De terugtredende burger

De ambitie om wethouder te worden? Meteen lid worden van een politieke partij, want het moment dat er tegenover elke te vervullen functie een lid staat, is nabij. Bij de gezellige buurtcomiteetjes is het daarentegen dringen geblazen. Een rondgang.
SOMS STOVEN ZE plankgas door zijn straat. Veel te laat, als de banden die het gepiep hadden veroorzaakt al lang om de hoek waren verdwenen, haastte zijn vrouw zich dan naar buiten om te kijken of hun zoontje nog leefde. De politie verklaarde niets tegen dit soort rijgedrag te kunnen doen. Maar een kind moet rustig op straat kunnen spelen. Tijdens een buurtbraderie bleek het ongenoegen bij meer mensen aanwezig. Voor het eerst in zijn leven had hij zich politiek bevlogen gevoeld en hij besloot er werk van te maken.

Resultaat was de oprichting van een comité, dat zich vastberaden ‘Red onze kinderen’ doopte. Hun Vivaldistraat moest omgetoverd tot een nachtmerrie voor de gemotoriseerde mens. Inzet was een tiental in grindbeton uitgevoerde bloembakken. Weliswaar moest de hele straat dan worden opengebroken, maar daar kwam dan mooi een kindveilig slalomparcours voor in de plaats. Contact werd gelegd met raadsleden, en petit comité kwam een verklaring tot stand alsmede een concept-begrotinkje en na twee jaar was het zover. De Vivaldistraat, erkend als onveilig voor kinderen, kreeg een halve ton toegewezen uit de gemeentepot. Niet genoeg voor het bloembakkenparcours, wel voor een glooiende weg van drempels. Hij heeft de smaak te pakken gekregen en behartigt thans in het schoolbestuur het belang van beter lesmateriaal voor zijn zoon.
DIT IS DE actieve burger anno 1997. Hij is feit noch fictie, maar een gedaante die uit onderzoeken opdoemt. De burger die deelneemt aan besluitvorming en bereid is tijd te investeren in de vormgeving van de samenleving. Voor hem begint de verbetering van de wereld bij hem zelf. Startpunt is dan ook zijn directe omgeving, daar begint zijn verbeelding te werken. Vlak voor zijn ramen strekt zich het domein uit waar veranderingen zich laten bedenken. Van hem geen overkoepelende wereldbeelden en galmend moralisme. Hij kent zijn verantwoordelijkheden. ’s Avonds zet hij zich in voor de arbeidskansen van de volgende generatie en als thuisbankier zet hij de nodige handtekeningen onder donaties voor Stichting Natuurmonumenten en de Novib.
Hoe graag had de lokale afdeling van de PvdA, de VVD, D66 of om het even welke partij deze actieve burger in haar gelederen opgenomen. Natuurlijk is hij nog steeds welkom, onze held van de Vivaldistraat, al geloven de partijen niet werkelijk hem te kunnen verleiden. Anders was dat wel gebeurd.
De politieke partijen stevenen af op een drama en dat weten ze. Afdelingsbijeenkomsten worden slechts bezocht door een handvol getrouwen, bijna allen zestig of ouder. Sterfte heeft een definitief lek in de afdelingsbestanden geslagen en ieder jaar zijn er weer die de moeite nemen hun lidmaatschap op te zeggen. Om het droevige tafereel te completeren is de aanwas verwaarloosbaar. Iedere afdelingsavond blijft de zaalverhuurder met een halve hotelcake zitten.
In de verzuilde samenleving van de jaren vijftig waren 730.000 personen lid van een politieke partij. Dat is anderhalf maal zoveel leden als de huidige partijen bijelkaar tellen, bij een bevolking die ettelijke miljoenen kleiner was. In de jaren zestig begon de curve te dalen en dat zette zelfs door toen er kabouters, hippies en Damslapers op het toneel verschenen. De laatste twee decennia hebben de ledentallen een snoekduik ingezet. Terwijl de partijen aan de flanken, klein links en rechts, nog wel groei kennen, maken de grote partijen zich op voor een noodlanding. Het Documentatiecentrum voor Politieke Partijen in Groningen spreekt in haar jaarlijkse doodsberichten steevast van een 'vrije val’, waarbij dit jaar werd aangetekend dat de bodem in zicht komt.
