Zombies moet je serieus nemen

De tanden van het beest

Horror wordt weer een mannengenre met de tv-serie The Walking Dead. Vergeleken met zombies blijken vampiers verwijfde aanstellertjes.

DE TELEVISIESERIE The Walking Dead begint met een shot van een politiewagen die vaart mindert op een provinciale weg, totdat deze helemaal tot stilstand komt, net voor een gekantelde truck. Een agent zoals je ze alleen ten zuiden van de Mason-Dixon-lijn ziet - bruin uniform en een donkere hoed met een grote gouden ster - stapt uit en langzaam maakt de camera een beweging naar achter, waardoor je meer ziet, meer omgeslagen, gebotste auto’s, alsof hij een enorme, verlaten kettingbotsing bezoekt.
De agent haalt een lege jerrycan uit zijn kofferbak en loopt tussen de auto’s door naar het tankstation. Als je goed luistert hoor je insecten zoemen, en al snel zie je de lijken in de auto’s hangen, languit in de passagiersstoel, of voorover op het stuur. Zeilen, gespannen over bagage op de kofferbakken, wapperen in de wind.
Het is opvallend hoe vertrouwd het beeld van een snelweg vol lijken is - dit is hoe de moderne Apocalyps eruitziet, als vluchten te laat is. We kennen het uit zo veel films dat je bijna vergeet dat het er ook echt zo uit kan zien: zie de foto’s van de gebombardeerde snelwegen tijdens de eerste Golfoorlog.
Bij het tankstation hangt een boordje met No gas; de agent loopt verder tussen auto’s door als hij voor het eerst een duidelijk geluid hoort. Slepende voetstappen. Hij gaat op de grond liggen, kijkt onder een motorkap door en ziet twee konijnenmeisjessloffen voorbijkomen. Het meisje staat even stil, raapt een gouden teddybeer van de grond en sloft door.
De agent gaat, voor het eerst verbaasd, achter haar aan. Als een bejaarde in nachtpon, ontsnapt uit de Alzheimer-afdeling, schuifelt het meisje verder, met haar rug naar hem toe, schijnbaar op weg naar niets specifieks. De teddybeer in haar hand. Hé meisje, roept de agent. Niet bang zijn. Ik ben van de politie.
Het meisje draait zich om. Waar haar wangen zouden moeten zitten kijk je recht haar mond in, zwart tandvlees om verrotte tanden. Wallen onder haar ogen, haar huid is grauw. Ze begint een dierlijk grommend geluid te maken en stormt op de agent af, die met een bezorgde blik, maar zonder echt te twijfelen, een pistool trekt van een formaat dat sinds Dirty Harry niet meer op tv is gezien (‘But being as this is a .44 Magnum, the most powerful handgun in the world, and would blow your head clean off, you’ve got to ask yourself one question: “Do I feel lucky?” Well, do ya, punk?’) en het meisje precies tussen haar ogen schiet.
De eerste scène van The Walking Dead, van regisseur-schrijver Frank Darabont (naar het stripboek van Robert Kirkman) lijkt een vreemde, te sensationele opening: het moet de jongensachtige kijker meteen aanspreken, maar de meer serieuze tv-kijker schrikt het wellicht af. Het is vreemd, want hoe bot de uitgangspositie ook is - de premisse: zombies hebben het land overgenomen - The Walking Dead is een opvallend serieuze serie, over serieuze onderwerpen. Het verhaal begint als deputy-sheriff Rick Grimes (gespeeld door Andrew Lincoln) ontwaakt uit een coma en ontdekt dat het ziekenhuis vol lijken ligt. Eenmaal buiten ontdekt hij stapels lijken op de binnenplaats en langs de wegen. Op weg naar zijn huis ziet hij de eerste zombies kruipen, en van de man en diens zoontje die zich blijken schuil te houden in zijn verlaten huis hoort hij het verhaal van de zombies en het virus, dat meer dan honderd dagen daarvoor wereldwijd toesloeg. Als je gebeten wordt krijg je koorts, sterf je en word je weer wakker, nu als ondode. Verderop in het verhaal gaat Rick op zoek naar andere overlevenden, waaronder zijn vrouw Lori en zijn zoontje, die, zo weet de kijker inmiddels, zich in een groep vluchtelingen ophouden buiten Atlanta, Georgia, waar Lori inmiddels een affaire heeft met Shane, de voormalige partner van Rick.
Overal waar ze komen vinden ze lichamen van mensen die zelfmoord hebben gepleegd; wat de groep overlevenden van hen onderscheidt, is precies dat: de keuze om door te gaan. Bij vlagen is de serie een karakterstudie in continuïteit. Hoe blijven we menselijk? Dwingen we onze kinderen huiswerk te maken? Blijven we stemmen over beslissingen? De eeuwig terugkerende variant van Lord of the Flies tot, meer recent, Lost. Rick blijft zijn uniform aantrekken, zijn hoed op doen. De metafoor wordt nog duidelijker als hij aan het einde van de eerste aflevering zonder benzine zit en op een paard verder de stad in rijdt - Rick als de lone ranger.
Er zit een pervers genoegen in het zien van de postapocalyptische wereld; Darabonts Amerika is een wonderlijk mooi, rijk groen landschap onder een zachte blauwe hemel, gefilmd in brede shots, met de filmachtige kwaliteit die je de laatste jaren bent gaan verwachten in het betere tv-drama. Het is heerlijk om het land voor te stellen zonder mensen, teruggegeven aan de natuur, waar je huizen en winkels in kunt lopen en kunt pakken wat je wilt. Er zit een gevoel van vrijheid in - als je de zombies even wegdenkt.

