De tempo-mores van minerva het tweede jaar mag de voeten op de tafeltjes van de eerstejaars leggen. na kerst mag het zelfs aan de leestafel zitten

ZURE MAANDAG. De leden van de Leidsche Studenten Vereniging Minerva verzamelen zich in de Grote Zaal. In de zaal erboven kijken de nullen naar de openingsbeelden van Soldaat van Oranje, die eindigen met de soepterrine op het hoofd van hoofdpersoon Erik. Beneden houdt de Bijstand lange, opzwepende betogen: vanavond wordt op de leden gerekend, de Bijstand wil trots op ze zijn. ‘Bloed! Bloed! Bloed!’ klinkt het uit honderden, met liters bier gesmeerde kelen. Volgens beproefd recept wordt de deur van de bovenzaal af en toe nonchalant opengeschoven, zodat het angstaanjagende geschreeuw de nullen in flarden bereikt.

Dan worden ze de trappen af geleid, de kolkende massa tegemoet. Er wordt al aan ze getrokken, maar de eerste tien meters zorgen de Wachters voor bescherming. Daarna zijn de nullen vogelvrij. Het beste is om achterin de Zaal te geraken, waar de ouderejaars zich ophouden. Maar meestal is er een hongerige eerstejaars die dat voorkomt. Zij zien er gevaarlijk dronken uit, ze gooien bier over je hoofd en stroop in je nek en ze kafferen je uit om alles wat je zegt.
Het is het startpunt van de ontgroening op ‘Hare Majesteits Eerste’. Twee weken lang zullen de nullen totaal vernederd worden. Als er even geen klusjes of vervelende opdrachten te doen zijn, moeten de nullen 'zoemen’ en 'indikken’: op de grond zitten met de knieën opgetrokken, het hoofd omlaag. Rug aan buik vormen de nullen een lange rij, steeds dichter op elkaar. Soms wordt iemand schreeuwend van kramp uit de rij gehaald. Iemand die niet netjes zit, wordt eruit gepikt en luidruchtig afgeranseld. De nullen kunnen dit niet zien en pas veel later komen zij te weten dat de afranseling in scène is gezet.
De zogenaamde Raprace is het enige openbare gedeelte van dit festijn. De nullen kruipen voor de ogen van de Leidse bevolking door de drek en varen dan met bootjes over het Rapenburg. Bij ieder bruggetje wachten zakken afval, eieren en meel.
Tijdens de kampdagen vindt aan de rand van een beekje het verbroederend hoogtepunt plaats. Vooraf wordt nog gewaarschuwd dat er niet gezwommen mag worden: het water is ernstig verontreinigd. Na urenlang indikken mogen de nullen opstaan. Ze zien het bestuur met kaplaarzen midden in de rivier staan. De nullen worden opgejut; wie werkelijk van de vereniging houdt, zwemt nu naar het bestuur toe. Een historisch moment, want uiteindelijk zwemmen alle nullen naar hun geliefde bestuur. De sterken ondersteunen de meest verkrampten. Hier worden banden voor het leven gesmeed. Onder het zingen van het Io Vivat ontstaat midden in de beek de ultieme saamhorigheid.
Natuurlijk zijn er excessen. Enkele jaren geleden werd nog een jongen geroyeerd omdat hij een sigaret op de arm van een nul had uitgedrukt. Maar problemen met de politie zijn er de afgelopen jaren niet geweest. De nullen wordt steeds voorgehouden dat zij 'zichzelf moeten blijven’ en hun grenzen moeten trekken. Het is een kwestie van aftasten. Wie laat zien een grens te hebben, verdient respect; de nul die alles toelaat is een softe eikel en wordt nog zwaarder aangepakt om te testen hoever je kunt gaan. Het meisje dat in haar ondergoed aan de overkant een pakje sigaretten ging kopen, liet zich dus te veel intimideren.
IN DE GROENTIJD worden de corporale normen en waarden bijgebracht. Dat is niet voor iedereen weggelegd. 'Je hoorde in het Corps thuis of je hoorde er niet’, legt Erik Hazelhoff Roelfzema uit in Soldaat van Oranje. 'Je werd dan ook niet in de eerste plaats gewaardeerd naar je prestaties. Integendeel: te veel presteren was ongewenst. Het vlot afleggen van examens eiste tact en bescheidenheid. Met veel meer ontzag werd iemand op Minerva nagewezen die het hem lapte vijfdejaars te zijn zonder ooit een examen te hebben afgelegd. Tenminste, als hij zich gedroeg met stijl, want Stijl werd in Leiden beschouwd als het allerbelangrijkste: niet wàt je deed, maar hóé je het deed, vooral als je niets deed.’
