Menno Hurenkamp

De terugkeer van de verkokering

In een vernietigend rapport maakt de Algemene Rekenkamer deze week gehakt van het Nederlandse armoedebeleid. Nederland was nog nooit zo rijk, maar alle pogingen de laatste armen te verheffen zijn gestrand in goede bedoelingen. Althans, daar heeft het alle schijn van. Want of de vijf miljard die de afgelopen jaren in de onderkant van de maatschappij zijn gepompt iets hebben uitgericht, blijkt onbekend.

De minister van Sociale Zaken zegt in een nogal laf antwoord best tevreden te zijn over de prestaties. De politieke ambitie iets aan de armoede te doen was de afgelopen jaren dan ook wel degelijk aanwezig. Sterker nog, negen ministeries waren betrokken bij het maken van plannen tegen sociale uitsluiting. Negen departementen — eigenlijk waren alleen de ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking niet betrokken bij de armoede in Nederland! Dan kun je op je vingers natellen dat een wirwar aan regelingen zal blijken te bestaan, vol met leuke dingen voor gehandicapte armen, bejaarde armen, aan lager wal geraakte popmusici en bedelaars uit Midden- en Oost-Gelderland.

Niets is gemakkelijker dan vanuit de heup te vuren op de bureaucraten die in Den Haag rare plannetjes maken, maar het slagveld aan acties overziend kun je niet stellen dat de armen er bekaaid zijn afgekomen. De Rekenkamer vindt dat het echte probleem is dat al dat beleid zonder doelen tot stand kwam. Het is vaag wanneer je arm bent en het is vaag wie daar wanneer wat aan moet doen en vooral: wanneer dat geholpen heeft. Zo weet je niet wat de maar liefst 79 nieuwe maatregelen tegen financiële gebrekkigheid voor zin hebben. Toch was het van alle betrokkenen ratio neel om vaag te doen. De jaren negentig kenmerkten zich door een cocktail van verzwegen politieke tegenstellingen, een groot geloof in de mogelijkheden van maatwerk en een ruime hoeveelheid geld. Dat leidt tot weinig sturing en veel beleid — raketbrandstof voor de ambtenarij. Niet voor niets ontbreekt in de analyse van de Rekenkamer dan ook de beroemde klacht over de verkokering van de bureaucratie.

Protest tegen verkokering hoor je als er niets van de grond komt, onder meer omdat allerlei ambtenaren elkaar het leven zuur maken. Tien jaar geleden was het feit dat iedere klerk zijn eigen domein afschermde en zo algemene maatschappelijke verlamming in de hand werkte een buitengewoon populaire klacht. Naarmate iedereen die wat te mopperen had geld kreeg van de overheid, verloor die ergernis zijn legitimiteit. Als je de minister van Sociale Zaken de schuld gaf van je armoede, kreeg je van hem geld. Als je zijn collega van Verkeer en Waterstaat erop aansprak, tastte die blijkbaar ook in de buidel. Maar nu is het geld op en een nieuwe regering kan zich die afkoopsom van de slechte overheidsorganisatie niet meer veroorloven. Armoede, maar ook andere niet scherp omlijnde thema’s als kennis (is het onderwijs, is het economie?) worden daar het slachtoffer van. Om die aanstaande opleving van de verkokering tegen te gaan heb je toch nodig waar ook de Rekenkamer om vraagt: politici die heldere doelen kiezen.