De terreur van de traditie

Isaac Bashevis Singer, New York, 1975 © Bruce Davidson / Magnum Photos / ANP

Toen de rabbijnenzoon Isaac Bashevis Singer in 1935 vanuit Warschau naar Amerika emigreerde om aan het dreigende nazisme te ontsnappen, liet hij zijn zoontje Israël en vrouw Rachel achter. Zij vertrokken via Moskou naar Palestina. De in het Jiddisch schrijvende Singer trouwde in 1940 in New York met een Duitse emigrée en bouwde gestaag aan een indrukwekkend oeuvre, dat in 1978 de Nobelprijs kreeg. In zijn autobiografie Lost in America (1981) schreef Singer dat hij zichzelf raadselachtig voorkwam en dat de psychologie (Freud, Jung, Adler) hem niet echt hielp zichzelf beter te doorgronden in zijn levensbewegingen.

De talmoedisch geschoolde Herman Broder in de roman Sonim, di Geshichte fun a Liebe, die in 1966 als feuilleton in de Jewish Daily Forward verscheen, bewandelt min of meer hetzelfde biografische pad als Singer. Maar er is één cruciaal verschil: Broder zit in de Tweede Wereldoorlog drie jaar lang ondergedoken op een hooizolder op het Poolse platteland. Hij weet dan dat zijn vrouw Tamara is doodgeschoten en dat zijn twee kinderen ook zijn omgekomen. De analfabetische en toegewijde boerendochter Yadwiga verzorgt hem en verzwijgt zijn bestaan voor haar naaste omgeving. Als ze na de oorlog via een Duits kamp voor ontheemden uiteindelijk in Amerika terechtkomen, trouwt hij uit dankbaarheid met haar. Maar hij is geen schim meer van zijn vroegere zelf. Zelf? ‘Hij was een raadsel voor zichzelf.’ Anderen ervaren hem als een gesloten oester, als een leugenaar en een bedrieger.

Op de eerste pagina van Sonim, di Geshichte fun a Liebe (Nederlandse titel: Vijanden: Een liefdesroman) duikt het nazispook in New York anno 1949-1950 op. Broder kan zijn angst voor de Hitler-horden niet van zich afschudden. De grootste vijand zit in hemzelf. Hij is een schim, een spookschrijver voor een New-Yorkse rabbijn die rijk is geworden dankzij vastgoedhandel. Hij lijkt op Choni Hama’agal in de talmoed-legende. Die bad God om regenwater, maar er gebeurde niets. Toen trok hij een cirkel, ging erin staan en zei dat hij pas uit de cirkel zou stappen als God regen zou brengen. Die kwam toen bij bakken uit de hemel, wat niet echt de bedoeling was.

Hoe zit het dan met Herman Broders liefde voor de drie vrouwen?

Choni was ook de wijze en vrome man die zeventig jaar sliep, wakker werd in een zo wonderlijke, verwarrende wereld dat hij om de dood bad. Herman Broder verkeert in een vergelijkbare toestand. Hij kent zijn Spinoza en Schopenhauer, inclusief diens negatieve vrouwbeeld, maar is zonder geloof, beschouwt de filosofie als bankroet en laakt het vooruitgangsgeloof. Hij ziet zijn eigen naoorlogse tijd als een ‘helter-skelterepoche’, een chaotisch en jachtig tijdperk. In wezen zit hij nog steeds op zijn hooizolder, raast de haastige wereld hem voorbij en snapt hij niets van het moderne jodendom, belezen als hij is in de talmoed en bedreven als hij is in het schrijven van geleerde traktaten voor zijn rabbijn.

Ik las Vijanden als een soort vervolg op het omvangrijkere Schimmen aan de Hudson. Ook in die roman is er leugen en bedrog rond de liefde, het fenomeen waarin Broder hopeloos verstrikt is geraakt. Wat is er aan de hand met Herman Broder? Hij treedt de autoriteit van de talmoed met voeten door er in de Bronx een minnares op na te houden, Masha, een problematische vrouw die aan de holocaust is ontkomen maar er de levenslange littekens van draagt. Ze is gescheiden, leeft met haar moeder en werkt in een cafetaria. Yadwiga liegt hij voor als hij naar Masha gaat door te zeggen dat hij op pad moet als handelsreiziger in boeken. Zijn dubbelleven wordt nóg gecompliceerder als vanuit het niets zijn eerste vrouw Tamara opduikt: zij blijkt de schietpartij in Polen te hebben overleefd. Wat te doen?

Hier doemt het aloude dilemma in Singers verhalen op: de vrije wil versus de last of de terreur van de traditie. Leven volgens de joodse (familie)regels of zélf kiezen voor een ‘vrij’ leven? En hoe zit het dan met de liefde voor de drie vrouwen, drie soorten liefde waar hij niet buiten kan? Voor Yadwiga koestert hij een liefde vol dankbaarheid, de grillige Masha wekt zijn lust, Tamara is de moeder van zijn kinderen en in wezen een ‘engel’, die ten slotte tegen hem zegt: doe maar wat ik zeg, anders loop je in zeven sloten tegelijk. Zij wil hem boetseren als klei. Er is een gigantische kloof tussen Broders belezenheid en zijn hulpeloze houding in het leven, zijn permanente ontreddering en escapistische neigingen. Die kloof bepaalt de spanning van de roman. En de liefde? Die is niet in regels te vangen.

De mooiste scène is die waarin Singer een New Yorks feest beschrijft. Iedereen drinkt, praat met elkaar en danst, maar Herman Broder zit ergens in een kamer Plato’s Phaedo te lezen: filosofie als de permanente studie van hoe te sterven en hoe dood te zijn. Herman Broder doet niet meer mee met het leven, hij is een dode levende en staat met lege handen. Zonder geloof kun je zelf niet rouwen, denkt hij. Waarop zijn eerste vrouw Tamara reageert: ‘Dát zou een reden om te rouwen moeten zijn.’ De vrouwen in Vijanden: Een liefdesroman zijn in denken en doen daadkrachtiger dan de geleerde ‘ghostwriter’ Herman Broder.