De terugtredende democratie

De staat verstrekt de koffie, de burger zorgt zelf voor de room. Ziedaar het ‘cappuccino-stelsel’: de droom van Frits Bolkestein, de nachtmerrie van Meindert Fennema. Voorproefje van een debat.
Bolkestein en Fennema debatteren op maandag 11 maart om 11.00 uur in de Oude Manhuispoort te Amsterdam.
Meindert Fennema, De moderne democratie: geschiedenis van een politieke theorie. Uitgeverij Het Spinhuis, 301 blz., f39,75.
OP 11 MAART zal VVD-fractievoorzitter Frits Bolkestein in debat treden met Meindert Fennema, hoofddocent in de politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam en zo langzamerhand de democratoloog van dit land. Toen de burgemeester van Zwolle vorige week de CD toestemming gaf voor een demonstratie, was het Fennema die uit de doeken deed waarom de man eigenlijk niet anders kon: hoe kun je, vroeg hij zich af, verdedigen dat de CD wel zendtijd krijgt en een subsidie om die te vullen, maar haar mening niet in een geweldloze demonstratie mag verkondigen?

Fennema heeft de democratie wetenschappelijk lief. Hij schreef er onlangs weer een boek over, De moderne democratie: Geschiedenis van een politieke theorie. Fennema geeft hierin zijn lezers overigens duidelijk te kennen dat ze naast zijn boek nog diverse andere auteurs moeten lezen, waaronder klassiekers als Adam Smith, Tocqueville, Max Weber, Karl Marx en niet te vergeten Condorcet (1743-1794), die geloofde in een constante vooruitgang. Fennema mag, bij alle neutraliteit die hij als wetenschapper probeert te handhaven, een vriend van Condorcet worden genoemd.
Frits Bolkestein zal het derhalve moeten opnemen tegen een politicoloog en socioloog die bevoegd is ieder mogelijk falen van de democratie te signaleren. Een man die van mening is dat onbelemmerde groei van de markteconomie de ongelijkheid in de maatschappij doet toenemen, en dat vermindering van gelijkheid altijd een bedreiging voor het functioneren van de democratie is. Bolkestein zal dit waarschijnlijk bestrijden. In een recent interview toonde de VVD-leider zich voorstander van wat het ‘cappuccino-stelsel’ wordt genoemd. De staat zorgt in dat model slechts voor de koffie. Voor de room moet de staatsburger dan zelf zorgen; die krijgt de vrijheid zich geheel, gedeeltelijk of niet in te dekken door het sluiten van verzekeringen.
ALS FENNEMA begint te praten over zijn wetenschappelijk stokpaardje, ontkom je niet aan de door hem noodzakelijk geachte historische ondergrond. In vrijwel alle politieke filosofieen over democratische staatsvormen vind je terug dat een zekere mate van maatschappelijke gelijkheid voorwaarde is voor het doelmatig functioneren van een democratie. Fennema: 'Natuurlijk stoelt de democratie niet op een echte verdelingstheorie, alhoewel veel socialisten dachten dat democratie en herverdeling synoniem waren. Ook de liberalen vonden dat een minimum aan maatschappelijke gelijkheid noodzakelijk was als basis voor de democratie. Welnu: de vooronderstelling van de klassieke liberalen is steeds geweest dat de vrije markt zowel tussen de naties als binnen een natie de gelijkheid zou bevorderen. Als je daarvan uitgaat, dan heb je een probleem als je merkt dat de vrije markt de sociaal-economische gelijkheid niet bevordert.’
Fennema heeft een heldere visie op de recente historie. In een voordracht die hij eind vorig jaar in Groningen hield over het onderwerp, stelde hij: 'De periode 1945- 1975 vormde het hoogtepunt van de liberale democratie. De profetie van de klassieke democratie leek werkelijkheid te worden. De vrije markt leidde, binnen een democratisch bestel, tot grotere economische gelijkheid. Sociaal-democraten en liberalen vonden elkaar in een democratisch project waarin, met inachtneming van het recht op eigendom, politieke vrijheid en economische gelijkheid hand in hand gingen.’
Maar toen kwam de economische crisis. Er ontstond structurele werkloosheid en de werking van de vrije markt maakte de armen steeds armer en de rijken steeds rijker. De afgelopen twintig jaar, constateert Fennema, is de inkomensongelijkheid met ten minste vijftien procent toegenomen. 'Het impliciete uitgangspunt van de klassieke democraten werd daarmee ondergraven.’ En dan komt Fennema met een beschuldiging die Bolkestein in de ziel moet treffen: 'Nu is een vraag aan de orde die de liberalen zich nooit gesteld hebben: kan een democratisch stelsel blijven functioneren als de maatschappelijke ongelijkheid niet kleiner maar juist groter wordt?’
