Het leger blijft de baas in Birma

De Tatmadaw is een vader en een moeder

Het wantrouwen jegens minderheden dat het Birmese leger jarenlang in de samenleving injecteerde, lijkt zijn vruchten af te werpen. Terwijl de wereld ontzet toekijkt hoe de Rohingya’s worden verdreven, prijst het volk de ooit zo gehate troepen.

Medium gettyimages 467761246
Legerleider Min Aung Hlaing salueert tijdens Armed Forces Day in Naypyitaw, Birma © The Asahi Shimbun via Getty Images

Hun relatie is uiterst gespannen, maar toch is legerleider Min Aung Hlaing blij met Aung San Suu Kyi. De Nobelprijswinnares en vroegere darling van het Westen ligt als Adviseur van Staat internationaal onder vuur vanwege de nietsontziende verdrijving van de Rohingya-bevolking door veiligheidstroepen en milities. De senior general, in wiens opdracht deze operatie wordt uitgevoerd, blijft te midden van alle kritiek op Suu Kyi grotendeels buiten beeld.

Wie door Centraal Birma/Myanmar reist zal niet veel van de Tatmadaw, het leger, merken. De militairen verblijven achter de muren van hun bases. De oorlog met de minderheden wordt in afgelegen gebieden uitgevochten waar weinig buitenlandse pottenkijkers zijn. De eindeloze sessies van mannen in uniform die decennialang de staatstelevisie domineerden, zijn grotendeels verdwenen, net als de meeste rode billboards die overal boodschappen verspreidden als ‘Alleen de Tatmadaw is een vader, alleen de Tatmadaw is een moeder’, ‘De Tatmadaw en het volk zijn één’ en ‘De Tatmadaw zal de Unie nooit verraden’. Die indruk van afwezigheid is bedrieglijk. Dankzij een lange geschiedenis van overheersing is het militaire instituut nog altijd diep verankerd in alle aspecten van de samenleving.

Het was 1940 toen Aung San, de vader van Aung San Suu Kyi, in het geheim de boot naar China nam om voor zijn onafhankelijkheidsstrijd tegen de Britse overheersers steun te zoeken bij de communistische partij. Maar hij belandde in Amoy, dat al bezet was door de Japanners. Zij zagen onmiddellijk de bruikbaarheid van de charismatische 25-jarige Aung San en zijn 29 kompanen. Na een periode van training door Japanse commandanten werd in 1941 in Bangkok The Burma Independence Army (bia) opgericht. De jonge leiders dronken water met druppels van elkaars bloed en zwoeren eeuwige trouw aan elkaar en aan de bevrijding van hun vaderland. Duizenden jonge Birmese nationalisten sloten zich aan.

Toen bleek dat het land van de Rijzende Zon de onafhankelijkheid niet dichterbij bracht, koos de bia tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog de zijde van de geallieerden. Dat werd de route naar een zelfstandige staat waarvan de vlag op 4 januari 1948 omhoog ging. Nog altijd hebben de Dertig Kameraden in Centraal-Birma een legendarische status. Vooral Bogyoke (Grote Generaal) Aung San, die aan de vooravond van de onafhankelijkheid door een politieke rivaal werd vermoord, staat als martelaar bij de Birmanen (de grootste etnische groep, waaruit hij afkomstig was) op een onwankelbaar voetstuk. Maar het leger dat hij oprichtte ging al snel een omstreden reputatie tegemoet.

De kwestie van de status van de etnische minderheden was in de onderhandelingen met de Britten onopgelost gebleven, en dat wreekte zich onmiddellijk. De Karen in Oost-Birma namen als eerste, al net voor de onafhankelijkheid, de wapens op; veel andere groepen volgden. Na turbulente jaren waarbij grote delen van het land in handen van opstandelingen waren, zegde de regering toe dat over meer autonomie te praten viel. Bij de militairen ging het alarm af. Zij waren ervan overtuigd dat het land door die belofte uiteen zou vallen. In 1962 greep het leger definitief in. Het begon aan een opmars als hoeder van de natie.

Studenten in Rangoon (Yangon) ondervonden aan den lijve wat het betekende daartegen in verzet te komen. Vermoedelijk werden enkele honderden jongeren tijdens protesten tegen de coup doodgeschoten en een dag later blies het leger het historische gebouw van de studentenbond op.