WAT ZEGGEN onze monsters over wie we zijn? In de jaren negentig waren de monsters steevast buitenaardse wezens, te zien in bijvoorbeeld The X-Files, alsof we ons niet voor konden stellen dat het grootste gevaar van deze wereld zelf kwam. Na 9/11 waren de slechteriken steevast óf fundamentalistische terroristen, óf een samenzwerende overheid, maar de laatste jaren zijn we weer terug bij het bovennatuurlijke. In die categorie hebben zombies het niet makkelijk. Verschenen er de afgelopen tien jaar nog een aantal succesvolle films, variërend van de horror van 28 Days Later tot de pastiche van Shaun of the Dead, inmiddels zijn ze aan alle kanten ingehaald door vampiers, die hard op weg zijn naar de titel van Monster van Deze Tijd.
Het grootste succes zijn de Twilight-boeken van Stephenie Meyer, waarvan de eerste vier delen met waanzinnig succes zijn verfilmd, in totaal goed voor twee miljard dollar aan bioscoopomzet. Meyer is mormoon, ze drinkt en rookt niet, en hoe ze precies over seks voor het huwelijk denkt weet ik niet, maar afgaande op de films lijkt het alsof ze gelooft dat je het zo lang moet uitstellen als menselijk mogelijk is.
De films zijn gekmakend irritant: er gebeurt niets. Ja, er zijn weerwolven, maar veel meer dan blaffen doen die niet, en er komen een paar keer kwaadaardige vampiers langs, goed voor drie minuten aan vechtscènes, zodat er nog vijfhonderd minuten overblijven voor de simpele high school-romantiek van altomeisje Bella en vampier Edward, bestaande uit eindeloos veel diepe, zwoele blikken over en weer en oeverloos gepraat over Mijn Gevoelens, in de categorie: onze liefde maakt geen kans! Maar ik kan niet zonder je! Hoewel Edward meer dan een eeuw oud is, lijkt hij net zo bang voor seks als Bella, sterker nog: als Bella hem zo ongeveer smeekt met haar naar bed te gaan, staat hij erop dat ze eerst trouwen. Er is een woord voor zo'n soort man.
Nog eigenaardiger was de maagdelijkheidsvariant in het immens populaire Buffy the Vampire Slayer, 1997-2003, waarin cheerleader schuine streep vampierdoder Buffy haar bloem laat plukken door de goede vampier Angel, die even vergeten was dat er een zigeunervloek op hem rustte waardoor hij na het bereiken van 'perfect happiness’ (met andere woorden seks met Buffy) zijn ziel zou verliezen. Dus werd Angel evil, begon hij Buffy en haar vrienden te treiteren en waar mogelijk te vermoorden. En alsof dat niet erg genoeg was, begon hij ook nog eens te roken. Dit was natuurlijk een van de grote allegorieën van de serie, waarin herkenbare emotionele trauma’s zijn verbeeld in de vorm van monsters en betoveringen: lief meisje gaat met aardige jongen naar bed, aardige jongen wordt de volgende ochtend wakker, helemaal vaag en afstandelijk en gemeen.
Wat Twilight en Buffy en verschillende andere series vooral suggereren, is dat de beste manier om een vampier te verslaan is dat je ervoor zorgt dat hij verliefd op je wordt en zo zijn drang om je te bijten weerstaat. Zie hier de oeroude, oernaïeve vrouwenfantasie: een man die zo veel van je houdt dat hij zijn diepste, primaire verlangens onderdrukt.
Dat vampiers altijd een erotische subtekst hebben is een open deur, zeker sinds Bram Stoker zijn Dracula (1897) presenteerde als gesoigneerde aristocraat die om de maagdelijke Mina Harker heen walst. In Dracula is seks een gecompliceerd onderwerp, er zijn talloze studies over geschreven - denk eens aan Jonathan Harker: in eerste instantie probeert de graaf toch zeker hém te verleiden? - maar uiteindelijk draait het om de angst en de lust van de Victoriaanse Mina, die niet durft, maar zich eigenlijk maar wat graag aan de tanden van het beest uit wil uitleveren.
De meest eerlijke serie in het genre is True Blood, die nu bij HBO loopt, waarin vampiers 'uit de kist’ zijn gekomen en door middel van een synthetisch nepbloeddrankje open en bloot in de maatschappij kunnen functioneren - zolang de zon onder is. Het zorgt voor een nieuw soort segregatie, want hoewel veel vampiers proberen in te burgeren, wil zo ongeveer heel christelijk Amerika ze niet hebben. 'God hates fangs’ schreeuwt een billboard langs de weg. En natuurlijk zijn de vampiers ook niet te vertrouwen; het nepbloed is als malt bier, ze willen de real thing en blijkbaar willen duizenden vrouwen, 'fang bangers’, dat maar al te gewillig bieden. In True Blood is gebeten worden door een vampier zo ongeveer een orgasme maal duizend - de v-spot?
True Blood, gebaseerd op The Southern Vampire Mysteries-boeken van Charlaine Harris, steekt niet onder stoelen of banken dat seks de hele inzet van de serie is. Elke aflevering ziet eruit als een Dolce & Gabbana-reclame: beeldschone meisjes en afgetrainde jongens die in spijkerbroeken en tanktops door de natuur huppelen, prachtig en speels camerawerk, gefilmd in een gehucht in Louisiana. De cast speelt heerlijk vet. De hoofdrol is weggelegd voor Oscar-winnares Anna Paquin als serveerster schuine streep gedachtelezer Sookie Stackhouse, die hals over kop verliefd wordt op de 173 jaar oude Bill Compton (Stephen Moyer), die in elk woord een aantal extra h’s weet te stoppen, alsof hij zich continu in midcoïtale toestand bevindt. 'Shhookhhie, come hhhhere.’

