Interview Jaap Drupsteen

«De tien is mijn mooiste»

De ontwerper van het meest recente Nederlandse briefgeld, Jaap Drupsteen, wordt veel gevraagd naar zijn mening over de euro(biljetten). Dat valt hem niet gemakkelijk. «Ik ga hier heus niet beweren dat ik de euro een mooi ontwerp vind. Maar dat lijkt al bijna een objectief gegeven te zijn.»

In 1987 werd zijn ontwerp van de 25 gulden in productie genomen. Jaap Drupsteen was opgetogen. Met een nog ongekreukt biljet verliet hij de Nederlandsche Bank te Amsterdam en hield op het Frederiksplein een taxi aan. Na de rit overhandigde hij de chauffeur het biljet. «Wat is dit?» vroeg de chauffeur, het briefje achterdochtig bestuderend. «Hebben ze weer wat nieuws? Het lijkt wel monopolygeld.» «Leuk toch,» zei Drupsteen. De chauffeur: «Ik vond die kop mooier.» Drupsteen zei dat hij dat jammer vond, waarop de chauffeur zich omdraaide. «Hebbie ’m zelf gemaakt soms?» Drupsteen knikte.

Onder kenners gelden zijn ontwerpen als revolutionair. Hij was de eerste die durfde af te rekenen met de plichtmatige staatskop en bijbehorende patriottische kretologie. Hij was de eerste die in de almaar strenger wordende beveiligingseisen juist een uitdaging vond. Wie zijn vier biljetten bestudeert — van tien, vijfentwintig, honderd en duizend gulden — verliest zich in symmetrische kleurvlakken, draait dol in geraffineerde details. Je kunt er Mondriaan en Escher in herkennen, of een duizelingwekkend lsd-visioen. Op verzoek van Amerikaanse vakbladen als Wired en E-zine schreef hij artikelen waarin hij stijl en techniek uit de doeken deed. Interviews tot in Koreaanse webmagazines aan toe. Er kwamen lovende e-mails binnen van buitenlandse ontwerpers.

Bij hem thuis, in de serre. Een sjiek huis in het bosgebied tussen Bussum en Huizen waar ook zijn studio is ondergebracht. Nee, hij gaat niet verklappen hoeveel dat schuift, zo’n ontwerp. Hij vertelt over buitenlandse kennissen die in Nederland op bezoek komen en onder de indruk raken van het gewaagde geld. Drupsteen: «Het is een fantastisch visitekaartje. De kassa gaat open en daar liggen al die kleurige, heldere biljetten. Wat is het eigenlijk belachelijk dat dat bij ons niet kon, denkt men vervolgens.» Hoe groter de natie, hoe pompeuzer vaak de liquide middelen. «Vlaggen, leeuwen, wapens en vooral streng kijkende hoogwaardigheidsbekleders; ik heb me altijd afgevraagd waar dat toch voor nodig is.» Dat wij aan dat chauvinistische gesnoef niet meedoen, is volgens Drupsteen een Nederlandse traditie die we moeten koesteren. «In Nederland hebben we er altijd veel zorg en aandacht aan besteed, als een uiting van fatsoen. Als het niet hoeft, willen wij het oog niet storen met overbodige tierelantijnen. We willen ons niet ergeren aan voorwerpen waaraan te zien valt dat iemand met een akelig benauwd gedachtegoed erdoorheen heeft zitten jakkeren. Liever zien wij iets waaraan met liefde en overtuiging is gewerkt.»

Volgens Drupsteen zegt het veel over het progressieve karakter van onze democratie dat machthebbers hier te lande al die jaren ontwerpers zoals hij de losse teugel lieten. «Vooral in de laatste decennia was men zich hier bewust van de culturele plaats die een bankbiljet nu eenmaal heeft. Het zegt eveneens veel over onze designcultuur, die toch behoorlijk hoog ontwikkeld is. Niet voor niets staat de grafische vormgeving hier hoog aangeschreven. Belangrijke vernieuwende ontwikkelingen zoals De Stijl, zoals Mondriaan, hebben zich in dit land voltrokken.»