Maar het was vooral in de gebieden van de minderheden dat het leger zich decennialang van zijn wreedste kant zou laten zien. Pya Lei Pya, The Four Cuts, heette de counterinsurgency die de rebellen moest afsnijden van bevolking, voedsel, middelen en informatie. Wat dat in de praktijk betekende maakte ik van dichtbij mee sinds ik in het begin van de jaren negentig regelmatig bij rebellengroepen in de jungle begon te verblijven. Door de talloze interviews met vervolgde burgers leken mijn notitieboekjes op verslagen van Amnesty. Velen waren zo vaak gevlucht dat ze de tel kwijt raakten. Vrouwen vertelden schichtig en met veel schaamte over verkrachtingen. Anderen kwamen met verhalen over dwangarbeid, martelingen en gedwongen verhuizingen naar door het regime gecontroleerd gebied. Dagelijks dreven er lijken in de rivier. Het waren menselijke dragers die het leger als lastdieren gebruikte om wapens en voedsel de bergen in te dragen. Ook de gewapende minderheden hadden mensenrechtenschendingen op hun geweten, maar die stonden in geen verhouding tot wat de Tatmadaw aanrichtte.

Het bewind voerde een beleid van verdeel en heers. Er ontstond een besmettelijk klimaat van onderling wantrouwen en paranoia die voortdurend aangewakkerd werden. In de zwaar gecontroleerde staat bestond bijna geen uitwisseling tussen de oorlogszones en de rest van het land. De meeste burgers die in Centraal-Birma in het door het militaire regime gecontroleerde gebied woonden, waren slecht op de hoogte van wat zich in de gebieden van de minderheden afspeelde. Tot de dag van vandaag is het voor de Birmaanse meerderheid moeilijk te begrijpen hoe diep de grieven van deze bevolkingsgroepen gaan.

Dagelijks dreven er lijken in de rivier. Het waren menselijke dragers die het leger als lastdieren gebruikte

En al was het geen oorlog in Centraal-Birma, ook daar kreeg men te maken met zware onderdrukking. Dat het leger evengoed bereid was het vuur op eigen ongewapende burgers te openen, werd vooral duidelijk tijdens de massale opstand in 1988. Het protest dat miljoenen de straat op deed gaan vanwege de armoede, onderdrukking en het wanbeleid kostte duizenden levens. De gevangenissen zaten overvol. Het leger verkondigde dat het chaos en een door communisten aangestuurde opstand had voorkomen.

De hoeder van de natie verstevigde zijn rol in de samenleving met nog meer fanatisme. Veel westerse landen bevroren na het bloedbad de betrekkingen, maar met inkomsten uit de verkoop van natuurlijke hulpbronnen en belastingen over witgewassen drugsgelden werd flink geïnvesteerd. Er kwamen modernere wapens uit China en Rusland en het troepenaantal werd uitgebreid van 250.000 naar ongeveer 400.000. Officieren en andere hogere militairen kregen speciale opleidingen en aparte ziekenhuizen. Op de legeracademies werden niet alleen officieren opgeleid, maar ook ambtenaren voor het civiele bestuur. Via enorme conglomeraten strekte de Tatmadaw ook zijn tentakels uit in de economie.

Het land werd neergezet als een lappendeken van maar liefst 135 nationale rassen. Dat klonk antropologisch gezien interessant, maar in werkelijkheid was het de zoveelste variant van verdeel en heers door een Birmaans gezag. In het leger maakten minderheden en niet-boeddhisten steeds minder kans op promotie. De boodschap over de identiteit van het land was steeds dezelfde: die lag verankerd in een boeddhistische Birmaanse staat waarbij andere groepen tweederangs burgers waren.

Het militaire regime creëerde een vruchtbare voedingsbodem voor angst en vijandigheid jegens andere groepen in de samenleving. Vooral moslims moesten het ontgelden. Consequent luidde ook de boodschap dat de Rohingya’s, die voor het merendeel stateloos zijn, indringers uit Bangladesh zijn. Als politieke spanningen of protesten tegen het regime opspeelden, werd er door de autoriteiten vaak geweld tegen moslims geënsceneerd om de aandacht af te leiden van de werkelijke problemen.

Het bloedbad van 1988 was ook voor burgers die het leger tot dan toe het voordeel van de twijfel hadden gegund een keerpunt. The People’s Army van Bogyoke Aung San bleek een instituut geworden dat niet alleen opstandige rebellen, maar ook zijn eigen inwoners als vijanden beschouwde.

Mede daarom raakte Aung San Suu Kyi een enorme snaar toen ze in 1988 tijdens haar eerste grote toespraak aan de voet van de Shwedagon-pagode verkondigde dat het leger weer een leger moest worden zoals haar vader zich dat had voorgesteld en dat zich buiten de politiek hield, al sprak ze ook over haar affectie voor het instituut dat haar vader had opgericht. Maar toen ze de legertop verantwoordelijk stelde voor de deplorabele staat waarin het land verkeerde, werd dat de reden van haar huisarrest dat af en aan ruim vijftien jaar zou duren.