VERGELIJK DIT alles eens met zombies. Zombies doen niet aan seks. Zombies praten niet. Als je een auto hebt, ben je tien keer sneller dan een zombie. Een kogel, of wat dat betreft een pijl, een hakbijl, een honkbalknuppel of een bowling ball tegen de kop van een zombie is genoeg om hem van ondood in permanent dood te veranderen.
Je ziet dit terug in bijna elke aflevering van The Walking Dead: indien nodig gaan de mannen met hun bijlen en geweren als volleerde Rambo’s door hordes zombies heen. Waar vampiers de vrouwelijke seksualiteit doen ontwaken, daar doen zombies de mannelijke zucht naar machogeweld opleven.
Vampiers komen van Venus, zombies van Mars.
Het commentaar van verschillende recensenten op The Walking Dead was dat de serie opvallend orthodox is. En inderdaad, dat is zij ook. Het is nergens tongue in cheeck, zelfbewust of overdreven ironisch. Er zijn geen koddige situaties met de hersendode zombies, geen te slimme verwijzingen naar andere iconen uit het horrorgenre, waar zo veel andere horrorfilms aan lijden.
Heel geestig was de boekenserie die in 2009 begon met Seth Grahame-Smiths bewerking van Jane Austens klassieker naar Pride and Prejudice and Zombies, waarin Austens beroemde openingszin ('It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of a good fortune, must be in want of a wife’) werd bewerkt tot 'It is a truth universally acknowledged that a zombie in possession of brains must be in want of more brains.’ Et cetera.
De serie, die later delen bevatte als Sense and Sensibility and Seamonsters, was geestig, maar uiteindelijk, als literatuur, irrelevant. (Al geef ik toe dat ik heb overwogen een aantal Nederlandse klassiekers aan dezelfde methode te onderwerpen. Gerard Reve’s De avonden wordt De avonden met ondoden: ’“Het is gezien”, mompelde hij, “het is niet onopgemerkt gebleven.” Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap. Hij zag niet de gele tanden in de nacht en de lijkbleke hand die zijn slaapkamerraam probeerde open te maken.’)
Ondanks het inherent sensationele karakter van The Walking Dead is de serie niet irrelevant. Juist door de zombies serieus te nemen krijgt de serie een bepaald soort gewicht: horror wordt weer een mannengenre. Monsters worden weer monsters en mensen daardoor nog menselijker. En vampiers blijken in verhouding verwijfde aanstellertjes.


Volgende week verschijnt het eerste seizoen van The Walking Dead op blu-ray-dvd. Twee discs, zes afleveringen van een uur, € 24,99