Gerrit Voerman van het Documentatiecentrum becijfert dat alle politieke partijen, op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau, overleven door noeste partijtrouw uitgezweet op zo'n dertigduizend functies, variërend van het wethouderschap tot het penningmeesterschap met folderplicht. Dit jaar heeft het actieve lidmaatschap de 31.000 bereikt, zodat volgens de schattingen het publiek van afdelingsavonden vrijwel samenvalt met de beschikbare bestuursleden. 'Nog even, dan houdt het voor bepaalde afdelingen echt op. Dan gaan er gaten vallen’, voorspelt Voerman.
DIE GATEN vallen al. Nemen we Amsterdam, het dorp van deelraden waar de omloopsnelheid onder wethouders hoger is dan waar ook. Van de eerste generatie deelraadsbestuurders glibberden na onophoudelijk gesmijt met taarten ruim tien bewindspersonen de deelraadskantoren uit. Onder de tweede generatie, die haar termijn nog niet eens heeft afgesloten, is al hetzelfde aantal politici gevloerd, hetzij na een motie van wantrouwen, hetzij door een flits van zelfkennis. De diagnose van fractievoorzitter van GroenLinks, Henk Keuler, klinkt weinig bemoedigend: 'Er zijn gewoon te veel politieke ambten te vullen voor de partijen’, zegt hij. 'Tenminste, als je er een beetje zinnige personen wilt neerzetten.’
Deze personele nood valt vreemd genoeg samen met een algehele tevredenheid over de politiek. Al jaren is in Nederland tussen de 64 en 74 procent van de bevolking 'zeer’ tot 'tamelijk’ tevreden over de verrichtingen in het parlement en de gemeenteraden - gemiddeld twintig procent meer dan in de rest van de Europese Unie. De opkomst bij verkiezingen geeft ook weinig reden tot ongerustheid. Behalve langdurig werklozen en senioren die zuchten onder het jarenlange huisarrest van hun uitkering vindt bijna iedereen dat hij goed wordt vertegenwoordigd en dat het land degelijk tot bevredigend wordt bestuurd.
Al deze blozende inwoners mogen wat zorgeloos en zelfgenoegzaam lijken, zelfzuchtig zijn ze in ieder geval niet. Nederland staat in de wereldlijst van het vrijwilligerswerk onbedreigd bovenaan. Bijna de helft van de totale bevolking voert pro-deohandelingen uit ten nutte van de medemens of een andere maatschappelijke bestemming. Vrijwilligers zoeken niet alleen tijdverdrijf, talloze enquêtes profileren een menstype dat bovendien 'iets nuttigs’ wil doen, 'iets wil bijdragen aan de samenleving’. Ook giraal blijkt Nederland buitengewoon actief. In de afgelopen vijftien jaar, waarin bijvoorbeeld de PvdA 38 en de VVD 37 procent van haar leden verloor, wisten enkele vrijwilligersorganisaties niet hoe ze de toestroom moesten verwerken. Een volk door charitas bevangen: Greenpeace begon met een kleine 20.000 leden en telde er in 1994 maar liefst 700.000, de Stichting Naturmonumenten bereikte eenzelfde omvang en Artsen zonder Grenzen steeg van nul naar een half mljoen donateurs. Voor internationaal opererende organisaties AzG en Greenpeace is Nederland een pijler in het budget.
Het is een rare tegenstelling. Wat is er toch met de politiek gebeurd?
De ontwikkeling van het ledental beschrijft het einde van een ballistische baan, vanaf het hoogtepunt van de verzuiling steeds steiler omlaag. Na de oorlog was vijftien procent van de bevolking aangesloten bij een partij, tegenwoordig nog geen drie. Toch is er, in de jaren zeventig, een opleving geweest. Een uitbarsting van politiek elan die de neus van het projectiel even oprichtte. Onvoorstelbaar bijna, maar ruim twintig jaar geleden bood en eiste de politiek uitkomst in menig doordeweeks wissewasje. In de volksvertegenwoordiging stonden sociaal-democratie en liberalisme briesend tegenover elkaar. Daarbuiten werden de verschillen al net zo aangedikt. Haardracht, kleding, studie, muziekkeuze, houding tijdens de geslachtsgemeenschap - waarmee kwam je eigenlijk niet uit voor je politieke richting? Stellingname was de belangrijkste expressievorm, gelijk hebben was een manier van leven. Een politieke en de enige juiste.
