De terugkeer van de klereluis

Het gaat goed met het milieu. Naast de visotter en de zeearend is nu ook de pediculus humanus, oftewel de kleerluis weer gesignaleerd in Nederland. Zijn biotoop is het Winkelhart van Nederland, het Utrechtse Hoog Catharijne.

Het bloedzuigende parasietje, een achterneef van de bekende hoofdluis, maakt het zich gezellig in de kleren van zijn gastheer en voorziet hem, als tegenprestatie, van kleine jeukbultjes op de huid. Volgens de twee artsen die onlangs over de terugkeer van de kleerluis berichtten, bieden tot dusver uitsluitend Utrechtse daklozen onderdak aan het ongedierte. In het altijd prettig verwarmde winkellabyrint schuilen de zwervers dicht bij elkaar, zodat de pediculi zich in hoog tempo onder hen kunnen verspreiden.
In hun artikel voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde noemden de artsonderzoekers het tekenend voor de haveloze omstandigheden waarin veel daklozen leven. Alleen een verbetering van hun sociale situatie kan de klereluis terugdrijven, zo menen de geneeskundigen.
Dit is Nederland op z'n paarst. Herfst 1996: de terugkeer van ongedierte waarvan we aannamen dat het al decennia geleden uitgeroeid was door het hygiënisch geweld van Sunlight, Palmolive en Badedas. En - o heerlijke ironie! - uitgerekend in de hogetempel van de Nederlandse consumptiecultuur, het jubilerende Hoog Catharijne, dat juist in een grootscheepse kwaliteitsslag is verwikkeld.
Sinds kort is in de traverse van deze shopping mole een groot reclamebeeldscherm geplaatst. Daaronder vergapen plukjes krabbende Nederlanders zich aan fris gewassen en glad gestreken landgenoten die hen glimlachend toespreken over interessante hypotheekvormen, het genot van de draadloze telefoon en de weekaanbiedingen van Albert Heijn.
Alhoewel betrouwbare schattingen van het aantal dakloze Nederlanders ontbreken - ramingen variëren van 25000 tot een kwart miljoen - kan iedereen zien dat het legioen thuislozen dagelijks nieuwe recruten werft. En het is allang geen romantisch zwerversgilde van vrolijke Swiebertjes en zachtjes rinkelende hippies meer, maar een multiplexe en bont gekleurde samenleving. Zwakbegaafde oudere mannen, allochtone dealertjes, bedelende Balkan-zigeunerinnen, psychiatrische gevallen, dementerende vrouwen en natuurlijke de mainstream van junkies en zuiplappen. Er lopen routiniers tussen met al meer dan dertig jaar zwerven in de benen, maar ook nerveus krabbelende groentjes: mannen, net door hun vrouw de deur uitgegooid, kinderen nog warm van het bed dat ze juist op kousevoeten sluipend hebben verlaten. Sommige daklozen zijn zwaar vervuild en onaanspreekbaar, anderen zijn welbespraakt en kleden zich smaakvoller dan menigeen van mijn universitaire collega’s.
Maar één ding hebben ze allemaal gemeen: ze kijken moe. Dakloos zijn is een zwaar beroep en heeft niets met romantiek te maken. ‘Ik ben elke dag doodop’, vertelt Herman (45) in het Utrechtse Straatnieuws. Hij zwerft al vanaf z'n dertiende door binnen- en buitenland en leest bij voorkeur Graham Greene en Edgar Allan Poe. Als ik het vak van iemand moest leren, zou ik met Herman aanpappen. Want als regelmatig lezer van de daklozenpers leef ik indachtig het motto 'heden ik, morgen gij!’ Trouwens, het aantal doorwrochte bijdragen in het Straatnieuws over Zenboeddhisme, pauperdom door de eeuwen heen en de beginselen van een ruileconomie, doet vermoeden dat de dakloosheid ook onder academici begint toe te slaan.
In de jaren zeventig pleitten moderne psychiaters voor de zogenaamde verdunningsfilosofie. Gekken moest je niet in geconcentreerde vorm opsluiten, maar 'verdund’ door de samenleving heen gieten. Dat was goed voor de integratie en de 'normalen’ zouden ook eens met een ander oog naar zichzelf kijken.
Tegenwoordig weten we wel beter. Het absorbtievermogen van de samenleving daalt zienderogen en de 'normalen’ raken steeds meer onder elkaar: gezond joggende bovenmensen, uitgerust met een overkill aan sociale vaardigheden en kisten vol flexibiliteit, verschanst in gezinnen die nog veilige vestes zijn in plaats van half open inrichtingen, waaruit de daklozen gevlucht zijn. En terwijl de winners dagelijks met opgeheven hoofden door het Winkelhart van Nederland marcheren, slibt aan de randen van datzelfde hart steeds meer menselijk bezinksel aan: krabbende losers met vermoeide gezichten.
In vroeger eeuwen werden boeven en paupers - meestal een pot nat - gedeporteerd naar verre strafkolonies of opgesloten in 'werkinrichtingen’. In de jaren dertig van onze eigen eeuw pleitten eugenetische artsen en andere rasverbeteraars - ook in Nederland! - voor sterilisatie van asocialen, in het jargon van die tijd ook wel aangeduid als 'minus-varianten’. In de Verenigde Staten, Duitsland en Denemarken werden voor de Tweede Wereldoorlog sterilisatiewetten aangenomen, maar in Nederland kwam het nooit zo ver. Wel bestonden tot ver in de jaren vijftig kampementen voor de heropvoeding van 'onmaatschappelijken’, net als concentratiekampen en goelags bij voorkeur gelegen in een landelijke en afgelegen omgeving. 'Rusland heeft Siberië, Nederland z'n Drentse hei’, zo merkte een van de voormalige bewoners van het Drentse kamp Kremboong ooit bitter op.
Zoiets is in onze beschaafde en tolerante democratie natuurlijk niet meer denkbaar. Wij laten deze 'ontoelaatbaren’ ruimhartig toe in de slagaders van onze welvaartsstaat, als wandelend memento mori. Totdat in de gezellige decemberdrukte de eerste pietjes overspringen en de tweedeling binnen de Nederlandse samenleving in een fractie van een seconde overbruggen.
Jeukende Sinterklaasrijmen en mijn eerste column voor Straatnieuws. En op zoek naar Herman natuurlijk.