De terreur van de spelling

De terreur van de spelling

Door ’t ontbreken van enig inzicht in de relatie taal en spelling meent de goegemeente tegenwoordig dat een letter er is om uitgesproken te worden. Voor deze ziekte bestaat een naam: «spelling uitspraak». Vroeger werd daar tegen opgetreden.

Nog niet zo lang geleden was ’t gebruikelijk dat de spellingregels een afspiegeling vormden van de uitspraak van het ABN. Die regels bleven onveranderd als er aan de uitspraak niets veranderde, maar als de uitspraak wel veranderde, werden ze aangepast. Een paar voor beelden.

In ’t oudere Nederlands werden woor den als vis, bos, vlees uitgesproken met een ch op ’t eind. De combinatie sch was ’t eindresultaat van een evolutie in de Germaanse taalfamilie die begon met sk. In ’t Engels en ’t Duits is de klankcombinatie nog steeds aanwezig als sj: fish en Fisch. In ’t Middel ne der lands werd de klankcombinatie uitgesproken als sch en ook zo geschreven: visch, bosch, vleesch. Ook bijvoeglijke naamwoorden eindigden op -sch: Nederlandsch, wederzijdsch.

Later verdween de ch-klank in de ABN-uitspraak, wat minister Marchant in 1934 deed besluiten die ch in de spellingwet te schrappen. Al was ’t ook toen moeilijk om consequent te zijn. De ch bleef namelijk geschreven in ’t achtervoegsel isch: Arabisch, fantastisch, terwijl er al eerder gepleit was voor Arabies en fantasties.

Een andere maatregel van Marchant betrof de dubbelgespelde oo en ee. In ’t Nederlands was er vanouds verschil in uitspraak tussen de o van roken, bloem kolen, en die van koken, steenkolen. Je schreef daarom rooken en bloem koolen, en anderzijds koken en steen kolen. Hetzelfde was het geval met de e van rekenen, weken tegenover die van teekenen, teenen. In de loop van de tijd zijn die uitspraakverschillen in ’t ABN verdwenen. En daarom besloot Marchant, geadviseerd door bekwame taalkundigen, om dan ook ’t verschil in spelling op te heffen. Ook hier werden niet alle knopen doorgehakt want ei bleef ei en ijs ijs. Maar goed, ’t principe: de spelling volgt de uitspraak en niet andersom, werd in ’t algemeen geëerbiedigd.

Dat is tegenwoordig wel anders. Het begint al met de wijdverbreide ge woon te om een tekst op papier niet te zien als een «gebrekkige» weergave van de ABN-uitspraak, die bij ’t voorlezen «vertaald» behoort te worden naar normale spraak, maar als een «andere» taal. Terwijl geen mens ’t in ’t dagelijks leven heeft over Hét Bureau hoor je dat elke dag op de radio wel een paar keer zeggen, dat wil zeggen, voorlezen van een blaadje, omdat daar natuurlijk staat: HET Bureau!

De terreur van de spelling heeft ook bezit genomen van de onbeklemtoonde voornaamwoorden en heeft daar zelfs ’t spontane spreken verpest. Een zinnetje als «Ik weet wat me te doen staat» luidt tegenwoordig: Ik weet wat mij te doen staat. Je bestaat niet meer in modern Nederlands. Je zegt: Heb jij jouw telefoon bij jou? of: Wat zeg jaai? Ook de vanouds correcte uitspraak feertig, fijftig, sestig en seventig is slachtoffer geworden van letterslaven, die menen dat je moet zeggen veertig, vijftig, zestig en zeventig, omdat er een v en een z staat!

De oorzaak: ’t ontbreken van enig in zicht in de relatie taal en spelling waar door de goegemeente meent dat een letter er is om uitgesproken te worden. Voor deze ziekte bestaat een naam: «spellinguitspraak» en daar werd vroeger tegen opgetreden. Maar aangezien «leren» veranderd is in «opzoeken», is de notie spellinguitspraak uit ’t kenniscentrum verdwenen. Niet moeilijk om in deze omstandigheden de ziekte een goude (aldus Vondel!) toekomst te voorspellen. Eind negentiende eeuw had ’t onderwijs eindelijk ’t gezonde idee omarmd: schrijf zoals je spreekt. Dat is begin eenentwintigste eeuw ge worden: spreek zoals je schrijft.

