Fortuynisme vs Paars

De terugkeer van de politiek

Onder Paars leek de politiek op sterven na dood. Met het succes van Pim Fortuyn zien de gevestigde partijen zich gesteld voor een revolutionaire omwenteling in de politieke orde.

Op een bijeenkomst van het Politiek Forum van de Partij van de Arbeid, afgelopen zaterdag in Utrecht, beklaagde een van de afgevaardigde leden zich over het intellectuele gehalte van haar partij. Tijdens een tamelijk emotionele bijeenkomst na de eclatante overwinning van Pim Fortuyn in Rotterdam verklaarde de vrouw dat haar partij «te intellectueel» was geworden. Ze doelde op de discussies in de partij, de publieke optredens van de lijsttrekker, de diverse publicaties — de Partij van de Arbeid sprak «de taal van het volk» gewoon niet meer. Wie in de voormalige arbeiderspartij weet nog wat er op de straat speelt? Wie kent nog een ander idioom dan het ambtenarenproza?

Maar het is niet alleen de PvdA waar dit probleem aan de orde is. Het debat met de landelijke lijsttrekkers, in de nacht na de NOS-uitslagenavond op televisie, was niet alleen onthutsend door de obstruerende PvdA-voorman Melkert die in een half uurtje de verkiezingen leek weg te geven, maar ook omdat alle politieke kopstukken, van welke politieke kleur ook, een Haags jargon spraken dat niet opgewassen bleek tegen de stem des volks, in dit geval vertolkt door Pim Fortuyn. Dijkstal, Melkert, Balkenende, De Graaf en Rosenmöller — ze verstaan vooral elkaar. Hun Binnenhofbargoens maakt het hoegenaamd onmogelijk om met een betrekkelijke buitenstaander in debat te treden, zoals bleek. De kloof tussen burger en politiek, waarover in hetzelfde Haagse beleidsjargon nu al tientallen jaren op zorgelijke toon wordt geredetwist, had niet beter geïllustreerd kunnen worden.

Pim Fortuyn, die zoals hij zelf meermalen opmerkte geenszins «uit het niets» is opgekomen, spreekt wonderlijk genoeg ondanks zijn excentrieke en ietwat afgezonderde levensstijl nog wél die taal van het volk. Jarenlang was hij kritisch volger van het regeringsbeleid, waarover hij schreef in zijn column in het weekblad Elsevier en sprak voor de ondernemers van Harry Mens’ Business Class. Dat waren niet alléén verhalen van de onderbuik — hij nam heus ook weleens een overheidsrapportje ter hand om zijn meningen te staven. Hij beheerste dus het jargon, zag perfect op welk micro niveau de politieke discussie met name de laatste acht jaar is gevoerd. Hij begreep het halve woord in de toespraak van Melkert, of het politieke nut van het weglaten van een bepaalde zin in een interview met Dijkstal. Maar in tegenstelling tot veel andere mensen die op welke wijze dan ook de politiek op de voet volgen, slaagde hij erin zich niet te conformeren aan het Haags dat slechts gesproken en verstaan wordt door de kleine groep Binnenhofbewoners. Hoezeer Fortuyn de taal verstond, hij kon als een tolk voor de massa de taal van de burgers blijven spreken. Dat is voor een columnist mooi meegenomen en voor een politicus ideaal. Vooralsnog legt het hem in ieder geval geen windeieren.

Het onbehaaglijke gevoel over de staat van de Nederlandse politiek wordt, zo bleek de laatste weken, op twee niveaus beleefd, maar de pijlen richten zich op hetzelfde euvel. De ontevreden kiezer van Fortuyn spreekt over «meel in de mond» bij de Haagse kliek van elkaar de hand boven het hoofd houdende politici en met de perstribune vergroeide parlementair journalisten. De professionele volgers van de politiek — de wetenschappers, publicisten en beschouwende journalisten — klagen over het gevoel van democratisch ongemak bij doorgeslagen consensusdrift en poldergeest. Ze verklaren, zoals Paul Scheffer vorige week in NRC Handelsblad, de opkomst van Fortuyn uit de weinig verheffende politieke situatie die Wim Kok cum suis de laatste jaren brachten.

