ARCHITECTUUR: Stedelijk Museum

De terugkeer van Willem Sandberg

Vorige week leidde architect Mels Crouwel de pers rond in het bijna-affe Stedelijk Museum in Amsterdam. Deze Crouwel is een dekselse kerel, een gewiekste politicus, gepokt en gemazeld in het vagevuur dat ‘overheidsopdracht’ heet.

Minzaam zag hij de catfight aan die zich ontspon tussen de wethouder en de directeur over de gestegen exploitatiekosten en de korting op de subsidie; hijzelf toonde zich vooral zeer tevreden. Zijn museum is voltooid volgens plan: een nieuw gebouw met daarin en daaronder enkele kolossale zalen. Alles bij elkaar zeventig procent meer tentoonstellingsruimte. In het oude gebouw alle rommel opgeruimd. Klimaat en licht op hoog niveau gebracht. Nieuwe vloeren. Het oude gebouw in zijn waarde gelaten en het interieur van het nieuwe gebouw daaraan gelijkgeschakeld. Goede nieuwe functies – familie­kamers, kinderkamers, een auditorium waar je ook kunt dansen, een ruime foyer die opent naar het Museumplein, enzovoort.

Het curieuze is dat de vorm van de nieuwbouw, de badkuip-met-luifel, frivool en gewild-contrasterend oogt, bedekt met een (door de sponsor gefourneerde) witte coating, maar volgens Crouwel is die nieuwbouw juist functionalistisch. De grote luifel maakt mogelijk dat de pui van glas is, voorkomt dat de witte wand vies wordt en houdt de bezoekers droog die er in de rij zullen staan. In de oplopende wanden is de luchtzuivering enzovoort ondergebracht.

Omdat de renovatie en de nieuwbouw zo ergerlijk lang geduurd hebben, is inmiddels in de nevelen verdwenen wie eigenlijk de geestelijk vader van dit Stedelijk is. Wie heeft het programma van eisen ’t meest vormgegeven? Wat voor visie op de kunst in de 21ste eeuw stak daarachter, als er al een visie achter stak? Het oude gebouw van Adriaan Weissman is door Willem Sandberg in 1938 voor het eerst met de witkwast bewerkt. Dat heeft wereldwijd school gemaakt, en dus heeft Crouwel dat gerespecteerd, anders dan in het Rijksmuseum, waar onder Cruz en Ortiz het kleurige decor geheel is teruggebracht. Sterker nog, er is in het Stedelijk vrijwel geen kleur te bekennen, op de gele tube rond de roltrap, twee werken van Lawrence Weiner en de Appelbar na. Ik vermoed dat het de directeuren Fuchs en Van Tuyl waren die de Sandberg-doctrine in het programma van eisen hebben geschreven. In feite staat het nieuwe Stedelijk daarmee met één been midden in de twintigste eeuw, via Sandberg verbonden met opvattingen van museumdirecteuren als Alfred Barr van MoMA New York en Alexander Dorner uit Hannover, die weer dicht tegen het Bauhaus aan stond. Voor het leeuwendeel van de Stedelijk-collectie is die context waarschijnlijk de juiste; het levert de ideale omgeving voor wat Charles Esche in dit blad ‘het doorgronden van het erfgoed van de moderniteit’ noemde, de moderniteit die duurde tot 1989. Daaruit valt ook af te leiden wat de eerste opdracht van de huidige directeur is: de stad dat ‘moderne’ museum van weleer teruggeven. Tweede opdracht: dat malle amateuristische logo skippen (een blamage).

En dan eindelijk eens aan iets heel anders beginnen, verdorie. Ik zou het bijvoorbeeld heel verrassend vinden om die stijlkamers van de douairière Lopez Suasso weer eens te zien, waar het allemaal mee begonnen is.


Stedelijk Museum Amsterdam, Benthem Crouwel Architekten. Opening voor het publiek op zondag 23 september. Fingers crossed