Francis Wheen

De terugkeer van Marx

De theorieën van Karl Marx worden, vooral in Amerika, weer serieus genomen. De Marx-biografie van journalist Francis Wheen is het eerste belangrijke boek over de kapitalistenschrik na de instorting van het communisme.

Francis Wheen, Marx: Een biografie

Uitg. De Bezige Bij, 380 blz., ƒ59,50

Ten tijde van de eerste uitgave van Das Kapital probeerde Friedrich Engels, de trouwe bond ge noot, ghostwriter en financier van Karl Marx, publici teit te genereren door vijan dig gezinde recensies onder pseudoniem te sturen naar verschillende bourgeois dagbladen. Slechte publiciteit is ook publiciteit; de wetten van de marketing waren toen weinig anders dan nu. Maar het kan natuurlijk uit de hand lopen. Het recente instorten van vrijwel alle communistisch geregeerde landen was waarschijnlijk iets meer slechte publiciteit dan het marxisme kon verdragen.

De anekdote over Engels komt uit de nieuwe Marx-biografie van journalist Francis Wheen. Deze biografie is het eerste belangrijke boek over Marx dat verschijnt na de instorting van het communisme. Wheen probeert duidelijk een post-Koude-Oorlog-visie op Marx te ontwikkelen. Dat is geen geringe uitdaging. Met in het achterhoofd de grandioze composthoop van lijken die het communisme achterliet, is het lastig om niet voortdurend de vraag te stellen: hoe heeft het zo kunnen gebeuren? Je loopt de kans jezelf te kijk te zetten als een retrospectieve Madame Zora die in de theebladeren van gisteren het onheil van vandaag probeert te lezen. Wheen voorkomt dit en probeert Marx te portretteren als mens en als man van zijn tijd.

De opkomst en ondergang van Marx’ filosofie is een van de meest adembenemende, inspirerende en tragische gebeurtenissen uit de geschiedenis. Op het toppunt van zijn invloed werd de helft van de wereldbevolking geregeerd door zijn volgelingen. «De leeuw uit Trier» is daarmee verreweg de grootste geestelijk leider die de wereld ooit heeft gekend. Hij eindigt ruim boven Confucius, Boeddha, Jezus en Mohammed. Maar deze vier religieuze helden beschikten duidelijk over een langere adem dan Marx. Toen de Duitsers hun pik houwelen in de Berlijnse muur zetten, knapte het marxisme als een zeepbel.

Overigens moeten we de teloorgang van het marxisme als serieus te nemen filosofie wel ruim voor 1989 plaatsen. Al in de jaren zeventig, als linkse intellectuelen de wind juist in de rug lijken te hebben, beslechtten Karl Popper en Leszek Kolakovski het echte debat. Niet ten gunste van Marx welteverstaan. In dezelfde tijd stond in Rusland een generatie op die geen enkele boodschap meer had aan het marxisme en met verholen cynisme, walging en apathie reageerde op de aan hen opgelegde ideologie. Het was deze interne rotting die twintig jaar later leidde tot de ondergang van het communisme als staatsideologie in Rusland en ruim baan gaf aan de diepe morele depressie waar dat arme land zich nog steeds in bevindt. Tussen haakjes: de vaak gehoorde uitspraak dat de Sovjet-Unie en China helemaal niet marxistisch werden geregeerd, omdat hun staatsvormen gebaseerd waren op wanbegrip en verdraaiing van het marxisme, is even waar en tegelijkertijd even onzinnig als de uitspraak dat Italië geen katholiek land is omdat de mensen zich daar niet houden aan de katholieke moraal.

Misschien zijn de critici van het marxisme door de gebeurtenissen van 1989 te veel op hun lauweren gaan rusten, want sinds een paar jaar klinkt er uit onverwachte hoek een hernieuwde interesse voor Marx’ gedachtegoed. Dit keer zijn het vooral globaliseringseconomen die Marx herontdekken als verrassend moderne analyticus van het mondiale kapitalisme.

Die opleving komt, niet onverwacht, vooral uit de Verenigde Staten. In dat land tenslotte is het politieke en intellectuele debat veel heftiger gepolariseerd dan in Europa. De antimarxistische kritiek is daar veel militanter, onverdraagzamer en vaak van een veel lager niveau, waardoor de impuls van kritische intellectuelen om zich juist wel met Marx bezig te houden, een stuk sterker is.