Scheffer appelleerde aan een eerder geventileerd onbehagen over de doorgeslagen consensus waar bijvoorbeeld ook de Amsterdamse politicoloog Jos de Beus in publicaties op heeft gewezen. Met het begin van regeringssamenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten in 1994, was de laatste onoverbrugbaar geachte kloof in de Nederlandse politiek geslecht. Het Nederlandse onderhandelingsmodel had zijn uitwerking gehad, leerden de kritieken, en de ultieme consensus bleek mogelijk. De Haagse onhebbelijkheid van de laatste twintig jaar om nog voordat een eigen visie is geformuleerd al richting het later te bereiken compromis te redeneren, werd onder Paars geperfectioneerd. Tot in de details dichtgetimmerde regeringsakkoorden en voor de burger oncontroleerbare politieke gedachtewisselingen achter de gesloten deuren van Koks Torentje, maakten de politiek alleen maar ondoorgrondelijker. Terwijl Klaas de Vries (PvdA) en Frits Bolkestein betoogden dat de politiek ze niet saai genoeg kan zijn — dat zou immers een teken zijn van adequaat bestuur — wendde de burger zich af van de Haagse arena. Campagneorganisaties en one-issue-bewegingen als Greenpeace, de ANWB en Natuurmonumenten zagen hun ledenbestanden pieken, terwijl nog maar een schamele drie procent van het Nederlandse electoraat zijn maandelijkse contributie naar een politieke partij overmaakte.

De overmatige consensus lijkt voor de Leefbaar-kiezers een van de belangrijkste drijfveren voor de onvrede geworden. Natuurlijk, er zijn grote problemen in de zorg, scholen worden nauwelijks schoongemaakt en treinen rijden niet op tijd. Maar deze problemen in de collectieve sector lijken voor de aanhangers van Fortuyn en Leefbaar Nederland van minder belang dan de algehele sfeer van lamlendigheid die de Nederlandse politiek de laatste jaren uitstraalde. Veel Fortuyn-kiezers die de laatste dagen op radio en televisie aan het woord kwamen, lieten blijken naast Fortuyns kanttekeningen bij het vreemdelingenbeleid nauwelijks van enig inhoudelijk program op de hoogte te zijn. (Het officiële landelijke verkiezingsprogramma van Fortuyn wordt zijn deze week te verschijnen boek De puinhopen van acht jaar Paars.) Toch wilden ze het maar eens proberen, de lijst-Pim. In veel andere steden dan Rotterdam, zo bleek voorafgaand aan de verkiezingen van woensdag, waren veel mensen voornemens eveneens op Fortuyn te stemmen. Dat hij slechts in Rotterdam op de lijst stond, bleek velen ontgaan.

De onstuimige opkomst van Leefbaar Nederland (en Pim Fortuyn) is het afgelopen jaar weliswaar met buitengewoon veel mediabelangstelling gevolgd, slechts weinig verslaggevers leken de partij werkelijk serieus te nemen. Steeds weer werden ridiculiserende stukjes geschreven en werd gepreludeerd op de onvermijdelijke implosie van Nagels schepping. Terwijl Fortuyn 25 november vorig jaar op on-Nederlandse wijze werd gepresenteerd als lijsttrekker en hij een aarzelende Leefbaar Nederland-achterban met een toespraak van een half uur compleet voor zich wist te winnen, bespraken veel commentatoren niet meer dan het mallotige «at your service» en Fortuyns eerste nederlaag in de partij, het verworpen asielquotum.

Toen Fortuyn na het geruchtmakende interview in de Volkskrant, waarin hij «werd ontmaskerd», het veld moest ruimen als lijsttrekker, was de Haagse politiek er als de kippen bij om het leefbare sprookje over en uit te verklaren. Fortuyn noch Leefbaar Nederland zou zonder de ander een deuk in een pakje boter kunnen slaan, jubelden de gevestigde partijen en met hen de kluwen van politieke volgers. Tuurlijk, een paar zeteltjes krijgen ze nog wel, de ontevredenen, maar de desastreuze cijfers die er aanvankelijk leken aan te komen, waren nu voorgoed verdwenen. Ook de PvdA was opgetogen. Wat merkwaardig was gezien de warme belangstelling van vooral de VVD-kiezer voor de nieuwe partij met Fortuyn aan het roer. Ad Melkert leek meer prioriteit te geven aan het buitensluiten van Haagse binnendringers dan aan het winnen van de verkiezingen. Na de iets te gretige reacties op het gewraakte interview volgde al met al een bij nader inzien nogal voorbarige opluchting over Fortuyns vertrek als stemmentrekker van Leefbaar Nederland.