Deze Stijl houdt men aan de Leidse Breestraat moedig in stand, tegen alle democratiseringsgolven, bezuinigingsoperaties en andere tijdgeesten in. Het kennen van de mores is daarbij van essentieel belang. Sommige van die mores zijn louter functioneel van aard. De antieke kroonluchters moeten heel blijven en daarom luidt de mos dat aan deze pompeuze lampen niet gehangen wordt. Andere mores tonen hun waarde doordat zij de onder grote druk verkerende psyche van de leden verlichten. Zo kan men bij opkomende depressiviteit een 'meter lawaai’ bestellen. Men is dan gerechtigd om een stapel borden van een meter van het biljartbalkon naar beneden te storten. Van goede zeden getuigt de beruchte 'Hifi-mos’. Voor ongemengde paren is het toegestaan in de Hifi-zaal te dansen, mits een onderlinge afstand van een meter bewaard blijft.
Lange tijd was het streng verboden om de voeten op het haardtafeltje te leggen, totdat prins Bernhard deze mos doorbrak. Hij schonk de sociëteit een tafeltje met uitschuifbare plankjes; op deze Lippjes kan men de voeten wel laten rusten. Eten aan de leestafel is niet toegestaan, behalve aan het joodse wandelgezelschap Ahasverus. Verder dient men een glas dat geen alcohol bevat met twee vingers af te schermen. Een ieder is immers vrij het glas voor een asbak aan te zien. De toost brengt men uit wanneer men na de eerste slok het glas ten tweede male heft. Een zeer oude mos is die van het 'Beekmantafeltje’. Dit tafeltje wordt iedere middag door de bedienden gedekt, maar er wordt nooit aan gegeten. Het is gereserveerd voor de drie Vrijwillige Leidsche Jagers die nog steeds niet zijn teruggekeerd van de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen.
DEZE HUISREGELS maken een vrolijk onderscheid tussen de primitieven van buiten en de beschaving van de corporale tradities. Maar de belangrijkste mores zijn die waaraan de leden hun identiteit en plaats binnen de vereniging ontlenen. En binnen Hare Majesteits Eerste vervult de hiërarchie van de anciënniteit die rol. De Grote Zaal is geheel naar jaargangen gestructureerd. De kleine tafeltjes en stoeltjes bij de ingang zijn voor de eerstejaars. De volgende rij, iets groter in maat, is voor het tweede jaar. Helemaal aan het eind van de zaal staan de luie haardstoelen, bestemd voor zesdejaars en ouder. Zelfs het herentoilet is gerangschikt naar anciënniteit. Helemaal links is toegewezen aan het eerste jaar, het meest rechts wateren de Commissarissen. Opvallend: voor de aangrenzende kotsbak is iedereen gelijk.
Ieder jaar heeft zijn eigen rechten en plichten. Het tweede jaar mag de voeten op de tafeltjes van de eerstejaars leggen. Na Kerstmis mag het zelfs aan de leestafel zitten, hoewel slechts met het gezicht naar de haard. Spreken is niet toegestaan, tenzij het de krant op de knieën legt en zachtjes het nieuws bespreekt. Het derde jaar zit aan de leestafel met de rug naar de haard. Buiten de zaal is het gerechtigd een wandelstok te voeren (binnen de Zaal komt dit alleen de Commissie toe). Eerst vierdejaars is het toegestaan een monocle te dragen of een kortharige hond te introduceren. Tevens kan men dan met een jas naar binnen indien men aan het buffet een postzegel van 2 cent wil kopen. Het zesde jaar heeft het voorrecht een hoed en slobkousen te dragen, of een langharige hond te introduceren. Het tiende jaar mag zijn motorfiets tegen het buffet parkeren. (De gelukkige bestijgt met zijn motor de brede trappen om aan het buffet een drankje te nuttigen. Het moet een onverdeeld genoegen zijn daar te staan: met hoed, monocle, slobkousen en een langharige hond strak aangelijnd.)
