Zij heeft hetzelfde jihadistische doel als al-Qaeda: alle moslims moeten in opstand komen om de VS te verslaan. De strijd van de Taliban nu wordt grotendeels gevoed door haat tegen het Westen, terwijl de oude Taliban vooral bekrompen dorpsmoellahs waren.’

De afgelopen jaren hebben de Neo-Taliban zich voorbereid op een jihad guerrillastijl, die veel weg heeft van de strijd tegen de Russen. Daarbij is steun van de bevolking onontbeerlijk. Er zijn brieven teruggevonden van Al-Zawahiri, Bin Ladens rechterhand, waarin hij de Taliban-leiding uitlegt dat ze het verkeerd aanpakken, vertelt de onderzoekster. ‘Jullie zijn te wreed’, schrijft hij. ‘De nieuwe Taliban zijn minder streng. In de dorpen die zij controleren, hoeven de mannen niet meteen hun baard te laten staan en mogen meisjes gewoon naar school. Als zij maar gescheiden zijn van de jongens en het curriculum geen westerse invloeden bevat.’

De onafhankelijke denktank Senlis Council deed veldonderzoek in Zuid- en Oost-Afghanistan en vormde zich een beeld van de Taliban. ‘We hebben met honderden mensen gesproken’, vertelt onderzoeker Jorrit Kamminga. De organisatie analyseerde veiligheidsrapportages en bekeek het aantal Taliban-aanvallen per gebied. Daaruit concludeerde ze dat in 54 procent van Afghanistan de Taliban een permanente aanwezigheid hebben. ‘Het gaat niet goed’, aldus Kamminga. ‘Vorig jaar zei de Navo dat er in totaal tweeduizend Taliban-strijders actief waren. Dat was een veel te laag aantal. Als je alle strijders die dat jaar volgens de Navo werden gedood bij elkaar optelt, zou nu de hele beweging uitgemoord zijn. Wij schatten het aantal strijders nu op tienduizend.’

Volgens de Senlis Council bestaat de huidige Taliban-beweging uit twee groepen. De harde kern wordt gevormd door strijders die zijn ‘getraind en geïndoctrineerd’ in Pakistan. Deze radicale islamisten staan direct of indirect in verbinding met de leiders van de ‘oude’ Taliban. Met hen delen ze een strikte interpretatie van de islamitische wet en een afkeer van krijgsheren en de door het Westen gesteunde regering van Hamid Karzai. Veel van de hardcore strijders sneuvelen, maar vanuit Pakistan worden hun rangen moeiteloos aangevuld. Jorrit Kamminga schat hun aantal op tweeduizend. De overige achtduizend zouden dan bestaan uit lokale strijders. Die hebben vooral opportunistische, economische redenen om mee te strijden met de Taliban. ‘Zij worden gedreven door de hoop beter af te zijn met een Taliban-regime. Vaak is het de armoede die hen in hun armen drijft’, aldus Kamminga.

Volgens Kamminga is alles nog niet verloren. ‘Er zijn grote groepen Afghanen die nog kunnen worden overgehaald om de kant van de regering te kiezen. De Nederlanders wilden de Taliban toch irrelevant maken? Nou, zet dan alles op alles om die mensen aan onze kant te krijgen.’ Dat zou volgens Senlis Council het beste kunnen met directe hulp. Goed zichtbare, nuttige projecten, uitgevoerd door Afghanen, betaald door Nederand en de Afghaanse regering. ‘Je moet de mensen aan het werk helpen. De meeste mannen van tussen de achttien en de dertig jaar zijn werkloos. Zij zijn gevoelig voor de Taliban. Wij horen dat ze tussen de twee- en zeshonderd dollar per maand kunnen verdienen als ze meevechten.’

Dat verhaal wordt door Antonio Giustozzi naar het land der fabelen verwezen. ‘Het is propaganda van de Navo en de Afghaanse regering’, schrijft hij in zijn zojuist verschenen boek Koran, Kalasjnikov and Laptop: The Neo-Taliban Insurgency in Afghanistan. Giustozzi is onderzoeker aan het Crisis States Research Centre van de London School of Economics_._ Ook het verhaal dat de Taliban een stammenbeweging zouden zijn die vooral bestaat uit Ghilzai-stammen, die veel macht hebben in het zuiden, is onzin, zo toont hij aan. De leiding van de Taliban bestaat hoofdzakelijk uit Durrani, de voornaamste tegenstanders van de Ghilzai. ‘Iedereen die de ideologie en het leiderschap van de Neo-Taliban accepteert, is welkom binnen de beweging’, schrijft Giustozzi. Gebondenheid aan stammen zou de opstand van de Taliban schaden. Zij hebben er juist belang bij vrij te kunnen bewegen.

De wijze van opereren door de Neo-Taliban heeft veel weg van Mao’s uitleg van de verschillende fasen van een guerrillastrijd. Zo staken zij veel tijd in de voorbereidende fase, waarbij de guerrilla zich onder de bevolking begeeft en met haar leeft en werkt, zonder veel te vechten. De Neo-Taiban hebben gedragsregels uitgevaardigd om de bevolking te sparen en de beweging een moreel overwicht te geven. Zo mogen geen huiszoekingen plaatsvinden zonder toestemming van de commandant en mogen strijders die uit een groep zijn gegooid wegens wangedrag, door andere groepen niet meer worden opgenomen. Pas in 2006, toen de Taliban zich goed geworteld hadden in de dorpen, werd de strijd opgevoerd. De bedoeling is dat die culmineert in een nationale opstand.