Maatschappij, vooruitgang, toekomst, alles heette 'maakbaar’. Met dit merkwaardige begrip pleitte Den Uyl voor de spreiding van kennis, macht en inkomen, een drievuldig geloofsgoed dat de ideale samenleving dichterbij bracht. Het drukte een hartstochtelijk optimisme uit, een oproep de handen uit de mouwen te steken.
Een raadselachtig begrip, 'maakbaar’. Het zou het commentaar kunnen zijn dat een automonteur geeft als een rokend wrak aan zijn zorgen wordt toevertrouwt. Maar met 'maakbaar’ werd beslist niet 'repareerbaar’ bedoeld. Want de politiek dacht, droomde en ontwierp vooral op basis van beginselen. Alleen het totaal was interessant genoeg. Alleen voor maakbaarheid vergaderde men halve dagen en speldde men buttons op de borst. Later, in onze tijd, is het zoiets gaan betekenen als stuurbaar, maar dan in meewarige zin, verwijzend naar een archaïsch geloof in de almacht van de overheid. Toch was diezelfde maakbaarheid het beste wat de politiek na tien jaar van leegloop was overkomen. Het drukte uit wat de democratie vermocht, want die nieuwe wereld ging er komen; voor allen door allen.
Achteraf kunnen politici alleen nog maar jaloers zijn op het prestige dat hun métier toen had. In plechtige beginselprogramma’s werd de waarheid uitgevonden en de toekomst bewezen. Zoveel was nog denkbaar. Graaf Otto von Bismarck schijnt politiek ooit omschreven te hebben als 'de kunst van het mogelijke’, een wetenschap die de IJzeren Kanselier terecht zijn nachtrust en een geregelde spijsvertering ontnam. Want er schuilt veel waarheid in. De politicus is een projectontwikkelaar van de verbeelding. Hij bedenkt onze wensen, zijn streven is onze vooruitgang. De politicus is een standwerker in beloften en hoe groter de pretenties van de politiek, hoe fonkelender de perspectieven. Politiek kan niet zonder verbeelding en een ideologie is de verbeelding maximaal ingezet.
Maar met het verdwijnen van de ideologieën zijn tevens de gordijnen van de toekomst weggetrokken. Sindsdien is het improviseren geblazen in een groot chaotisch Nu. Behalve uiteraard voor de kleine christelijke partijen, met de bijbel als eeuwig kompas, en de Socialistische Partij, waar de afschuw over Paars zodanig is dat het programma een zuiver diapositief biedt van het kabinetsbeleid.
MET DE VERBEELDING is tevens de legitimiteit van politieke partijen in de problemen geraakt. De Tweede Kamer is niet meer het centrum van de macht. Kamerleden die werkloos worden, merken tot hun verbijstering hoe gering hun nut buiten het parlement is. Mark Bovens, hoogleraar rechtsfilosofie aan de universiteit van Utrecht, ziet de 'kunstenaars van het mogelijke’ aanklungelen. Maar kunnen ze anders? 'Politiek is strijd om de macht. Wie bepaalt hoe de samenleving eruit gaat zien? Die strijd zal nooit ophouden. Alleen gaat die niet meer tussen alleen partijen en kabinetten. Multinationals, laboratoria, lobbies en niet te vergeten de Europese Unie hebben een immense invloed. Het is al met al veel moeilijker voor te stellen dan vroeger wat de politiek nog kan klaarspelen.’ Hij verwijst naar het paarse kabinet. 'De tegenstellingen uit de jaren zeventig zijn naar elkaar toe gegroeid.’
Keuler van GroenLinks heeft een achtergrond die idealistisch genoeg is om de val van de verbeelding te overzien. 'Het klimaat is volstrekt veranderd. Zowel het electoraat als de politiek is doortrokken van pragmatisme. Vroeger was het maakbaarheid, nu geldt het primaat van de haalbaarheid.’
De werkzaamheden in de deelraden zijn ernaar. Besturen betekent vooral het dichten van gaten in de kas, het aan elkaar knopen van de laatste eindjes. Keuler kent genoeg mensen die actief zijn in de milieubeweging die zijn fractie dolgraag aan de boezem zou drukken. 'Maar die zien er echt niets in om in die machteloze politiek te zitten roeren. Kost ze ook veel te veel tijd, zeggen ze.’ Het hedendaags activisme kenmerkt zich voor hem door 'een zekere vrijblijvendheid’.
