De tentakels van de indie-lobby

Op 12 januari zit de schrijver Graa Boomsma opnieuw in het beklaagdenbankje. Ditmaal wordt hij niet aangeklaagd door een beledigde oud-Indie-veteraan, maar door de staat zelf.

HET OPENBAAR MINISTERIE heeft zich sinds het ‘ezelproces’ in 1966 tegen Gerard van het Reve niet meer gewaagd aan het vervolgen van romanschrijvers. Op een enkele christelijke journalist na lijkt men in Nederland de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting alom te respecteren. Maar er zijn ook andere geluiden. 'Er moeten grenzen worden gesteld aan de vrijheid van meningsuiting’, beweert de Groningse advocaat mr. J. van Zaaijen. Officier van Justitie mr. G. Souer, uit diezelfde stad, meent: 'Het gaat erom in hoeverre je grenzen moet stellen aan de vrijheid van meningsuiting.’ En ook plaatsvervangend procureur-generaal bij het hof van Leeuwarden mr. P. Roelse schreef op 8 november 1994 in een brief aan een oud-Indiestrijder: 'Ook aan de vrijheid van meningsuiting kunnen (zij het dan achteraf) grenzen worden gesteld.’ Een eenstemmig koor uit het Hoge Noorden.
De heren Van Zaaijen, Souer en Roelse hebben meer gemeen. Ze zijn alle drie betrokken bij het proces op 12 januari tegen schrijver Graa Boomsma en journalist Eddy Schaafsma. En ze hebben alledrie iets met de militairen die in Indonesie vochten tijdens de politionele acties.
GRAA BOOMSMA’S roman De laatste typhoon verscheen begin 1992. Boomsma: 'De aanleiding voor het boek waren het leven en de dood van mijn vader, die van 1946 tot 1949 als Nederlands militair in Indonesie heeft gediend en dingen heeft moeten doen die in strijd zijn met alle wetten van menselijkheid, kortom oorlogsmisdaden in naam van de Nederlandse staat. De strekking van het boek is dat goed en kwaad kunnen voorkomen in een mens en hoe iemand kapot kan gaan aan het geweld waaraan hij zelf deelneemt. Niet de gewone Nederlandse soldaat was schuldig - die werd gestuurd - maar wel het militaire en politieke apparaat dat doordreef wat van het begin af aan een verloren zaak was. Dat was een misdadige politiek van Spoor, Beel, Romme en anderen, die evenals oorlogsmisdadiger Westerling nooit door enige officier van justitie in Nederland zijn aangeklaagd.’
Eddy Schaafsma van het Nieuwsblad van het Noorden interviewde de schrijver, en op 6 maart 1992 verscheen het artikel met daarin de zin: 'Ze waren geen SS'ers, nee, ook al konden zij door de dingen die ze deden er wel degelijk mee worden vergeleken.’ Op 30 mei diende oud-politieman L. Buma uit Marum (Gr.) een klacht in, hij voelde zich 'beledigd, en met mij duizenden Nederlandse militairen die als oorlogsvrijwilliger en dienstplichtig militair hun plicht in de jaren 1946 tot 1950 in Nederlands Oost-Indie hebben vervuld’. Immers: 'Het vele goede dat door de Nederlandse militairen in Nederlands Oost-Indie is gedaan staat haaks op de gedragingen van de SS.’
De klacht kwam terecht bij het arrondissementsparket in Groningen, dat besloot niet tot vervolging over te gaan. Buma, bijgestaan door de 84-jarige advocaat Van Zaaijen, wendde zich tot het gerechtshof in Leeuwarden. Daar werden betrokkenen gehoord door de advocaat-generaal mr. P. Roelse, een oud-beroepsmilitair die voor een militaire rechtbank had gewerkt. Volgens Herman Doeleman, de advocaat van Boomsma, werd de schrijver daar toegesproken als 'een schooljongen die onder uit de zak krijgt’. Het hof oordeelde dat Groningen ten onrechte had geseponeerd en gelastte de rechtbank alsnog tot vervolging over te gaan.
Bij het parket in Groningen kwam het dossier toen op het bureau van officier van justitie mevrouw Weel terecht. Zij liet de verdediging weten dat ze vrijspraak zou vorderen, maar voor het zover kwam, wierp haar collega, officier van justitie mr. Souer, zich op om de zaak van haar 'over te nemen’.
Is dat niet een vreemde gang van zaken? Souer: 'Dat gebeurt wel vaker. Mevrouw Weel had wat minder betrokkenheid bij de zaak dan ik en ik had nog wel tijd en ruimte over.’
Hoezo, betrokkenheid?
Souer: 'Ik kon iets beter dan zij begrijpen dat Buma zich beledigd voelde. Misschien door mijn militaire achtergrond. En mijn vader heeft in 1948 ook in Indonesie gediend.’
Souer was zeventien jaar beroepsmilitair en werkte, evenals Roelse, bij een militaire rechtbank.
