Menno Hurenkamp

De teflonpartij

In 1994 schreef professor Hans Daudt al heel terecht: er is minder reden dan ooit de VVD te onderschatten. De club die door de journalistiek vaak als eeuwige oppositiepartij gezien wordt, zit sinds 1959 al 31 jaar in de regering. De PvdA sinds die tijd achttien jaar. Dat is een logische uitdrukking van nog zoiets wat in de verslaggeving nog weleens vergeten wordt, namelijk dat de Nederlandse bevolking in meerderheid behoudend is en dat die behoudende kiezers hooguit wisselen tussen CDA en VVD, maar niet tussen links en rechts.

De liberalen hebben het makkelijk. Hun politieke programma bestaat vooral uit dingen niet doen, geen geld meer uitgeven, geen regels meer maken. Dat is een overzichtelijker werkje dan, zoals de linkse partijen doen, beloven dat je maatschappelijke problemen gaat oplossen. Bovendien debatteren VVD’ers onderling weinig, want dat is ongezellig. Als de mogelijkheid om met een fundamentalistische partij als de SGP te regeren moet worden opengehouden, dan is er geen liberaal te vinden die daar serieus nerveus van wordt.

Hun ideologische ongelaagdheid — of zo je wilt karakterloosheid — houdt de VVD als vanzelf in de luwte. Een kroonjuweel van de liberalen, de deregulering van de nutsvoorzieningen, heeft geleid tot bizarre mislukkingen. Je zag ze eerst ontstaan in het openbaar vervoer. Nu ontwikkelen ze zich op de energiemarkt. Iedereen vermoedde gelazer met vieze stroom, concurrentievervalsing door grote aanbieders en stijgende prijzen voor de consumenten — alleen minister van Economische Zaken Annemarie Jorritsma ontkende in alle toonaarden. Maar waar door het hele land onvermoeid een schallende lach over D66 en de gesjeesde bestuurlijke vernieuwing klinkt, blijft commentaar op het liberale stuntwerk met publieke middelen steevast uit.

Dit is het politieke teflonprincipe, waarbij geen enkele fout je aankleeft. De Nederlandse liberalen zijn zich daar vermoedelijk maar al te goed van bewust. Ze hebben een zorgeloze achterban, die helemaal niet zit te wachten op ingewikkelde plannen of zelfkritiek. Voor een crisis zoals CDA en PvdA die doormaakten toen hun ideologie onder druk raakte, zijn ze daardoor volkomen ongevoelig. Zodoende dat de VVD schouderophalend reageert op elk initiatief over vernieuwing van de democratie. Het kan best zijn dat in 2002 veel burgers nogal boos bleken over hoe de politiek functioneert, maar hun probleem is dat niet.

Zelf afficheren de liberalen zich de laatste tijd graag als kruisridders van de Verlichting, modernisten die de mens van de kerk en de staat willen bevrijden. Maar als je hun daden op een rij zet, zie je eerder een mooi pakket deals met wegenbouwers en havenbaronnen dan een door het oerwoud van regels en dominees gehakte weg der vrijheid voor de burger. En ook dat komt precies tegemoet aan de wens van de meeste Nederlanders, die er helemaal niet aan moeten denken zich als een autonoom individu in een vrije markt te moeten redden.

De VVD wist in de jaren negentig de spil positie in de politiek in te nemen en heeft die ondanks substantieel verlies weten te behouden. Dat succes stoelt op de inspiratieloosheid die zich na de korte opleving in 2002 weer van de Nederlandse politiek meester maakte. Een groter compliment kunnen de liberalen zich vermoedelijk niet wensen.