Mensen slikten hun afkeer van de Tatmadaw in. Maar binnenskamers broeide het en in de theehuizen gonsde het met regelmaat van de spottende grappen en besmuikt commentaar. Een stille daad van volksverzet maakte ik mee toen ik in het midden van de jaren negentig op 27 maart, Armed Forces Day, oog in oog stond met het leger. Onder het dreunen van marsmuziek marcheerden de militairen in lange colonnes door de straten. Hun gezichten versteend onder hun helmen, hun benen in een stramme paradepas. Op hun geweren staken glanzende bajonetten. Het was de enige dag in het jaar dat de Tatmadaw zich in de stad in vol ornaat liet zien. Maar de trottoirs bleven, op wat families van militairen na, veelzeggend leeg. Sinds de verhuizing naar de nieuwe hoofdstad Naypyitaw in 2005 is Armed Forces Day een ceremonie in het militaire hoofdkwartier waar slechts vips toegang hebben.

Interviews gaf het gesloten militaire bolwerk niet. In een poging meer van het leger te begrijpen bezocht ik regelmatig het Tatmadaw-museum in Rangoon. Het had veertig jaar geduurd voor het departement van psychologische oorlogvoering de expositie compleet genoeg vond om het museum te openen. Ik dwaalde er langs vele meters materieel. Tanks, vliegtuigen, jeeps, kanonnen, geweren – de uitstalling leek op een uitvergrote jongensdroom. ‘Our motto: To keep wheels moving and guns ring’, zei een bordje naast het wapentuig.

Het leger gebruikte de nieuwelingen vooral als kanonnenvlees wanneer het heuvels moest innemen

Er kwam ook geen einde aan de foto’s die een nobele versie van de rol van het leger in de geschiedenis toonden. De veldslagen in de jungle dienden om het uiteenvallen van de staat te voorkomen en de etnische minderheden die de wapens neerlegden werden aangeduid als ‘returned to the legal fold’. Op enorme afbeeldingen overzagen de generaals de aanleg van wegen, bruggen, dammen en nieuwe schoolgebouwen. Er stonden maquettes van rijstmolens, elektriciteitscentrales, luchthavens, golfterreinen en honderden andere moderne verworvenheden die door het leger waren aangelegd. Qua omvang valt dit oude museum inmiddels in het niet bij de nieuwe versie, die zich buiten Naypyitaw bevindt. Maar de boodschap aan bezoekers is nog altijd dezelfde: de Tatmadaw is niet alleen een professionele gevechtsmachine, maar ook het middelpunt van elke belangrijke gebeurtenis in de recente geschiedenis en de stichter van een moderne natie.

De civiele instituten raakten ernstig ondermijnd. Thant Myint-U, een Birmese academicus die opgroeide in de Verenigde Staten, constateert in zijn boek River of Lost Footsteps (2006): de afgelopen veertig jaar is het leger niet meer het belangrijkste staatsinstituut, maar praktisch het enige staatsinstituut, zelfs op lokaal niveau. ‘Ergens bleef de Tatmadaw ook een reus op lemen voeten’, schrijft hij. ‘De deserteurs en krijgsgevangenen die ik in de jungle te spreken kreeg, maakten geen deel uit van die elite. Ze durfden in handen van de vijand evenmin openlijk hun zegje te doen, maar hun verschijning vertelde ook al een verhaal. De meesten waren maar twee koppen groter dan de geweren die ze droegen en ze zagen er zwakjes uit. Ze vertelden dat ze uit arme families kwamen en weinig kans hadden op ander werk. Sommigen waren gedwongen gerekruteerd. Het leger gebruikte de nieuwelingen vooral als kanonnenvlees wanneer er heuvels ingenomen moesten worden. De militaire top die ondanks onderlinge rivaliteit uit eigenbelang bijeen bleef, vertrouwde zijn lagere regionen niet. Rotaties van commandanten moesten voorkomen dat er andere machtsbases ontstonden.’

In 2011 kwamen er, na de installatie van een regering die vooral uit ex-militairen bestond, prille hervormingen. Het was een traject dat de militaire machthebbers jarenlang hadden voorbereid als ‘een routekaart naar een bloeiende gedisciplineerde democratie in zeven stappen’.