Rond de zitting op 26 mei 1994 brak een compleet mediacircus los. De publieke tribune van de rechtszaal zal vol geuniformeerde heren op leeftijd die emotioneel voor de camera’s vertelden hoe beledigd zij zich voelden. Advocaat Doeleman wees in zijn pleidooi op de ongebruikelijke acties van officier Souer: in Elsevier van 21 mei maakte hij reeds zijn eis, een boete van vijfhonderd gulden, bekend, en in NRC Handelsblad van 24 mei, dus twee dagen voor het proces, lichtte hij dat nader toe: 'Omdat het hier een principiele zaak betreft die door het hof aan het openbaar ministerie is opgedragen, wil men in Groningen voorkomen dat de zaak alleen door de rechtbank wordt afgedaan. Als de officier ontslag van rechtsvervolging zou vragen, zou hoger beroep bij het hof na een vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging moeilijk worden.’ Doeleman: 'De officier maakt zich kennelijk nu al druk of er hoger beroep volgt.’
Niettemin concludeerde de rechtbank in Groningen vrijspraak. Souer tekende beroep aan bij het hof in Leeuwarden. En dit hoger beroep dient nu op 12 januari 1995, met Roelse als procureur-generaal.
De advocaat van Buma, Van Zaaijen, is blij met dit tweede proces. Als oud-verzetsstrijder is hij actief in veteranenorganisaties en hij telt 'vele vrienden onder de Indie-gangers’. Hij vindt dat 'een man als Poncke Princen, een grote misdadiger, de doodstraf verdient’. Hij typeert Souer ('die goed met ons heeft meegewerkt’) en Roelse ('hij heeft mij persoonlijk benaderd, heel ongebruikelijk’), als 'mannen die van wanten weten’.
Volgens hem is de zaak in eerste instantie verloren omdat de jonge rechters in Groningen hun geschiedenis niet kennen: 'Ze snappen het niet, maar in Leeuwarden zit gelukkig meneer Roelse, een oud-beroepsmilitair, die een andere visie heeft. Kijk, Roelse, het hof, heeft natuurlijk niet voor niets terugverwezen.’ Roelse had hem persoonlijk opgebeld om Buma ertoe te bewegen in het openbaar zijn verhaal te vertellen tijdens de zitting van 12 januari. 'Begrijpt u?’ lacht Van Zaaijen, 'dat is voor de pers.’
Een publiciteitsstunt van een advocaat-generaal? Het wordt bevestigd door advocaat Doeleman: 'Roelse had Buma als getuige gevraagd - overduidelijk een gebaar voor de buhne, want de feiten staan vast en daarom is er geen getuigenis nodig. We hebben erg op hem moeten inpraten om dat op te geven.’
SCHRIJVER BOOMSMA ziet er getergd uit. Het eerste proces is hem niet in de koude kleren gaan zitten; hij en zijn gezin zijn herhaaldelijk lastiggevallen en bedreigd. Over het komende proces zegt hij: 'Het is bizar en alarmerend. Het is nog nooit voorgekomen dat de staat in de vorm van het openbaar ministerie in beroep gaat tegen een schrijver. Het is alarmerend omdat er een intimiderende werking van uitgaat. Ik ben op alle punten vrijgesproken en iedereen was hoogst verbaasd dat het openbaar ministerie op de valreep, zonder enige argumentatie overigens, in hoger beroep ging. Als dit soort vergelijkingen niet meer mogen in de kunst, in de litaratuur, dan is dat heel ernstig. Ik wil mij vrij kunnen uiten over wat mij ter harte gaat, in woorden die ik zelf kies. Bijvoorbeeld over Nederlands Indie, omdat ik daar persoonlijk mee te maken heb gehad, het heeft een deel van mijn jeugd gedomineerd.’
Wie en wat zit er volgens hem achter deze klopjacht? Boomsma: 'Een groep oud-Indie-veteranen dat een bepaald beeld over deze oorlog - zo mag ik het van hen niet noemen - koestert. Het zijn heren die menen dat de oorlog toen rechtvaardig was en die vinden dat het onjuist en onbillijk is om kritiek te leveren op de oorlogsmisdaden die toen zijn begaan. Het gaat steeds om angst, permanente angst om met de waarheid te worden geconfronteerd. De waarheid is namelijk dat we daar een verkeerde oorlog hebben gevoerd op een verkeerd moment. Zij grijpen steeds naar middelen die alle discussie smoren en zij bewerken daartoe ook politici. Het is angstwekkend dat een paar machtige mensen, zowel binnen justitie als in de politiek, nog zoveel actie kunnen ondernemen: geen visum voor Poncke Princen, Lou de Jong wordt teruggefloten, een schrijver wordt voor de tweede keer vervolgd. Wat komt hierna?’
Graa Boomsma zal hoe dan ook zijn mond niet houden over ons Indische verleden. Hij is bijna klaar met het libretto voor een opera over kapitein Westerling. En hij schrijft voor het Nationaal Toneel een avondvullend stuk over een ontmoeting tussen minister Kooijmans en Poncke Princen. 'Ik kan alleen maar terugslaan door te schrijven. Nu is het de staat die mij probeert het zwijgen op te leggen. Het pikante is dat diezelfde staat ook subsidies geeft aan kunstenaars. Dat is heel schizofreen: men stelt mij in staat om dingen te doen die men mij langs andere wegen wil beletten.’