Volgens Fennema manifesteert zich in de maatschappij een duidelijke wens naar denivellering, vooral ook - anders dan men zou mogen verwachten - onder linkse kiezers. 'Gaat de oude vooronderstelling over de samenhang tussen democratie en economische gelijkheid nog steeds op?’ vraagt hij zich af. Zie het niet te miskennen ontstaan van wat de 'onderklasse’ genoemd wordt. Door niet (meer) naar de stembus te gaan vormen de burgers in de onderklasse een categorie van 'passieve burgers’. Hij eindigt zijn Groningse betoog met de pathetische roep: 'In hoeverre is dit een blijvend verschijnsel en in hoeverre zal de terugtredende overheid gevolgd worden door een terugtredende democratie?’
Fennema maakt zich extra zorgen over wat hij noemt de allochtone onderklasse. Een hard feit is dat de meeste allochtonen niet meedoen. Je hoeft niet al te veel fantasie te hebben om daar het gevaar van in te zien. Naast de allochtone onderklasse heb je de autochtone onderklasse. Met een, uiteraard gevaarlijke tendens om als er al gestemd wordt, op ultra-rechts te stemmen.
De maatschappelijke ongelijkheid wordt ook bepaald door bijvoorbeeld geboorte. Dat los je toch nooit op?
Fennema: 'Het is een groot misverstand dat het democratisch credo zou betekenen dat alle mensen gelijk geboren worden. Het democratisch credo is wel dat we doen alsof alle mensen gelijk op de wereld komen. Maar dat valt alleen vol te houden als de kloof tussen credo en werkelijkheid niet te groot wordt. Ik beweer dus dat de afgelopen 25 jaar de realiteit steeds meer is gaan afwijken van het geloof waarop de democratie is gebaseerd.
Behalve een hoge mate van economische gelijkheid heeft de democratie ook een zo groot mogelijke spreiding van kennis nodig. Natuurlijk, sinds de vooroorlogse crisisjaren is de expansie van het onderwijs enorm geweest. Maar de laatste twintig jaar zie je ook hier een ombuiging van de curve. En dat is niet goed.’
Dat de massaliteit van vooral het hoger onderwijs heeft geleid tot vervlakking is een gegeven dat we moeten accepteren, vindt Fennema. De voordelen van de spreiding wegen niet op tegen de nadelen. 'Maar veel erger is wat gebeurt in het basisonderwijs. Er is een ernstige uitval in ons schoolsysteem. Ik durf te stellen dat we in bepaalde delen van ons schoolsysteem een rampzalig verval hebben doorgemaakt.’
Wat zal Bolkesteins commentaar hierop zijn?
Fennema: 'Hij zal waarschijnlijk zeggen dat het zo'n vaart niet loopt.’
WE HEBBEN DE uit de hand gelopen democratiseringsgolf gehad in de jaren zeventig. Is wat er nu gebeurt een reactie daarop?
Fennema, toentertijd een van de rebellen, ziet een bredere trend: 'Veel mensen vinden nu dat de democratiseringsgolf waanzin was, maar de democratisering was een episode in een trend naar grotere gelijkheid, een trend die nu wordt teruggedraaid. En dat terugdraaien gaat veel verder dan de meeste mensen zouden willen.’
Fennema wil niet als een cultuurpessimist worden beschouwd. De gevaren onderkennen en duiden is nog geen pessimisme. Hij noemt nog een facet: de atomisering in de maatschappij. Als socioloog ziet hij die zowel in de politiek als in de economie. 'Ook binnen het bedrijfsleven vermindert de sociale samenhang. De “platte organisatie” en de flexibilisering van de arbeidsverhoudingen heeft een aantal onbedoelde effecten. Mensen “hoppen” van de ene job naar de andere en dat heeft zijn weerslag in de sociaal-politieke sfeer. Het begrip solidariteit verdwijnt uit het woordenboek van de postmoderne burger. Atomisering leidt tot gevoelens van sociaal isolement en dat leidt, op zijn beurt, tot vormen van hypernationalisme. Hannah Arendt wordt, ook in dat opzicht, helaas weer actueel met haar observaties over de oorzaken van het marxisme en het totalitarisme.’
Het is duidelijk wat Fennema wil: Bolkestein mag het dan wenselijk vinden dat het regeerakkoord na twee jaar paars tegen het licht gehouden wordt, hij zou zich eerst moeten afvragen of dat wat hij wil niet aan de fundamenten van onze liberaal-democratische samenleving knaagt.