Tot verbazing van velen waren het in Rotterdam niet alleen de vijftigjarige proteststemmers die op Fortuyn stemden — de voetbalsupporters zoals hij die beschrijft — maar voor een aanzienlijk deel betrof de aanhang «nieuwe kiezers»: 18- tot 24-jarigen die voor het eerst de gang naar de stembus maakten. Uit een representatieve peiling van vóór de gemeenteraadsverkiezingen, uitgevoerd door het Amstelveense onderzoeksbureau Team Vier, bleek dat stemgerechtigden met een leeftijd van achttien tot veertig jaar voor maar liefst tweevijfde deel de intentie hebben op Fortuyn te stemmen. Fortuyn representeert het «TMF-gevoel», zeggen jongeren op televisie. Hij ruikt niet naar structuurnota’s en planologische kernbeslissingen, maar naar clubs en discotheken, naar succes en tegendraads leiderschap. Jan Peter Balkenende is de «nerd» en Melkert het beste jongetje van de klas. Pim Fortuyn daarentegen is een pestkop, de dondersteen die niet alleen de docent tot wanhoop drijft, maar ook de met hem samenzwerende nerds en beste jongetjes van de klas. De kwalificatie «Sjors van de rebellenclub» van een in dit kader traditioneel politicus als Frits Bolkestein, is voor de TMF-generatie waarschijnlijk alleen maar een aanbeveling.

Zonder noemenswaardige andere kandidaten, zonder serieus partijprogram en zonder leden (wat een schimmige financiering van de partij welhaast onvermijdelijk maakt), slaagde Fortuyn erin de gunst van het grootste deel van de kiezers in Rotterdam voor zich te winnen. Hiermee lijkt hij sneller dan verwacht de al jaren door politicologen «onafwendbaar» genoemde ontwikkeling richting «toeschouwersdemocratie» en het model van de donateurs- of campagnepartij geïnstitutionaliseerd te hebben. In de toeschouwersdemocratie, een term van de Fransman Manin, verworden kiezers tot theaterbezoekers: aan het eind van de voorstelling wordt een oordeel geveld over de prestatie op het (politieke) toneel; kiezers rekenen na een regeerperiode af met de gekozenen en de politici zijn zich dat te allen tijde zeer bewust. In een voortdurende professionele campagne, veelal via de televisie gevoerd, wordt geprobeerd de «consument», de zwevende kiezer, warm te houden voor de partij. Fortuyn vertegenwoordigt die toeschouwersdemocratie in optima forma. Als hij zijn succes op 15 mei kan vervolgen, dan zou dat derhalve een bijkans revolutionaire gebeurtenis zijn voor de partijpolitieke geschiedenis. Wanneer Fortuyn er de komende jaren in Rotterdam (en na 15 mei mogelijk ook landelijk) niet in slaagt de boel op te schudden, dan rekenen de kiezers hem daar onherroepelijk weer op af.

De campagnestrategieën van VVD en PvdA worden na de zege van Fortuyn aangepast, geven de partijen eerlijk toe. Het lijkt niettemin onwaarschijnlijk dat Dijkstal en Melkert zich een TMF-look laten aanmeten om met Fortuyn te kunnen concurreren. Ze zullen hoogstens krampachtige pogingen gaan ondernemen hun Haagse harmonieteksten om te zetten in botsende stellingen.

Ze zullen het conflict opzoeken, zoals Hans Wiegel dat doet. Met diens openlijke sollicitatie naar het premierschap in een kabinet met Fortuyn blaast het orakel uit Diever nieuw polariserend leven in de politieke polderbrij. Hans Dijkstal, die symbool staat voor de paarse samenwerking waar de doorgeslagen consensus voor een belangrijk deel aan te wijten is, zal de moed danig in de schoenen gezonken zijn. Zeker nu de mogelijkheid om Wiegel in te zetten, sinds jaar en dag een verklaard tegenstander van Paars, zelfs door VVD-voorzitter Bas Eenhoorn serieus wordt overwogen.

De rentree van de politieke tegenstelling, met dank aan Wiegel en Fortuyn en door de politiek murw geslagen Nederlander zo vurig verlangd, maakt de aanstaande kamerverkiezingen tot de spannendste in jaren. Een hoge opkomst ligt in het verschiet, alhoewel daar vorige week nog niets van te zien was. Bij de gemeenteraadsverkiezingen werd een nieuw dieptepunt gehaald. Voor een belangrijk deel was dit toe te schrijven aan allochtonen, die ondanks stembureaus in moskeeën en specifiek op Marokkanen gerichte campagnes niet de moeite namen een stembiljet in te vullen. Zelfs de goed georganiseerde Turken, die in Amsterdam in 1994 nog voor 67 procent naar de stembus gingen, bleken nu (mogelijk als gevolg van het diversiteitsbeleid van demissionair wethouder Van der Aa, dat de zelforganisaties vernietigde) nauwelijks te zijn opgekomen. Slechts 28 procent nam de moeite te stemmen. Anders dan voor de gemeenteraad hebben buitenlanders die niet zijn genaturaliseerd bij de parlementsverkiezingen geen stemrecht. Wellicht dat daarmee de gemiddelde opkomst op 15 mei hoger uitvalt en de opgeschudde politiek zich kan opmaken voor een aantal ongetwijfeld chaotische jaren met een lastige lijst-Fortuyn.