EEN ‘DERDE WEG’ VOOR CHINA?

De terugkeer van Kong Fuzi

IN HET KEIZERLIJKE China (221 voor Christus–1911) bestonden er geen intellectuelen, althans niet in de zin van een elite die onafhankelijk denkt en originele oplossingen aandraagt om de wereld te verbeteren.
Het Chinese woord voor intellectueel betekent ‘kenniselement’. De enige kennis die er duizenden jaren lang toe deed, was die van de Vijf Klassieken en Vier Boeken, werken van vóór het begin van onze jaartelling, sommige zelfs van bijna duizend jaar daarvoor. In deze boeken – waarin de Lunyu (Verhandelingen) van Confucius een centrale plaats innemen – wordt uitgelegd hoe de mens zich in zedelijk en sociaal opzicht moet gedragen. Metafysische vraagstukken over de oorsprong van de wereld, het leven na de dood en overige existentiële zaken worden niet behandeld. Dat was het domein van het boeddhisme en het taoïsme, religies die door de keizer en zijn ambtenaren werden getolereerd (en dikwijls ook beleden), maar nooit de status van geopenbaarde waarheid kregen.
Deze status was voorbehouden aan het denken van Meester Kong, de grote wijsgeer die leefde rond 500 voor Christus. Zijn volledige naam, Kong Fuzi, werd door de Jezuïeten in de zeventiende eeuw gelatiniseerd tot Confucius. Zijn leer vormde de lesstof van de examens die iedere ambtenaar moest afleggen, een curriculum van een zo hoog moeilijkheidsgehalte dat slechts een paar procent van de kandidaten slaagde voor de examens op landelijk niveau. De graadhouders van dit examen werden Jinshi genoemd (‘ambtenaren die naar binnen gaan’), waarmee gedoeld werd op het binnentreden in de hal waar de keizer zetelde – een voorrecht dat normale stervelingen was ontzegd.
Het ging deze bevoorrechten er niet om de wereld vorsend te begrijpen en waar nodig te verbeteren (de klassieke taak van de westerse intellectueel), maar om de reeds gemanifesteerde waarheid in stand te houden en waar nodig voor keizerlijke overtredingen te behoeden. Het archetype van dit geweten van de natie was de onkreukbare Qu Yuan, een hoge ambtenaar van de staat Chu die leefde in de derde eeuw voor Christus. Hij waarschuwde zijn koning voor de plannen van Qin (het koninkrijk dat kort daarop heel China zou verenigen) om Chu aan te vallen. Besmeurd door jaloerse collegae werd Qu Yuan van het hof verbannen. In ballingschap schreef hij smartelijke verzen over de corruptie van zijn dagen, maar hij uitte daarin tevens zijn onwrikbare trouw aan vorst en vaderland. Nadat Qin de staat Chu had ingenomen, pleegde Qu in wanhoop zelfmoord door zich in een rivier te werpen.
Ook Yue Fei, een generaal uit de twaalfde eeuw, moest zijn loyaliteit met de dood bekopen. Na de verovering van Noord-China door de barbaren opende Yue een succesvolle tegenaanval en stond hij op het punt om het verloren grondgebied weer in te nemen. Dat zinde zijn tegenstanders niet en ze belasterden hem bij de keizer. Op verdenking van verraad werd Yue Fei teruggeroepen en geëxecuteerd. Een lot waarop zijn vader hem als jongeman al had voorbereid: ‘Als je aangesteld bent om de zaken van deze tijd te bestieren, moet je bereid zijn tot offers en te sterven voor je plicht.’
Qu Yuan en Yue Fei worden nog steeds in vele tempels vereerd als goddelijke wezens die tot het hoogste offer bereid waren om het land zuiver en bij elkaar te houden. ‘Geef mij mijn bergen en rivieren terug’, zo luidt de tekst boven het standbeeld van Yue Fei in het aan hem gewijde mausoleum in de stad Hangzhou.

De klassieke deugden van oprechtheid, onkreukbaarheid en trouw aan de natie passen prachtig in enkele cruciale doelstellingen van de huidige leiders in Peking: bestrijding van de corruptie en het terugbrengen van Taiwan in de Chinese moederschoot. De ongekende confucianistische revival van de laatste jaren verhoogt de status van de eerlijke ambtenaar nog meer. Maar in China weet je het nooit, het verleden staat altijd in dienst van het heden en reputaties worden even gemakkelijk gemaakt als gebroken.
In 1959 verscheen het pamflet Hai Rui uit zijn ambt ontslagen, een lovende verhandeling over een zestiende-eeuwse ambtenaar die het – zelfs voor een rechtschapene – krankzinnige voorstel indiende om de keizer wegens wanbeheer af te zetten. Anders dan Qu en Yue kon Hai Rui het vege lijf redden door het plotselinge overlijden van zijn soeverein. In 1965 opende Yao Wenyuan, later gebombardeerd tot het duistere brein van de Bende van Vier, een vernietigende aanval op het pamflet. Het zou een indirecte kritiek zijn op Mao (de keizer), die in 1959 de populaire, recht voor zijn raap pratende maarschalk Peng Dehuai (Hai Rui) op uiterst vernederende wijze had weggezuiverd.
Yao’s artikel leidde tot een grootscheepse campagne tegen alle echte en vermeende tegenstanders van Mao en wordt wel gezien als het startpunt van de Culturele Revolutie. De schrijver van het pamflet, Wu Han, werd vervolgd tot de dood er in 1969 op volgde, en zelfs Hai Rui ontsnapte, een paar eeuwen na zijn dood, niet aan de toorn van Mao’s Rode Gardisten: zijn graf op het eiland Hainan werd vernietigd. Later werd het omgebouwd tot een mausoleum en werd Hai Rui naast Qu Yuan en Yue Fei weer opgenomen in het pantheon der onkreukbaren.
Voor de huidige keizer van China, ook wel partijleider genoemd, is de vergoddelijking van confucianistische rolmodellen niet zonder risico. Sinds de zevende eeuw werden Chinese ambtenaren geselecteerd door middel van examens, en niet op grond van de juiste connecties of loyaliteit aan het regime. Een meritocratie die zijn weerga niet kende, en zeker niet in Europa, dat tot 1800 werd beheerst door adellijke families en absolutistische vorsten. Met de machtsovername in 1949 door Mao werd dit eeuwenoude beginsel resoluut overboord gezet: loyaliteit aan de partij was veel belangrijker dan talent, en selectie van partijkaders door examens was helemaal uit den boze. Zoals Mao zelf zei: ‘Het is beter om rood te zijn dan expert.’
De boeiende vraag is of met de herontdekking van het confucianisme de partij de consequenties van haar keuze aanvaardt en de bestuurders van het land op bewezen geschiktheid benoemt, ongeacht hun politieke kleur. Als dat lukt heeft China een fascinerende ‘derde weg’ te bieden, een platonische filosofenstaat die het midden houdt tussen parlementaire democratie en dictatuur. Fascinerend voor China, maar ook voor de wereld. Rond 2035 zal de economie van China groter zijn dan die van de VS. Wordt het land een bully of vredestichter? Een internationale samenwerker of tegendraadse nationalist? Het antwoord op die vragen hangt in belangrijke mate af van de keuze van het politieke model.