Vijftigste Biennale in Venetië

De terugkeer van de olieverf

Venetië en Odessa: universalisme in kunst en voetbal.

Enkele jaren terug werd de competitie tussen de landenpaviljoens in de Gardini nog als wezensvreemd gezien voor de uitgangspunten van vooruitstrevende kunst, nu noemen critici het een verademing tussen de rest van het aanbod op de Biennale van Venetië. Natuurlijk valt er ook dit jaar, op de vijftigste editie van de kunstmanifestatie, weer veel te klagen. «Visueel van een grote schraalheid en inhoudelijk stuitend politiek correct» (Het Parool); «een hel» (The Guardian). Maar de patriottische drift om zich als land te onderscheiden wordt in het algemeen wel toegejuicht. Ging het enkele decennia terug nog om universalistische waarden in de kunst, nu is er lof voor die paviljoens waarin het nationale karakter van een land wordt uitgedrukt in het tentoongestelde werk.

Vandaar ook dat alleen de Spaanse pers boos was over het eigen paviljoen, waar de kunst van Santiago Sierra, alhoewel verwijzend naar een nationaal probleem, alleen voor landgenoten is te zien. De kunstenaar wil de bezoeker aan den lijve laten ondervinden hoe het is om als ongewenste vreemdeling een land binnen te gaan. Daarom blokkeert een muur de ingang tot de kunstruimte. Alleen in het geniep, via het struikgewas bij de achterdeur, kan de bezoeker naar binnen. Maar daar wordt hij, indien niet in het bezit van een geldig Spaans paspoort, er direct uitgegooid door twee politieagenten. Alleen Spanjaarden hebben zich daardoor kunnen vergapen aan de grandeur en luister van de Spaanse hedendaagse kunst. O weggegooide Spaanse subsidie, klagen Spaanse commentatoren.

Het Nederlandse paviljoen toont de nationale aard — en het nationale zelfbeeld — met kunstenaars uit onder meer Benin (Gaba), Spanje (Framis) en Mexico (Amorales). Curator Rein Wolfs wilde «laten zien dat de huidige maatschappij, dus ook van de kunstwereld, multicultureel is». Wolfs was geschrokken van de «verharding» die in Nederland was opgetreden. «Ik dacht dat we bekend stonden als een tolerant land.» En dus nodigde hij voornamelijk buitenlandse kunstenaars uit die hun studie aan de Rijksacademie in Amsterdam hebben voltooid. Want dat is Nederland volgens Wolfs.

De criticus verkiest deze maanden overduidelijk internationale verschillen boven het ijle internationalisme van minimalistische videokunst en onbegrepen (of onbegrijpelijke) installatiekunstwerken. Dat is wel anders geweest. Ooit werd de kunst voornamelijk door universalistische idealen gedreven, waardoor het modernisme een beangstigende eenvormigheid kreeg, van Zimbabwe tot Lapland, van Amerika tot Tokio. Toch stagneerde de ontwikkeling in de kunst nooit, omdat andere modernistische idealen voor het nodige conflict zorgden, zoals de gedachte dat een kunstwerk autonoom en zelfs «uniek» moet zijn, gecombineerd met de daaraan gelieerde opvatting dat kunst over zijn eigen grenzen moet stappen, dat goede kunst per definitie grensverleggend is.

In het vermaak van de grote getallen, in de voetbalsport, is de zucht tot uniformering even groot als in het modernisme van de laatste vijftig jaar. Niet alleen waar het de regels betreft, ook de spelopvatting verspreidt zich bij elk groot toernooi als een olievlek over alle deelnemende landen. Grensverleggend of uniek hoeft het spelletje van niemand te zijn, (misschien op een innovator als Cruijff na), waardoor een voetballiefhebber overal in de wereld een wedstrijd kan bezoeken en die ook zonder enig hermeneutisch probleem van begin tot einde kan volgen.

Natuurlijk, ooit was het een janboel. Toen Kandinsky zijn baanbrekende doeken schilderde, weigerde een Engels team te spelen bij een Nederlandse club waar drie bomen op het veld stonden. (De Nederlandse spelers maakten er handig gebruik van.) Maar nadat aan het einde van de negentiende eeuw het idee werd afgeschoten om met hoge hoeden te spelen, heeft de Fifa grensverleggende gekkigheden weten te vermijden, en slechts op internationale schaal enkele uiterst voorzichtige vernieuwingen doorgevoerd.

Zelf belandde ik afgelopen week op de tribune van de voetbalclub Tsjernomorets Odessa. Samen met 21.000 toeschouwers zie ik hoe onder leiding van scheidsrechter Kran de absolute nummer 1 van de Oekraïne, Dinamo Kiev, aantreedt tegen de middelmatig voetballende trots van de kustplaats Odessa. Ik spreek de taal niet. Toch weet ik precies wat er aan de hand is. Geen spelregel is me onbekend, de ballenjongens dragen dezelfde hesjes als in de Arena en ook het gedrag van de supporters is begrijpelijk voor me.

Vanaf het eerste fluitsignaal valt Kiev aan. Ook ik voel hoe het publiek aanvankelijk berust in een nederlaag. Maar naarmate meer kansen van Dinamo door de eigen spitsen om zeep worden geholpen en de keeper boven zichzelf uitstijgt, voel je hoe de spanning in de lichamen en geesten van de Odessa-supporters groeit. En wanneer de wave voor het eerst verslapt, even na de rust, scoort Odessa een afzichtelijke maar niet onreglementaire goal. Ik weet precies wat er zal gebeuren: de spelers blijven minutenlang op het veld om na afloop het publiek te danken. Na de wedstrijd rijden er urenlang voornamelijk Lada’s met vlaggen toeterend door het centrum. Ook ik voel de opwinding, al ken ik geen speler van Odessa bij naam. Universele regels en een uniforme uitvoering werken niet altijd verlammend.

In het Engelse paviljoen op de Biennale van Venetië lijken ze ook in de kunst weer op zoek naar eeuwige schoonheid. Niet in werken waarin het lokale in vorm en inhoud tot uitdrukking moet komen, maar in het aloude olieverfschilderij, met vormen die naar de visueel waarneembare werkelijkheid verwijzen. Juist in het land waar het voetballen ontstond, groeit een hernieuwde belangstelling voor de schilderkunst — als we het aanbod van het paviljoen als exemplarisch of profetisch mogen beschouwen voor de ontwikkelde smaak in het organiserende land.

Chris Ofili is de schilder. Zijn doeken zijn niet grensverleggend, opgebouwd uit kleine stipjes verf. Tegen arcadische achtergronden omhelzen zwarte mensen elkaar. Of er gewonnen wordt, kan alleen de bezoeker beoordelen. Dat is dan weer het lastige van kunst: niet iedereen ziet de schoonheid van het spel. Het hangt ervan af of je een fan bent.

Vijftigste Biennale in Venetië tot november 2003 Inlichtingen: www.labiennale.org