Het startschot voor deze revival kwam van econoom John Cassidy die in 1997 in twee artikelen voor de New Yorker gewag maakte van zijn herontdekking van Marx. Cassidy liet Marx’ socialistische utopieën links liggen en concentreerde zich op diens analyse van de kapitalistische economie. Inderdaad biedt Marx’ analyse van het kapitalisme inzichten die 150 jaar na het ontstaan van zijn filosofie nauwelijks aan kracht hebben ingeboet. Zo voorspelde Marx dat kapitaal steeds nieuwe markten nodig heeft om zijn producten af te zetten en daardoor de neiging heeft mondiale handelsbelemmeringen op te heffen. Ook legde hij uit dat het kapitalisme steeds afhankelijker zal worden van technologische innovatie, waardoor de invloed van de menselijke arbeid (en zij die arbeid leveren: het proletariaat) steeds geringer zal worden. Beide beweringen lijken volledig van toepassing op de nieuwe global economy met zijn steeds vrijere wereldhandel en enorme nadruk op technologische innovatie. Het inderdaad shockerende feit dat op dit moment de helft van ’s werelds economie in het bezit is van maar 225 mensen, noemt hij bewijs voor Marx’ beroemde Verelendungs-theorie (de buitengewoon lastige versie van de gemeenplaats dat de rijken steeds rijker en de armen steeds armer worden). Cassidy schuwt de retoriek niet. Hij noemt Marx zonder blikken of blozen «the next big thinker» en om zijn verhaal kracht bij te zetten citeert hij zelfs een beurshandelaar die het marxistische licht heeft aanschouwd: «Hoe langer ik op Wall Street rondloop hoe meer ik ervan overtuigd ben dat Marx gelijk had.»

Cassedy’s artikel raakte desalniettemin een gevoelige snaar. Er volgden artikelen over het oplevende marxisme in The New Statesman en zelfs in het vurig kapitalistische The Economist. Twee redacteuren van dat laatste blad betuigden uitgebreid hun respect voor Marx in hun boek over de global economy: A Future Perfect: The Challenge and Hidden Promise of Globalization. Arjo Klamer, cultuureconoom aan de Erasmus Universiteit, bekende in Pro, het clubblad van de PvdA, zijn sympathie voor de Amerikaanse pomomarxisten (postmodern marxists), die hij in Amerika bij honderden tegelijk op congressen ontmoette.

Ook Francis Wheen blijkt niet ongevoelig voor deze nieuwe kijk op het marxisme. In zijn buitengewoon leesbare, aanstekelijke boek worden nog wel meer staaltjes gegeven van Marx’ frappant voorspellende gaven. Marx voorzag al in de jaren veertig van de negentiende eeuw de komst van grote, allesverwoestende wereldoorlogen (hij is misschien zelfs de uitvinder van het woord «wereldoorlog») en stelde dat het economisch zwaartepunt van de wereld verplaatst zou worden naar zuidoost Azië, dat in Marx’ tijd nog grotendeels afgesloten was van het Westen en rustig zijn eigen Middeleeuwen doorleefde.

Wheen doet een poging tot rehabilitatie van Marx, zij het zeer voorzichtig, afstandelijk en intelligent. Hij laat zich nergens verleiden tot onzinnige aanspraken en wordt nooit drammerig (de klassieke ondeugd van marxisten). Hij probeert niet «de historische noodzakelijkheid» van de wereldrevolutie te verdedigen, net zomin als de «grosse Kladde ra datsch», «de klassestrijd», «de dictatuur van het proletariaat», of de geneugten van het gemeenschappelijk versus het privé- bezit. Hij weet veel te goed dat Marx ook cruciale zaken over het hoofd heeft gezien. De opkomst van de dienstensector bijvoorbeeld, of de verwoestende, onstuitbare kracht van het nationalisme.

Hij portretteert Marx bewust in al zijn tegenspraken. De onverzoenlijke intrigant versus de liefhebbende echtgenoot, de genadeloze polemist versus de beminnelijke vader, de ijskoude, hyperintelligente theoreticus versus de warme, intieme brievenschrijver. Dat voortdurend naar voren brengen van al die paradoxen in Marx’ leven en werk is soms een wat opzichtige truc, maar zeker niet zonder effect: het boek blijft tot het einde toe zeer boeiend.

Je kunt je nauwelijks een geschikter onderwerp voor een biografie wensen dan deze bebaarde kapitalistenschrik. Als zoon van een geëmancipeerde jood en Pruisisch kleinburger leek hij niet in de wieg gelegd voor een grote intellectuele carrière. Maar al op zeer jonge leeftijd, tijdens zijn studie in Berlijn, ontpopt hij zich tot een beruchte, vlijmscherpe analyticus. Nog voor zijn 24ste wordt hij een geziene en beruchte filosoof in het zeer filosofenrijke, nog niet vereende Duitse Rijk. Hij schrijft een roman en een paar gedichtenbundels, hij verwerpt Hegel, keert terug tot Hegel, bekritiseert Feuerbach, vernedert Schelling en begint in de tussentijd een tijdschrift dat het establishment doet verstijven en de censuur grijze haren geeft.