HET IS DE vraag of 'vrijblijvendheid’ iets is wat de activist moet worden aangerekend. Het Sociaal en Cultureel Planbureau, dat vrijwilligend Nederland al een poos volgt, gelooft van niet. Als er maar betrokkenheid is. In een recent rapport schrijft het bureau: 'De individualisering heeft haar sporen achtergelaten in het maatschappelijk midden, zonder dat dit een afname van maatschappelijk engagement betekende.’
Alleen de vorm is veranderd, lijken de onderzoekers te zeggen, het engagement is gelukkig nog onverminderd aanwezig. Het doet denken aan die evenwichtsregel uit de natuurkunde, de Wet van Behoud van Energie. Snelheid gaat over in warmte als er op de rem wordt getrapt; dadendrang zoekt naar andere uitwegen als de reguliere politiek te veel weerstand oproept.
En zo leeft het moderne engagement bij vrienden en buren thuis, in de rij bij de supermarkt of op een braderie. Een buurt kan een verbluffende graad van solidariteit halen als er een tippelzone dreigt. Als het doel aanslaat, worden die dingen vlot geregeld. Korte vergadertijden; geen fractiediscipline; geen sociale controle en partijrituelen die even achterhaald zijn als tijdrovend. Tijd is het leven zelf, iets waarvan iedereen doordrongen raakt als hij een avond aan een tl-overgoten formica tafel heeft doorgebracht. Daarom hebben verbeelding en daadkracht een rekensom gemaakt. De buurtactivist streeft naar een zo kort mogelijke wachttijd tussen actie en resultaat en noemt zijn ambitie 'realistisch’. Haalbaarheid is het credo. Geen wonder dat de politiek het nakijken had. Het engagement triomfeerde waar het een gebruikersvriendelijke organisatie aantrof, zoals bij de redding van het regenwoud. Ondertussen lijkt de politiek aangeland bij de laatste maten van haar zwanezang. In een periode van terugtredende overheid verdween de landelijke politiek uit de verbeelding. Of beter gezegd: de verbeelding ging zich richten op het ingrijpen in de onmiddellijke omgeving of het bereiken van een doel ver over de grens. Beide onbereikbaar voor de boekhoudende politiek.
MAAR DE LAATSTE 31.000 actievelingen vechten voor het lijfsbehoud van hun stand. In Stichting Politieke Vormende Projecten bijvoorbeeld, waarin bijna alle jeugdafdelingen van de landelijke partijen samenwerken om 'de jeugd’ te laten kennismaken met politiek. Een gemeente kan voor slechts 2500 gulden een dag laten organiseren waarop schoolkinderen in de gemeenteraad beslissen over een aantal projecten. Tevens wordt de gemeente geacht een bedrag beschikbaar te stellen om het uitverkoren project uit te voeren. 'De kinderen leren politieke overwegingen maken’, aldus Jeroen de Veth van de stichting, 'en merken zodoende dat de politiek ingrijpt in hun gewone leven. We proberen hun omgeving weer wat te politiseren.’ De meerderheden besluiten vaak tot de aanleg van speelplaatsen, aldus De Veth.
De wetenschappelijke bureaus van de VVD en het CDA zoeken het in een laatste oprisping van 'maakbaarheid’. Daar heerst de opvatting dat belangengroepen zich niet langer direct tot bewindslieden mogen richten maar zich bij de geëigende politieke partij dienen te vervoegen. Een vorm van concurrentievervalsing waaruit de wanhoop eens te meer naar voren komt. Mark Bovens vindt dat het bedrijfsleven de politiek te hulp moet komen en middels soepeler verlofregelingen makkelijker tijdelijk afstand van talenten moet kunnen doen. 'Met het verdwijnen van politieke kleur zullen zakenkabinetten steeds vaker voorkomen’, meent hij. Maar de gemeentelijke politiek schiet daar niets mee op. Het meest realistisch is misschien wel het voorstel van de Socialistische Jongeren om politiek 'gewoon leuker’ te maken, vooropgesteld dat dit te verenigen valt met het voortbestaan van politieke partijen.