De terugkeer van de grote verhalen

Geesteswetenschappers bevinden zich op de evenwichtsbalk tussen modern universalisme en postmodern relativisme. Steeds meer denkers zoeken opnieuw aansluiting bij ‘de grote verhalen van weleer’.

Medium 8 grote verhalen zijn dood kleur

Nagenoeg iedere student die zich vanaf pakweg de jaren tachtig inschreef voor een studie in de geesteswetenschappen heeft het te horen gekregen: de grote verhalen zijn dood. Deze stelling, waarmee het postmodernisme een motto kreeg, is afkomstig van de Franse filosoof en taalkundige Jean-François Lyotard. De postmodernistische mens, zo schreef Lyotard in La condition postmoderne, gelooft niet meer in vooruitgang, emancipatie door klassenstrijd of beheersing van de wereld door technologie, de richtinggevende verhalen die de mensheid vanaf het einde van de achttiende eeuw in de greep hielden.

Wat Lyotard zag was een tijdperk van microverhalen, een mozaïek van verschillende kleine visies op het menselijk bestaan die geen van alle aanspraak konden maken op ‘de’ waarheid. Maar nu, ruim dertig jaar later, lijken de grote verhalen zowaar uit de dood op te staan. Chantal Bax, als filosoof verbonden aan de Radboud Universiteit, stelt het onomwonden: de afgelopen halve eeuw werd gedomineerd door de ondermijning van de grote verhalen (‘waarheid, autonomie en identiteit’, aldus Bax). Nu constateert ze dat steeds meer denkers opnieuw aansluiting zoeken bij ‘de grote verhalen van weleer’.

Dat de grote verhalen een comeback maken komt onder meer omdat het gefragmenteerde postmodernisme toch niet helemaal bevredigt, zo lijkt het. Al te stelselmatige ondergraving van begrippen als waarheid en identiteit maakt de filosofie in feite impotent, meent Bax. Of neem Klaas van Berkel, hoogleraar vroegmoderne en moderne geschiedenis in Groningen, die in zijn bijdrage stelt dat het doel van publiek gefinancierde wetenschap het ‘bouwen aan een betere wereld’ is. Om dat te kunnen doen is er wél een oordeel nodig over wat dat dan is, die betere wereld. ‘Lange tijd is het bon ton geweest om te doen alsof dat een vraag is waar geen algemeen aanvaard antwoord op mogelijk is’, schrijft Van Berkel. Immers: het postmodernisme schrijft voor dat daar ‘per tijd, per groep, per individu’ verschillend over wordt gedacht.

Van Berkel bindt de strijd aan met deze nivellering. Voor de meeste individuen, waar ook ter wereld, zijn vrijheid, democratie, rechtsstaat en bestaanszekerheid (hij noemt ze ‘pijlers van het Noord-Atlantische deel van de wereld’) zaken om naar te streven. Natuurlijk zijn er accentverschillen, maar de universele waarde van deze vier pijlers staat overeind, meent hij. En daarmee is de behoefte aan vrijheid, democratie, rechtsstaat en bestaanszekerheid een aardige benadering van een nieuw groot verhaal.

Al te stelselmatige ondergraving van begrippen als waarheid en identiteit maakt de filosofie impotent

Voor de goede orde: verschillende auteurs benadrukken dat de dood van de grote verhalen de geesteswetenschappen enorm heeft verrijkt. Omdat de religiewetenschappen afstand namen van hun theologische, impliciet gelovige perspectief ontstond er ruimte om onderstromen in de christelijke cultuur te bestuderen, zo laat hoogleraar geschiedenis van de hermetische filosofie Wouter Hanegraaff in zijn bijdrage zien. Korea-expert Remco Breuker wijst erop dat, in de nasleep van dekolonisatie, ook de stem van de (voormalig) gekoloniseerde een plek heeft gekregen in het geesteswetenschappelijk debat. En zoals Rosemarie Buikema opmerkt heeft haar vakgebied, de cultuurwetenschappen, bijgedragen aan de ontmaskering van universele waarheden, universele rechten en universele smaakoordelen als ‘historische en geopolitiek geladen inzichten’.

Ook Joseph Früchtl beschrijft het postmodernisme als een ‘positieve intellectuele ontwikkeling’ die verhindert dat iemand al te gemakkelijk aanspraak kan maken op ‘de waarheid’. Keerzijde is volgens deze filosoof ‘een verwildering van het denken’. Hij beklaagt zich over ‘hippe’ onderwerpen die de geesteswetenschappen zijn binnengekomen en aan het analytisch denken weinig toevoegen. Dat er nog altijd behoefte is aan grote verhalen, ziet Früchtl terug in de cinema. De grote films van de afgelopen jaren, zoals Avatar, The Tree of Life, Cloud Atlas en Life of Pi zijn volgens hem weliswaar producties die een flinke tik van de postmoderne molen hebben gekregen (het zijn ‘patchworks van westerse verlichte en christelijke ideeën, die een rare, wilde mix vormen met boeddhistische, holistische of zelfs kosmologische ideeën’), maar tegelijk laat hun succes zien dat we nog steeds volop zoeken naar antwoorden op grote vragen als ‘de zin van onze existentie’ en ‘de juiste moraal’.

Wat zich aftekent in de verschillende bijdragen is een soort fusie tussen de grote greep van het modernisme met zijn vooruitgangsgeloof en universele aanspraken en de caleidoscopische blik van het postmodernisme. ‘Post-postmodernisme’ is het label dat Chantal Bax eraan geeft.

Over hoe dat post-postmodernisme er precies uitziet, zijn de geesteswetenschappers nog weinig concreet, het denken daarover lijkt volop in beweging. Volgens Bax gaat het om ‘gewaarschuwd zijn voor hyperbolische theorieën over bijvoorbeeld waarheid en identiteit, maar wel degelijk constructief met deze begrippen aan de slag gaan’. Duidelijk is wel dat met de voorzichtige terugkeer van de grote verhalen ook de denkers die er vorm aan gaven weer in het blikveld komen te staan. Kant, Hegel en Marx, ‘de drie grote denkers van de moderniteit’ aldus filosoof Paul Cobben, zijn de filosofen waar we op dit moment lering uit kunnen trekken.

Ook Cobben beschrijft de evenwichtsbalk tussen modern universalisme en postmodern relativisme. De grote vraag waar de geesteswetenschappen zich volgens hem voor gesteld zien, is wat de verschillende culturen bindt die in een geglobaliseerde wereld met elkaar geconfronteerd worden. ‘Het antwoord op deze vraag’, zo schrijft Cobben, ‘kan niet vanuit een bepaalde cultuur worden gegeven, maar vraagt om een positie die waarlijk universeel is.’ Aan filosofen de opdracht om die universele positie te zoeken.

Vergelijkbaar met Van Berkel die vrijheid, democratie, rechtsstaat en bestaanszekerheid als universele waarden benoemt, zegt Cobben dat de wereldmarkt, ‘die indifferent is voor verschillen tussen culturen’, iets is wat de gefragmenteerde wereld bindt. Een tweede bindmiddel zijn de universele mensenrechten. Natuurlijk is er discussie over de operationalisering van die mensenrechten, aldus Cobben, ‘maar ze drukken in ieder geval de erkenning uit dat ieder mens het recht heeft op zijn eigen cultuur’. Vrijheid, democratie, rechtsstaat, bestaanszekerheid, de wereldmarkt en universele mensenrechten. Ziedaar de oogst van mogelijke nieuwe grote verhalen voor de komende eeuw.