De tempelobsessie

Weinig verdwenen gebouwen stimuleren de fantasie zozeer als de tempel van Salomo. Velen droomden ervan om in de resten rond te spitten, en wie daar geen kans toe zag, knutselde graag aan een huiskamermodel. Maar we mogen blij zijn dat het nog niet tot een daadwerkelijke herbouw heeft kunnen komen.
MIJN EERSTE KENNISMAKING met de wetenschap die zich bezighoudt met de tempel van Jeruzalem was tijdens een lezing van wijlen professor Martin Mulder, hoogleraar in het Oude Testament in Leiden, en naast een beminnelijk mens ook een bekend onderzoeker van de bijbelteksten die gaan over dit onderwerp. Hij ging volgens de aankondiging proberen aan de hand van de beschrijving in het bijbelboek Koningen I de opbouw van de tempel van Salomo te reconstrueren. Die beschrijving is nogal uitgebreid, en toen we eenmaal zaten te luisteren bleek al gauw dat hij niet van plan was om enig onderdeel onbesproken te laten.

Al spoedig kon het enthousiasme van het gehoor voor nog een uitsteeksel aan de buitenkant en nog een nisje boven de zijvleugels van het gebouw geen gelijke tred meer houden met het betoog van de geleerde en begon hier en daar iemand te knikkebollen, en de zucht van verlichting toen het na een vol uur eindelijk voorbij was, werd door sommigen net niet genoeg onderdrukt. Toch stond de spreker, al beseften de meeste aanwezigen dat niet, met zijn lezing in een eerbiedwaardige traditie van onderzoekers van de tempel van Jeruzalem voor wie ook nooit een detail te veel of overbodig was geweest. Had hij zijn lezing honderd of tweehonderd jaar eerder gehouden, men zou ieder detail met gretigheid tot zich genomen hebben.
Er is door de geschiedenis heen ongehoord veel energie gestoken in het bedenken hoe al dan niet werkelijk bestaande tempels op die bekende plaats aan de oostkant van Jeruzalem eruit gezien hebben of eruit zouden kunnen zien. Eigenlijk is dat een heel opmerkelijke obsessie. Hoe belangrijk men dat historische gebouw vanuit de eigen geloofsovertuiging ook kan vinden, je komt er door het ontdekken en vertellen van zoveel mogelijk kleine onderdelen natuurlijk geen centimeter dichterbij. Er moet een soort mechanisme in de menselijke geest zitten dat ons doet denken dat we meer greep op de werkelijkheid krijgen door er een tot in de kleinste kleinigheden kloppende beschrijving van te geven.
Jaren later werd ik nog eens betrokken bij die enorme aandacht van orthodoxe gelovigen - met name onder de protestanten - voor de opbouw van de tempel van Jeruzalem, toen ik met een gezelschap van studenten in de theologie op bezoek ging in het Bijbels Museum in Amsterdam, dat veel leuker is dan de wat vroom aandoende naam doet vermoeden en waar een groot aantal modellen op schaal van de tempel staat opgesteld. Ik had mijn neefje en nichtje van 9 en 11 meegenomen. Toen we bij een model van de tempel van Herodes stonden te kijken, vroeg een van de studenten wat nou dat gebouwtje was dat zo hoog boven de tempel uitstak. Diepe stilte, tot het stemmetje van mijn neefje bijna verwijtend door de zaal klonk: de burcht Antonia natuurlijk! Hij zit dan ook op een vrijgemaakt-gereformeerde school en daar leren ze dat soort dingen gelukkig nog. Maar tot de moderne ontkerkelijking toesloeg, bestond er in brede kring belangstelling voor dit soort dingen en gingen de mensen in plaats van naar Sterrenslag kijken naar het nieuwste schaalmodel van de tempel van Salomo en bogen ze zich over afbeeldingen van de tempel van Herodes met een aandacht die tegenwoordig alleen nog maar gegeven wordt aan geillustreerde bladen.