Volgens ingewijden was het flink gaan steken dat Birma als verpauperde sloof door het leven ging, terwijl andere landen in de regio aanzienlijke groeicijfers boekten. De westerse steun, die in ruil voor politieke hervormingen werd toegezegd, was bovendien hard nodig als tegenwicht voor de uit de hand gelopen economische en culturele overheersing door China. Met dit geregisseerde proces werd voor de aftredende militairen ook een veilig en lucratief pensioen geregeld.

Het was van meet af aan de vraag hoe ver de fragiele hervormingen zouden gaan. Een ondemocratische grondwet, die in 2008 door een referendum onder dwang aangenomen werd, garandeert het leger 25 procent van de zetels in het parlement en de totale controle over de belangrijkste ministeries: Defensie, Binnenlandse Zaken en Grensbewaking. Onder Binnenlandse Zaken valt ook het vrij onbekende maar invloedrijke General Administration Department, een instituut dat zeggenschap over het ambtenarenapparaat heeft.

Met de nieuwe semi-civiele regering trad ook senior general Min Aung Hlaing aan. Een ambitieuze, met zijn 61 jaar relatief jonge militair, die aan de prestigieuze Defence Services Academy was opgeleid. Hij leidde harde operaties tegen minderheden en toonde zich ook een havik bij protesten van burgers in de steden. Hij liet meteen weten dat hij een professioneel modern leger wilde opbouwen. Het is evenmin een staatsgeheim dat hij voor de verkiezingen van 2020 politieke ambities heeft. Terwijl veel van de vorige militaire machthebbers zich omringden met vage adviseurs en astrologen laat hij op Facebook zien een man van de wereld te zijn.

Nadat Aung San Suu Kyi in 2015 de verkiezingen had gewonnen, en een jaar later voor het eerst in ruim vijftig jaar een democratisch gekozen regering in het zadel belandde, werd het leger van een westerse paria een instituut dat steun verdient. In 2016 sprak Min Aung Hlaing in Brussel militaire leiders toe en ook in Duitsland en Oostenrijk werd hij in datzelfde jaar vanwege mogelijke wapendeals met alle egards behandeld. Maar in een interview met de bbc in 2015 gaf hij geen teken dat hij het nodig vond de macht van het leger in de politiek in te dammen. Dat zou pas kunnen als er vrede in het land is. Heel wat Birmezen menen dat de opnieuw opgelaaide conflicten de Tatmadaw in die zin best goed uitkomen.

Wie goed luistert hoort wel vaker omineuze boodschappen in zijn optredens. In het ‘standaard leger’ dat hij propageert zouden gewapende etnische groepen welkom zijn. Maar het betekent dat de minderheden zich onder het commando van Birmanen moeten stellen en dat is juist een van de grote twistpunten in het vredesproces. De gedachte van een federale staat zoals de minderheden die eisen staat voor de Tatmadaw van oudsher gelijk aan het uiteenvallen van de staat.

Min Aung Hlaing vermijdt het zich duidelijk uit te spreken over die heikele kwestie. Ondertussen ventileert hij wel ideeën die doen vermoeden dat hij net als zijn voorgangers een boeddhistische Birmaanse staat prefereert. Zo belooft hij regelmatig om het boeddhisme voor de toekomstige generaties tegen kwade invloeden te beschermen. Daarmee bevindt hij zich op één lijn met de Ma Ba Tha, een beweging van nationalistisch extremistische monniken die meent dat het boeddhisme bedreigd wordt en die door het hele land haat zaait tegen moslims.

Min Aung Hlaing verklaart dat het leger in de westerse Rakhine-staat met een counterinsurgency bezig is sinds Rohingya-militanten en burgers op 25 augustus een dertigtal politieposten en een legerbasis aanvielen. Het giftige wantrouwen dat jarenlang in de samenleving werd geïnjecteerd openbaart zich deze dagen in alle hevigheid. Overal in het land gelooft men dat het leger zich terecht verdedigt tegen islamitische terreur.

Terwijl de wereld vol ontzetting naar het humanitaire drama kijkt, sluiten zich de gelederen onder een groot deel van de Birmaanse meerderheid. Bij de gekrenkte trots over de internationale kritiek en de paniek dat een islamitische beweging een eigen staat zou willen stichten, krijgen velen zelfs weer waardering voor het leger. Precies zoals de Tatmadaw zich dat wenst in de slogan die het de burgers decennialang door de keel duwde: ‘De Tatmadaw en het volk zijn één.’ De andere minderheden, die met de regering van Aung San Suu Kyi in een steeds moeizamer wordend vredesproces verwikkeld zijn, houden hun hart vast. Ze hebben alle reden om te vrezen dat de Tatmadaw straks ook in hun gebieden hun operaties zullen intensiveren.