De nieuwe Taliban opereerden aanvankelijk vanuit Pakistan, maar hebben nu ook weer bases in Afghanistan zelf. Uruzgan is een van de kerngebieden. Enkele belangrijke leiders, onder wie Moellah Omar, komen uit het gebied rond Deh Rawod. Vanuit Pakistan hebben de Taliban Afghanistan geïnfiltreerd met kleine groepen van tien, vijftien man. Zij vormden voorhoedes die ervoor moesten zorgen dat de beweging in de dorpen weer voet aan de grond kreeg. Zodra dat het geval was, kwamen grotere strijdgroepen het gebied in en werd elke vorm van overheidsbestuur uitgeroeid. Om een wig te drijven tussen de bevolking en de overheid, wordt iedereen die met de regering of de buitenlanders samenwerkt op gruwelijke wijze gedood. De overige dorpsbewoners worden mild behandeld, milder dan toen de Taliban het land regeerden.

Volgens Giustozzi wordt de kern van de Taliban-strijdgroepen gevormd door studenten afkomstig van de koranscholen in Pakistan. Zij vormen 25 procent van de beweging. Daaromheen bewegen zich verschillende ringen van lokale strijders. De fanatiekste zijn de lokale jihadi’s (15 tot 25 procent). Zij worden geleverd door de dorpsmoellahs in Afghanistan en zijn religieus geïnspireerd en vatbaar voor de salafistische Taliban-ideologie. De grootste groep lokale strijders (veertig tot vijftig procent) bestaat uit wat Giustozzi ‘lokale bondgenoten’ noemt. Zij kiezen de zijde van de Taliban om zo hun lokale rivalen dwars te zitten of omdat ze geen belang hebben bij te veel regeringsmacht vanuit Kabul. Slechts tien tot vijftien procent van de strijders is huurling. Zij krijgen tussen de 15 en 55 dollar per klus – doorgaans betreft dat het plegen van aanslagen op militaire bases. De Taliban weten dat ze ideologisch gezien niets aan hen hebben, maar gebruiken hen om de tegenstander continu onder druk te houden.

Wat te doen tegen de Neo-Taliban? Kunnen de Nederlanders in Uruzgan nog iets uithalen tijdens hun tot 2010 verlengde missie?

De Senlis Council pleit voor een ‘Navo-plus’-concept. Het aantal Isaf-troepen moet meer dan verdubbeld worden, naar tachtigduizend, en aangevuld met moslimtroepen. De militaire operaties moeten worden uitgebreid naar de grensstreek met Pakistan, waar de hardste Taliban-strijders worden gerecruteerd. Aangezien de meeste hulporganisaties het laten afweten vanwege de onveilige situatie, moet hulp in gevaarlijke gebieden verstrekt worden door militairen.

Kamminga wéét dat Navo-plus niet haalbaar is. ‘We komen niet eens aan de helft van die tachtigduizend, en dan moet je bedenken dat wij dat aantal baseren op gesprekken met hoge Navo-functionarissen.’ Hoe ziet hij de verlenging van de missie in Uruzgan? ‘Ik weet niet of ik er echt vertrouwen in heb’, verzucht hij. ‘Laten we het er maar op houden dat Nederland gekomen is om te helpen, desnoods op bescheiden schaal. Het zou verstandig zijn als Den Haag eerlijk is over het beperkte effect dat we kunnen bereiken.’

Antonio Giustozzi, die de opstand van de Neo-Taliban in kaart bracht, doet geen aanbevelingen. Hij concludeert dat de regering-Karzai en haar internationale bondgenoten ‘te weinig, te laat’ hebben gedaan om de opstand te stoppen. Volgens Giustozzi is het Afghaanse probleem een politiek probleem. De regering in Kabul heeft gefaald in haar taak alle groepen van de natie achter zich te krijgen. Noodzakelijke hervormingen voerde ze zo laat en zo magertjes door, dat de rebellen zich hebben genesteld op een groot deel van het platteland. De situatie in de lente, toen hij zijn boek afrondde, omschrijft hij als een ‘gelijkspel tussen de Navo en de Neo-Taliban, met een licht voordeel voor die laatsten’. Afgaande op Giustozzi’s analyse heeft Hamid Karzai nog maar één kans, en die is gelegen in het opschonen van het gecorrumpeerde bestuur in de provincies en districten en het mobiliseren van de bevolking via dorp- en stamoudsten in de gebieden die nog niet onder invloed staan van de Taliban-moellahs.

Maar is het daarvoor niet al te laat? Bitter constateert Giustozzi dat in Kabul en Bagram (het Amerikaanse hoofdkwartier) in de lente van 2007 nog steeds gepraat werd over ‘het losweken van de massa van betaalde strijders van hun geïsoleerde leiding’ in Pakistan, terwijl het hart van de beweging juist wordt gevormd door zeer fanatieke madrassastudenten. ‘Het probleem is dat de Navo is gaan geloven in haar eigen propganda’, schrijft hij.

Ook blijft de Navo maar geloven in de mogelijkheid ‘de opstand te bestrijden met ontwikkelingshulp’. Dat is zinloos, volgens Giustozzi, nu grote delen van het platteland in handen zijn van de Taliban. Toch is dat precies wat Nederland gaat doen, nu de missie verlengd wordt. Met minder eigen troepen en in een gebied waar de tegenstander steeds jonger, slimmer en sterker wordt.