EIGENLIJK IS DE GESCHIEDENIS van de tempel of tempels van Jeruzalem best ingewikkeld. Er is sprake van minstens drie, maar eigenlijk wel vier of meer centrale heiligdommen van het volk Israel. In het bijbelboek Exodus wordt beschreven hoe Mozes en de Israelieten een heiligdom in een tent maken, dat ze vervolgens 38 jaar door de woestijn met zich mee blijven slepen. De bekende koning David, die de stad Jeruzalem op zijn vijanden veroverde en er zijn hoofdstad van maakte, wilde in plaats van zo'n tijdelijk onderkomen een duurzame en mooie tempel voor zijn God bouwen, maar die wees dat onverbloemd af omdat David te veel bloed aan zijn handen zou hebben, een oordeel dat zelfs een oppervlakkige lezer van zijn levensverhaal in de boeken Samuel I en II zonder meer kan onderschrijven. Of zijn zoon en opvolger Salomo nu in alle opzichten zoveel beter was dan zijn vader valt te betwijfelen, maar in ieder geval bouwde hij op de berg Moria in Jeruzalem - waarvan men zei dat Abraham er vele eeuwen daarvoor zijn zoon Isaak bijna geofferd had (zie Genesis 22) - een tempel voor de god van Israel. De tempel was het zichtbare bewijs van de aanwezigheid van God zelf temidden van zijn volk en er werd gezegd dat hij werkelijk verbleef in het heiligste gedeelte van de tempel, zetelend op de engelgestalten die aangebracht waren op de kist waarin de stenen tafelen lagen die Mozes op de berg Sinai ontvangen had. De bouw ervan was in de bijbelse optiek een minstens zo belangrijke gebeurtenis als de uittocht van de Israelieten uit het land Egypte, en er wordt dan ook expliciet gezegd dat daar het ronde getal van 480 jaar tussen zat.
Volgens het verhaal bleef deze tempel bijna vierhonderd jaar staan, tot de Babyloniers onder hun gevreesde koning Nebukadnezar in 587 voor Chr. Jeruzalem en de tempel verwoestten en een groot deel van de bevolking wegvoerden naar Babylon. Vijftig jaar later kregen de ballingen toestemming om terug te keren, wat een aantal van hen inderdaad deed. In de boeken Ezra en Nehemia staat beschreven hoe ze de tempel herbouwden, met duidelijk heel bescheiden middelen. Echt mooi en groot werd deze Tweede Tempel pas door het werk van koning Herodes de Grote, bekend van het verhaal over de kindermoord in Bethlehem in het Nieuwe Testament, die hem geweldig liet uitbreiden en verfraaien.
Dit is de tempel waar Jezus rondgelopen moet hebben, waar hij volgens de evangelien als twaalfjarige iedereen al verbaasd liet staan door zijn geleerdheid, waar hij de geldwisselaars uitdreef en waarvan hij, alweer volgens de evangelisten, voorspelde dat hij verwoest zou worden (bijvoorbeeld Lucas 19:41-44). Of dat laatste verhaal nu voor of na de werkelijke gebeurtenis is geschreven doet er hier niet toe, maar in ieder geval werd aan het eind van de joodse opstand (66-70) - zo boeiend beschreven door Flavius Josephus in zijn boek De joodse oorlog - de tempel verbrand door de Romeinen onder Titus, die volgens Josephus nog geprobeerd zou hebben om het gebouw te redden, maar daar niet meer in slaagde.
Vanaf dat ogenblik kreeg het beeld van de verwoeste tempel een vaste plaats in de denkwereld van joden en christenen. Voor de eersten als het beeld voor de ongelukken die het joodse volk troffen en getroffen hadden, voor de christenen vooral als het zichtbare teken dat de joden door God verworpen waren en dat hij in plaats daarvan de christelijke kerk als zijn volk, het Nieuwe Israel, verkozen had.