Boven de ingang van de Grote Zaal hangt de Uil van Minerva, toezicht houdend op naleving der mores. Vroeger werd zij geblinddoekt wanneer vrouwen hun intrede deden in de Zaal. Door de fusie met de vrouwelijke studentenvereniging verloor deze mos zijn kracht, maar van de dames en heren wordt verwacht dat zij hun hartstochten weten te bedwingen. Een paar dat zich bezondigt aan kussen of hand in hand lopen wordt door een Commissaris een glaasje koffiemelk aangeboden. De Uil wordt tegenwoordig nog bij bepaalde gelegenheden geblinddoekt, bijvoorbeeld wanneer er versterkte muziek gespeeld wordt.
Tot de dagelijkse corporale bezigheden behoort het 'zooien’. Aan het begin van de zaal staat een groot blok hout, met daaromheen dagelijks een groepje eerstejaars die 'hun eiland’ verdedigen. Het is een eervolle strijd, want wie daar met zijn jaarclub een aantal weken standhoudt, kan rekenen op een goed plaatsje binnen het walhalla van de verticale clubs. Dat geldt uiteraard alleen voor de heren; de dames worden gewoon op uiterlijk geselecteerd.
Het krijgersbestaan kan ook op andere manieren worden gevuld. Bij het gewone zooien moet de tegenstander aan zijn revers op de grond worden gewerkt; de verliezer betaalt een rondje. Dan is er het 'leestafelzooien’, waarbij het oudere jaar (vanaf het vierde) tegenover het jongere jaar staat opgesteld. Beiden proberen door duwen en schuiven terreinwinst te behalen. In werkelijkheid betekent dit, zo meldt het Geschiedboek uit 1989, 'dat het oudere jaar door zijn geestelijk overwicht het altijd wint van het jongere jaar’.
LEVERT MINERVA 'de beste tijd van je leven’ en de basis voor een maatschappelijke carrière, of is het een afstompende club van conservatieve 'Radfahrer’? De leden bezingen natuurlijk om het hardst de zegeningen van het corpsleven. Zij zijn nu eenmaal niet graag teleurgesteld in een met zoveel geploeter bereikt groepslidmaatschap. Soms gebeurt dat wat ongelukkig, bijvoorbeeld toen een bestuurslid in het universitair weekblad Mare kritiek pareerde: 'Het is ook een kunst als je met mensen oppervlakkig kunt praten; in een werksituatie zul je dat vaak meemaken’, aldus de gewezen praeses collegii.
De mores lijken echter vooral een ludiek karakter te hebben. Het is een theater dat op grootse wijze gespeeld dient te worden. Zo staat het ook in Soldaat van Oranje verwoord: 'Wat het Corps van onuitstaanbaarheid redde was dat het zichzelf nooit helemaal au sérieux nam. Het trok een ernstig gezicht, maar kon ieder moment in lachen uitbarsten. Het was de meest belangrijke zaak ter wereld, maar de herinnering eraan bleef een glimlach.’ In dat spel, en in haar authentieke uitstraling, zit de grote aantrekkingskracht van Minerva.
Tot die uitstraling heeft het koningshuis een aanzienlijke bijdrage geleverd. Dat gaat terug tot de tijd van de vroeg overleden prins Willem, de oudste zoon van koning Willem III. Zijn aanhoudende pogingen om lid te worden van het Corps strandden omdat de prins geen inschrijvingsbewijs aan de universiteit kon overleggen. Uiteindelijk werd hem als blijk van waardering voor zijn inspanningen in 1856 een erelidmaatschap aangeboden. Zijn broer Alexander bewandelde in 1870 de reguliere weg, later gevolgd door de prinsessen Juliana, Beatrix en Margriet.
Aan deze traditie werkte Willem-Alexander slechts met tegenzin mee. Hij heeft er nooit kunnen aarden, zo bleek weer toen het blad Leidraad hem rond zijn afstuderen interviewde: 'Ik heb altijd mijn bedenkingen gehad. Die mensen die de studentenvereniging verheffen tot iets zaligmakends - dat is een klein groepje die heel beperkt denken - geven de vereniging een slechte naam. Tegen hen heb ik me ook afgezet. (…) Maar dat had eigenlijk geen zin. Ze zaten een jaar langer dan ik bij de vereniging en hadden op grond daarvan gelijk. Op een gegeven moment word je dan wijzer en zeg je: laat ze maar.’