Op zijn dertigste had hij de basis van zijn revolutionaire gedachtegoed al gevormd. In één geniale beweging verenigde Marx de filosofie van de achttiende-eeuwse materialisten met de romantische kritiek daarop uit de negentiende eeuw. Hij stal van de onafzienbare stoet voornamelijk Franse socialistische theoretici alles wat hij nodig had voor zijn eigen theorie, om vervolgens de resten van dat socialistische denken met ongehoord polemische verbetenheid naar de mestvaalt der geschiedenis te verwijzen. Hij openbaarde zijn vers verworven inzichten in 1848 in het beroemdste en meest gevreesde politieke pamflet ooit: het Communistisch manifest. Twintig dagen na die publicatie stond heel Europa in brand en lagen Marx’ stellingen op de lippen van alle revolutionairen in Europa.

De liberale filosoof Isaiah Berlin zegt terecht dat alleen al vanwege het schrijven van dat ene stuk Marx wereldfaam verdient. Maar zijn meest glansrijke aanspraak op eeuwige roem moest nog komen. In 1867 publiceerde Marx eindelijk het hoofdwerk waaraan hij tientallen jaren had gewerkt: Das Kapital. De tijd die ligt tussen het Commu nistisch manifest en zijn grote filosofische en economische meesterwerk was voor hem een tijd van enorme ontberingen. Gekweld door een voortdurend bittere armoede verloor hij drie kinderen en bijna zijn vrouw. (Wheen wijdt een van de meest ontroerende delen van zijn boek aan de dood van Marx’ zoontje Edward). De Duitse filosoof die door alle regeringen in Europa werd gevreesd en als balling in Londen leefde, probeerde in zijn levensonderhoud te voorzien door journalistiek werk en kon zijn gezin enkel voeden met aardappelen. Hij werd financieel geholpen door Friedrich Engels, die voor Marx vele duizenden ponden stal uit de kas van zijn vaders katoenfabriek. Dagen bracht hij door in de bibliotheek van het British Museum waar hij onder andere vele jaar gangen van The Economist (!) doorspitte om de werkelijkheid van de kapitalistische maatschappij te kunnen doorgronden.

Het is vooral vanwege die passages in Das Kapital waarin hij het kapitalisme analyseert, dat de hippe economen die de globalisering propageren ineens menen dat Marx een geestverwante voorloper was.

Deze eclectische visie op Marx werpt echter wel wat problemen op. Het kapitaal is geen zuivere analyse van de kapitalistische bourgeois maatschappij, maar een traktaat gericht op politieke actie. Het doel van zijn theorieën was niet de werkelijkheid te analyseren maar haar te veranderen. Het is daarom bijvoorbeeld onmogelijk een van zijn inzichten los te zien van de noodzakelijkheid van een proletarische revolutie. Marx’ visie is een onverbrekelijke eenheid, wat tot de paradoxale conclusie leidt dat wie Marx in details gelijk geeft, hem in zijn geheel moet afwijzen.

In Wheens biografie komt Marx veel menselijker, onschuldiger en ongevaarlijker naar voren dan in eerdere, misschien meer uitgesproken antimarxistische biografieën het geval is geweest. Wheen voelt niet meer de behoefte om de complete Marx te beoordelen. Maar als een zo ideologisch denker als Marx geen polemiek meer opwekt, als zijn economische filosofie een soort grabbelton wordt waaruit iedere publicist zijn eigen ontdekking kan vissen, is dat het onbetwistbare bewijs van de dood van zijn theorieën. Onbedoeld heeft Wheen Marx met zijn biografie nu daadwerkelijk tot een imposante buste uit het verleden gebombardeerd. En als we Marx’ eigen theorieën zouden moeten volgen betekent dat noodzakelijkerwijs: de schroothoop. Want hoeveel belang Marx ook hechtte aan de geschiedenis, je kon van haar hoogstens iets leren over de ontwikkeling van de mensheid en alleen in die zin dat zij een blik biedt op de toekomst. Voor Marx was de geschiedenis een doorlopende, onomkeerbare ontwikkeling met de socialistische heilstaat als onbetwistbaar einddoel. Ieder tijdperk in de geschiedenis was een onvervangbare fase op weg naar de heerlijkheid en kon alleen in dat opzicht geïnterpreteerd worden. Het idee dat personen of denkbeelden uit het verleden een echte, blijvende, onveranderlijke betekenis kunnen hebben die evenzeer voor nu als voor gisteren van waarde kan zijn, was voor Marx niets meer dan naïeve, ijdele, zwakzinnige laster. Daarom is Wheens biografie, meer dan een poging tot rehabilitatie, toch vooral een grafschrift geworden.

Er is niets aan te doen, het marxisme is door de geschiedenis zelf in het ongelijk gesteld en de geschiedenis, dat wist niemand beter dan Karl Heinrich Marx, is onverbiddelijk.