DE ENIGE SERIEUZE POGING tot herbouw vond plaats in het jaar 363, tijdens de regering van keizer Julianus, door zijn christelijke vijanden consequent de Afvallige genoemd. Julianus was een bewonderaar van het heidense verleden van Rome en mede daarom sterk gekant tegen de christenen. Omdat die op dat ogenblik al veel invloed hadden in het Romeinse rijk, waren alle bondgenoten hem welkom. Dat is dan ook de reden dat hij aan de joden toestemming gaf om de tempel te gaan herbouwen. Men begon daar enthousiast aan, maar een aardbeving en de dood van Julianus op een veldtocht tegen de Perzen zorgden ervoor dat de bouw weer gauw tot stilstand kwam. Dit tot grote vreugde van de christenen, die zich bijna het meest zichtbare teken van de verwerping van het joodse volk door de neus geboord hadden gezien.
De hoop op herbouw van de tempel is binnen het jodendom nooit vervlogen, maar de praktische haalbaarheid werd lange tijd steeds geringer. Ten eerste doordat de joodse bevolking van het Heilige Land tot de opkomst van het zionisme en de stichting van de staat Israel veruit in de minderheid was, en ten tweede doordat de plaats waar die herbouw zou moeten gebeuren in beslag genomen werd door islamitische gebouwen. Vanaf de zevende eeuw hebben namelijk de toenmalige islamitische heersers van Jeruzalem het terrein geegaliseerd en er een schitterend plein met twee moskeeen neergezet (de Rotskoepel en de moskee van Omar), dat het meest opvallende uiterlijke kenmerk van Jeruzalem geworden is. Gelukkig hebben ook de kruisvaarders zich ertoe beperkt de gebouwen als kerk te gaan gebruiken en ze niet noemenswaard beschadigd, zodat ze vandaag de dag nog steeds in al hun pracht te zien zijn.
Misschien juist omdat die tempels verdwenen zijn, hebben de joden, maar nog meer de christenen, er door de eeuwen heen enorme aandacht voor gehad hoe ze er precies uitgezien kunnen hebben. Het aantal afbeeldingen en maquettes dat over is, blijft nog altijd enorm groot, en er is minstens evenveel verloren gegaan. Naast die interesse in het werkelijke uiterlijk van het gebouw hebben er altijd mensen gefantaseerd over hoe zo'n tempel er uit zou horen te zien en hoe hij gebouwd zou kunnen worden als men onbeperkte middelen ter beschikking had. Dat begint al in de bijbel zelf, met de visioenen die de profeet Ezechiel vertelt in de hoofdstukken 40-48 van zijn boek. Ook bij de Dode-Zeerollen zitten verschillende teksten die beschrijvingen geven van ideale tempels. Beschrijvingen in de talmoed hebben ten dele ook de functie van een ideaalbeeld, dat als blauwdruk zou kunnen dienen als de zozeer gewenste gelegenheid tot herbouw zou komen. Minder reeel, maar wel een populair genre, zijn beschrijvingen van de hemelse tempels waar God zelf met een enorme hemelse entourage zou verblijven. Maar wij blijven hier maar bij het aardse, en zelfs bij het onderaardse bestaan van de tempel en afbeeldingen ervan. ALS EEN VERRASSING in een taart liggen vrijwel zeker omvangrijke en buitengewoon interessante resten van de tempel van Salomo en die van Herodes onder het plein van de moskeeen. Alleen aan de randen steken er stukjes doorheen, onder andere de beroemde Westelijke Muur of Klaagmuur. Archeologen zouden niets liever doen dan het plaveisel van het moskeeplein oplichten en een ordentelijk opgravinkje, hoe klein en bescheiden ook, gaan verrichten. Voor een deel hoeft dat niet eens aan de oppervlakte te gebeuren; de Tempelberg lijkt hier en daar op een gatenkaas door alle door mens en natuur gemaakte holen en gangen.
Onderzoek werd en wordt echter vooralsnog door de politieke en religieuze situatie volkomen onmogelijk gemaakt. Het hele voormalige tempelterrein is in het bezit van een vrome islamitische stichting, die zorgvuldig waakt tegen alles wat haar zeggenschap erover zou kunnen verminderen. Overigens behoedt deze stand van zaken natuurlijk de staat Israel voor het netelige probleem wat ze zouden moeten doen als het opeens mogelijk bleek om de tempel te herbouwen: door wie en hoe en wanneer zou dat moeten gebeuren? Zou men de offerdienst in ere moeten herstellen en weer grote hoeveelheden dieren gaan offeren? De huidige status quo is daarom politiek gezien zo slecht nog niet, al houdt hij waarschijnlijk buitengewoon interessante historische en archeologische gegevens verborgen.