MAAR MISSCHIEN wordt Willem-Alexander op zijn beurt op Minerva wel als obscuur beschouwd. Want een vereniging met duizenden leden ontkomt niet aan de vorming van ingroups. Minerva zou Minerva niet zijn als daar geen heldere hiërarchische vorm voor was gevonden. Iedere jaarclub wordt een rang toegekend die allesbepalend is voor de verdere carrière. Alleen 'clubje 1’ en 'clubje 2’ doen er werkelijk toe; uit hun kringen worden het Collegium en de leukste commissies gevormd.
Wie op Minerva ambities koestert, moet dus vroeg beginnen. Na de ontgroening begint de vorming van de jaarclubs, wat vooral betekent: heel veel aanwezig zijn. De echte die-hards zijn present tot het zwart voor de ogen staat en de urine doorzichtiger is dan de beste Russische wodka.
Als de jaarclub gevormd is, volgt een periode waarin men zich collectief moet manifesteren. Zoals gezegd tellen alleen de plaatsen een en twee, dus dat wordt dringen aan dat eiland. Een borrel aanbieden aan een ouderejaars jaarclub doet de marktwaarde ook stijgen. Daarna is het hospiteren geblazen, om een plek te bemachtigen in een van de geilste huizen. In de huizencultuur van Minerva staan die aan het Rapenburg. Is deze weg nauwgezet gevolgd, dan heeft de Minervaan wat Hazelhoff Roelfzema noemt: stijl. Wie buiten de boot valt is een knar en moet als obscuur door het leven.
INDERDAAD, op Minerva staat de tijd al enige jaren stil. De wijzers van de klok in de Grote Zaal geven onveranderlijk zes voor half zes aan - het gevolg van een oefening van weerbaarheidsvereniging Pro Patria waarbij een afgeketste kogel het uurwerk doorboorde. Van de vernieuwende jaren zestig was aan de Breestraat slechts een bescheiden echo te vernemen. Met het aanbreken van het tijdperk-Ritzen pakten zich echter donkere wolken samen boven het onbezorgde studentenplezier. De toenemende eisen en steeds kortere studieduur trokken een zware wissel op het ledental, dat in vijf jaar inkromp van een dikke drieduizend naar nauwelijks tweeduizend zielen.
Dit voorjaar trok het Collegium aan de noodbel. Met hulp van een consultancy bureau werd een revolutionair plan opgesteld; Minerva zou zich moeten aanpassen aan de eisen van de tijd. Hoezeer de paarse coalitie de studenten heeft opgezweept tot gedweeë conformering, blijkt uit een beleidsvoornemen als 'De Bestuursgang en de leden stimuleren de sjaarzen om tijdens tentamenperiodes vroeg naar huis te gaan’. Onder het kopje 'spreidingsbeleid’ wordt voortaan ook buiten clubje 1 en 2 gezocht naar die zeldzame karakters die hun kostbare tijd nog willen opofferen voor de vereniging. De Raprace werd afgeschaft om de 'beeldvorming’ naar buiten te verbeteren.
Droevig dieptepunt is het plan goede studieresultaten te belonen. 'De sjaarzen met een positief studieadvies mogen in het tweede jaar in een leuke commissie’, legt praeses collegii Madelien Delfos Visser uit in Mare. De bestuursplannen zijn een getrouwe kopie van het beleid van Ritzen: zelfs de temponorm is overgenomen.
De gedachte dat corporale verhoging en studieactiviteiten niks met elkaar te maken hebben, is onder de gesel van Ritzen verdwenen. Voorbij is de tijd dat de examenloze vijfdejaars met ontzag werden nagewezen. Verdwenen zijn de pretenties, de zelfverheffing boven het onwetende volk. Minerva is roemloos verdwenen in de grauwe middelmaat van de tempobeurzen, collegeroosters en studiebegeleiding. Het getik van wandelstokken zal verdwijnen, de haardstoelen achter in de zaal blijven leeg, de leestafel verhuist naar de studiezaal. Ontgroeningen vinden slechts plaats volgens een gedragscode, die iedere vorm van fysiek en verbaal geweld uitsluit. Slechts de meters lawaai herinneren aan een tijd waarin ernst met een glimlach gepaard ging.
O tempora, O mores.