De theetuin-therapeut

Hij vond dat zwakzinnigen ook mensen waren en dat ze moesten kunnen uitgaan, drinken, vrijen en blowen als ieder ander: ‘Aan een zwakzinnige is niets menselijks vreemd, evenmin als aan een zogenaamd normaal mens iets zwakzinnigs vreemd is.’ Het was een brede, vooruitstrevende en zelfs ronduit verstandige opvatting, maar de wijze waarop directeur Carel Muller van 1971 tot 1974 revolutie schopte in het Dennendal-paviljoen van de Willem Arntz Stichting viel bij werkelijk iedereen in verkeerde aarde: bij zijn collega’s, bij het stichtingsbestuur, bij de ouders en bij heel conservatief Nederland.

In het kielzog van de democratiseringsgolf van de jaren zestig wilde Muller afrekenen met de gevestigde orde in de psychiatrie. Groepswerkers en patienten stonden voortaan op gelijke voet (en mochten bijvoorbeeld ongehinderd met elkaar naar bed), terwijl de bemoeienis van psychiaters, logopedisten en andere specialisten werd geweerd. Sterker nog: alle buitenstaanders, inclusief de ouders, waren de vijand. Maar ook binnen de muren werd de basisdemocratie met ijzeren vuist doorgezet: elke collega die het niet met Muller eens was, plaatste zich in zijn woorden ‘buiten de groep’.
Toen enkele medewerkers in het voorjaar van 1971 het bericht verspreidden dat de directeur 'kabouter-verplegers’ uit de Oranje Vrijstaat van Roel van Duyn aantrok en de inrichting in een 'hasj-tempel’ omtoverde, kwam het tot een uitbarsting. Terwijl De Volkskrant en de PSP het voor Muller opnamen, ging De Telegraaf tekeer alsof het spook van Raspoetin in Den Dolder was neergestreken. 'Patient verdronk in bad’ en 'Reeds drie patienten kwamen om’, luidden de foutieve koppen, waarbij het weekblad Accent de dieptrom roerde: 'Men ruikt hier Kremlinlucht.’
Het conflict werd bezworen door de aanstelling van oud-minister Veldkamp (KVP) als interimbestuurder, maar de hooibroei onder Mullers collega’s was onstuitbaar: 'Ze noemen hem nu wel een kabouter, maar hij is een bijzonder autoritaire man. Heel goed en lief voor zijn patienten, maar autoritair.’ En zo dachten de ouders er - met 118 tegen twee stemmen - ook over. Nadat Veldkamp was vervangen door de ex-Maagdenhuisbestuurder Drechsler, die een sluiting van 'Hennepdal’ onvermijdelijk achtte, volgde op 3 juli 1974 de tragikomische ontknoping: de zwaarbehaarde Muller werd opgebracht door twee agenten (in zijn optiek 'gelaarsde fascisten’) terwijl zijn snikkende patienten in touringcars naar andere inrichtingen werden afgevoerd.
Sindsdien zijn veel van Mullers ideeen in de zwakzinnigenzorg gemeengoed geworden, zoals schaalverkleining, aangepaste woonvormen en grotere zelfzorg van de patienten. Hoewel hij inmiddels zijn fouten tegenover de ouders heeft toegegeven, werd hij vorig jaar bij het 25-jarig jubileum van Dennendal geweerd omdat zijn tijdperk voor velen nog altijd een 'traumatische herinnering’ is. Niettemin sprak de huidige directeur de verzoenende woorden: 'Wat Muller heeft gedaan, was geweldig. Het was aanvankelijk slecht voor Dennendal, maar het was fantastisch voor de zorg.’