Er is op het ogenblik minder mogelijk dan in de negentiende eeuw, toen een zak met smeergeld of goede relaties met de Turken, die destijds in Jeruzalem de baas waren, soms wonderen konden doen. In het al genoemde Bijbels Museum wordt een steen bewaard die naar gezegd wordt in de vorige eeuw ten behoeve van de stichter ervan, dominee Scholten, in het holst van de nacht van de Klaagmuur is losgezaagd door een Turkse soldaat, die voor zijn riskante werk wel een geldelijke beloning zal hebben ontvangen. Toen hebben verschillende avonturiers en onderzoekers ook in de ruimten onder het plein kunnen rondkijken, wat overigens niet zonder gevaar was omdat ook toen al de religieuze gevoelens van de moslims ter plekke nogal heftig konden zijn. Het is namelijk ook in de islam een buitengewoon heilige plaats, vanwaar de profeet Mohammed ten hemel gevaren zou zijn. Ook de opstanding van de doden zal niet in Mekka of Medina, maar in Jeruzalem beginnen. Op de plaatsen waar de verschillende godsdiensten elkaar kunnen ontmoeten vielen en vallen daarom nogal eens slachtoffers, vooral in de tijd van een of meer godsdienstige feesten. De archeoloog die daartussen gaat zitten komt gegarandeerd in groot gevaar.
Een beroemd geval van iemand die door zijn opgravingen ter plaatse in de problemen kwam is dat van de excentrieke Engelse kapitein M. B. Parker, die het aan het begin van deze eeuw in zijn hoofd had gezet om de schatten van de tempel terug te vinden. Hij ging ervan uit (hij was de enige niet) dat er vanaf het gebied ten zuiden van de Tempelberg een geheime gang zou lopen tot onder de tempel en wilde die vinden door de natuurlijke en gegraven holen daar uitgebreid uit te spitten. Parker zamelde in Europa een grote som geld in om dat te doen, en nam er als dekmantel een echte archeologische onderzoeker bij. Hij kocht een aantal Turkse politici, de gouverneur van Jeruzalem en zelfs de bewaarder van de Rotskoepel om met dit geld of met de belofte van een aandeel in de winst, en ging samen met een aantal vrienden aan de slag. Vanaf 1909 tot de lente van 1911 werd er gegraven, maar steeds zonder het verwachte resultaat. Toen Parkers toestemming tot opgraven bijna verlopen was en het geld zo ongeveer op, had het graven wel interessante vondsten, maar in het geheel geen goud opgeleverd, ondanks de voortdurend uit Europa naar hem doorgestuurde aanwijzingen van een Ierse helderziende. Hij werd tamelijk wanhopig en zocht naar middelen om de dreigende mislukking alsnog in een succes te veranderen. Als het van opzij niet ging, dan moest er desnoods maar direct naar beneden gegraven worden op het terrein zelf. Opnieuw werden allerlei mensen omgekocht en in het holst van de nacht van 17 op 18 april 1911 slopen Parker en een paar medewerkers, verkleed als Arabieren, naar de Rotskoepel, daalden af naar de grot die zich daaronder bevindt, en begonnen ijverig te graven. Hun werk was daarvoor al een aantal dagen goed gegaan, maar deze nacht kwam er stomtoevallig iemand langsgelopen die niet omgekocht was. Die schrok zich half dood en liep luid schreeuwend de stad in. Parker besefte dat het afgelopen was met zijn onderneming en dat hij blij mocht zijn als hij er ongeschonden van afkwam. De Engelsen vluchtten naar Jaffa en konden net op tijd aan boord van het jacht van een van hen ontkomen, de stad Jeruzalem en het Turkse bestuur in een ongehoord tumult achterlatend. De verhoudingen tussen Engeland en het Turkse Rijk werden nog lang verzuurd door deze affaire.