En over dat schrijven gaat, zoals bekend, de flitsende Taalunie, die voor al bekend is om zijn ongelukkige spellingregels. De leukste van die regels is de regel van de tussen-n. De term tussen-n wekt de indruk dat die n een realiteit is, zoals de uitgangs-t in werkt. Maar daar ga ik over twisten.

De n is in de Germaanse talen in on beklemtoonde lettergrepen al eeuwenlang op z’n retour. Dat is een proces dat verband houdt met de woordklem toon die in alle Germaanse talen in de regel op de eerste lettergreep valt. De naam vals-n, die per definitie in een onbeklemtoonde lettergreep staat, is daar een van de eerste slachtoffers van hoe wel hij tot de wet-Marchant (1934) nog geschreven moest worden, zodat parle mentariërs tot die tijd nog wel eens vroegen «Is het den minister be kend dat…?» Deze n wordt tegenwoordig door niemand meer gesproken, behalve misschien in kringen van Nieuw Rechts.

Een andere verdwenen n is de slot-n, onder meer in meervoudsvormen. Die n wordt in het ABN ook niet meer uitgesproken. Lopen is dus in de spreektaal lope, net als duive, werke, fietse, zoals die vormen in het Afrikaans trouwens ook geschreven worden.

Deze twee voorbeelden betreffen telkens een door het letterteken n weergegeven klank die er vroeger geweest is. Maar de veel besproken tussen-n is een heel ander geval. In de meeste woorden waar we ’m moeten schrijven, heeft ie nooit bestaan. Vondel (1587-1679) schrijft bijvoorbeeld: hartewee, slangevel, schapebouten en wolvenest. Zijn praktijk is geen tussen-n te schrijven als je ’m niet uitspreekt, ook als ’t om een meervoud gaat, als in roozegaerden en perlesnoer.

Maar nu heeft de Taalunie bij een vorige gelegenheid (1994) bepaald dat er een n geschreven moet worden, ook waar die nooit gestaan heeft en dus ook nooit gesproken is. De aangekondigde «zogenaamde paardebloemregel» doet daar nog een schepje bovenop. De tussen-n wordt dus door de Taalunie ingevoerd in ’t geschreven Nederlands, maar, gelet op de wijdverbreide gekke letterziekte, in feite ook in gesproken Nederlands. Dat is iets unieks in de toch al zotte geschiedenis van onze spelling. Misschien hebben de dames en heren van de Werkgroep Spelling, gezien hun gemiddelde leeftijd, zich wel door hun jeugd-tv-held Swiebertje laten inspireren, die immers ook nogal kwistig was met zijn voor-, tussen- en slot-n’s: een koekjen voor de kindertjens. Reken maar dat al die letterfetisjisten zich haasten om nu ook te gaan zeggen ruggengraat, hartenpijn, paardenbloem, zoals ze ook al zeggen Balkenende, alleen maar omdat die n daar staat.

Ministers van Onderwijs die zoiets laten gebeuren, begaan een misdrijf te gen onze taal. Eerst ’t schoolvak Nederlands uithollen, zodat geen onderwijzer meer weet wat spellinguitspraak is en dan elementen invoeren die ’t onnatuurlijke spreken nog verder stimuleren. Wat zal dat ook niet betekenen voor buitenlanders die ’t Nederlands vooral in geschreven vorm aangeboden krijgen of gesproken door letterkoelies.

Het ergerlijkste is de slaafse houding van kranten en bladen. Er is geen sector in de samenleving waar op zo grote schaal ’t geschreven Nederlands ge praktiseerd wordt en juist die laat zich de wet voorschrijven door verdwaasde taaltheoretici, sterker nog die is er ’t eerste bij om zich vrijwillig te onderwerpen aan regels die ’t papier niet waard zijn waar ze op gedrukt staan.

Beste Sdu, doe me een lol en geef de hele oplage van ’t nieuwe Groene Boekje mee met Mallen Pietje.