EEN WAT RUSTIGER manier om voor ogen te krijgen hoe de tempel eruit gezien heeft is door de geschreven bronnen te bestuderen, waarvan de belangrijkste zijn het Oude Testament, het werk van de joodse geschiedschrijver Flavius Josephus en de Misjna, een joods geschrift van omstreeks het jaar 200 dat de kern van de talmoed vormt. Om zich het uiterlijk van het gebouw wat beter voor te kunnen stellen, kan men natuurlijk een tekening maken, maar veel meer tot de verbeelding spreekt een model op schaal. Van dat soort Madurodams avant la lettre is een groot aantal gemaakt, helaas voor een deel weer verloren gegaan omdat nu eenmaal weinig mensen zolders hebben die groot genoeg zijn om modellen van een aantal vierkante meters op te slaan.
Het misschien wel meest bekende model van de tempel van Salomo werd in de zeventiende eeuw gemaakt door een Portugese jood, Jacob Juda Leon. De geschiedenis hiervan is diepgaand uitgezocht en beschreven in allerlei artikelen door dr. Adri Offenberg van de Bibliotheca Rosenthaliana in Amsterdam. Jacob Juda begon zijn loopbaan met een klein baantje bij de joodse gemeente die destijds in Middelburg in Zeeland gevestigd was. Daar vulde hij zijn kleine salaris aan door het geven van lessen in het Hebreeuws en in allerlei joodse zaken aan de lokale burgers. Een van hen was een excentrieke geleerde uit een bekend Zeeuws geslacht, Adam Boreel. Deze verschafte hem het geld om het model te maken. Tegen een kleine vergoeding kon men het bij hem thuis komen bekijken. Hij schreef ook een boek met een uitleg over zijn model. Dat werd in die zo godsdienstige eeuw een onverbiddelijke bestseller, die op den duur in vele talen vertaald werd. Toen zijn werk over de tempel zo'n succes bleek, ging hij zich onder meer ook bezighouden met het uiterlijk van de tabernakel, waar hij ook een model van vervaardigde, en liet hij onder andere een schitterende prent maken met een overzicht van beide heiligdommen en wat daarmee verband hield. Een prachtig ingekleurd exemplaar hiervan wordt bewaard in de Bibliotheca Rosenthaliana.
Op den duur kon Jacob Juda blijkbaar aardig leven van de opbrengsten van een en ander. Hij ging op een gegeven ogenblik zelfs de achternaam Leon Templo voeren, afgeleid van zijn voornaamste bezigheid, misschien via de tussenstap van het uithangbord van zijn huis in Amsterdam, waarop de tempel stond afgebeeld, en waar hij zijn model vertoonde en zijn boeken verkocht. Ook christelijke burgers die maatschappelijk klommen ontleenden vaak hun achternaam aan het uithangbord van hun woonhuis.
Het leuke van die tempelmodellen is dat je vaak een beter beeld krijgt van de denkbeelden die in de tijd van vervaardigen leefden dan van het oorspronkelijke uiterlijk van het gebouw. Dat zie je aan allerlei architectonische dingen, en ook aan een aantal sprekende details. Een enkel voorbeeld. In de bijbel worden een aantal malen de horens van het altaar genoemd, die iemand die in levensgevaar verkeerde - bijvoorbeeld omdat hij iemand had omgebracht en achtervolgd werd door wraakzuchtige familieleden van de overledene - kon vastpakken, waarna zijn zaak in ieder geval goed onderzocht moest worden voor men hem een kopje kleiner mocht maken. Tot een aantal jaren geleden zag je dan ook echte koeiehorens aan de hoeken van het altaar afgebeeld. Maar toen men in Israel een altaar opgroef met aan de vier hoeken een soort verhogingen - wat wel die horens moeten zijn -, doken die al spoedig ook in afbeeldingen en modellen op.
Eerlijk gezegd was ik indertijd tijdens de lezing waar ik het over had zelf ook wat weggedut, maar de laatste jaren krijg ik ook steeds meer de smaak te pakken van het traditionele vermaak van het kijken naar details van tempelmodellen.