De afgelopen maanden werd Drupsteen benaderd door diverse media. Of hij zijn gal wilde komen spuwen over de euro. «Iedereen wil maar dat ik erover jeremieer. In panels, in kranten, op televisie. Ik doe dat niet. Ik wil wel over het werk praten en over het ontwerpen, maar mijn humeur tonen over iets wat gewoon plaatsvindt, dat vind ik zinloos. Ze willen mij graag in tranen zien, dat kan ik ze niet bieden.» Maar de komst van de euro laat hem niet onberoerd. «Natuurlijk is het een ingrijpende gebeurtenis. Veel mensen realiseren zich dat ook wel. Maar wat kun je doen? Het gebeurt nu eenmaal. Ik ga hier heus niet beweren dat ik de euro een mooi ontwerp vind, dat is het niet. Dat lijkt al bijna een objectief gegeven, ik heb nog nooit iemand gehoord die de eurobiljetten mooi vindt.» Na een tijdje: «We raken een deel van onze identiteit kwijt. Het is alsof we een deel van onze taal verliezen.»

Nog een kleine maand te gaan en de gulden raakt voorgoed in onbruik. Eerbetoon aan de munt waarvan Nederlanders zich sinds 1814 bedienen, is er niet of nauwelijks. Uit recent onderzoek door American Express blijkt dat Nederlanders het minst sentimenteel zijn over het verlies van hun muntsoort. Drupsteen vindt het niet vreemd dat er van eerbetoon geen sprake is. «Het initiatief zou van het ministerie van Financiën of van de Nederlandsche Bank moeten komen. Maar vanuit hun standpunt bezien is sentimenteel doen over de gulden precies wat je niet moet doen. Want die euro moet er in worden geramd. ‹Die euro is van ons allemaal›, roepen ze je toe via de media. Dan kunnen ze niet ook gaan roepen dat het zonde is dat die gulden eruit gaat.» Een van de schaarse hommages aan de gulden heeft momenteel in Rotterdam plaats. In het kader van Culturele Hoofdstad 2001 is de expositie Hulde aan de Gulden georganiseerd. Drupsteen: «Ik was daar wel blij mee. Ik heb een mooie tijdtunnel voor ze ontworpen. Je kunt er doorheen lopen en al het Nederlandse geld tot nu toe bezichtigen.»

Dat Jan Wolkers ook een kunstwerk had gemaakt — een glazen zuil gevuld met ontelbaar veel van Drupsteens verknipte biljetten —dat te bezichtigen is in de Nederlandsche Bank, had Drupsteen wel vernomen. «Maar ik heb dat kunstwerk van Wolkers niet gezien, nee. Ik was niet uitgenodigd voor de onthulling. Misschien vonden ze dat te pijnlijk», grinnikt hij.

Hij neemt zich voor nog voor het einde van het jaar, als de massale destructie van zijn biljetten een aanvang neemt, 1135 gulden van zijn rekening te halen, uitgekeerd in briefjes van duizend, honderd, vijfentwintig en tien. «Om aan de muur te hangen. Mijn stille afscheidscadeau aan de Nederlandsche Bank.» Eén troost, in andere Europese landen wordt ook nauwelijks stilgestaan bij het afleggen van de nationale munt. «Ik ben nog wel naar München gereden, waar een tentoonstelling was over de mark. Het was heel bedompt en klein.»

Jaap Drupsteen (1942) studeerde aan de Akademie voor Kunst en Industrie te Enschede. In de jaren zestig trad hij als grafisch vormgever in dienst van de nts/nos-televisie, waar hij baanbrekende leaders en titels ontwierp voor verscheidene programma’s als Twien, Cahier en Hadimassa. Faam verwierf hij in 1970 met de illustratieve opluistering van de televisiebewerking van De zeven hoofdzonden van Bertolt Brecht door Anne Marie Prins. In de jaren zeventig stapte hij over naar de VPRO, nam er producties als Het grote gebeuren, de verfilming van Belcampo’s evergreen, en Willem Breukers muzikale programma de BV Haast-Show onder handen. Ook de grauwe actualiteitenrubriek Den Haag Vandaag verleende hij een kijkcijferverhogende opkalefatering, met een vanuit kikkerperspectief geschoten Binnenhof waarboven het bliksemt en dondert.

In 1978 werd hem de zilveren Nipkowschijf toegekend. Het juryrapport: «Al jaren slaagt Jaap Drupsteen erin de lange, saaie en elitaire VPRO-televisieavonden tenminste nog enige fleur te geven.» Uit een interview in Vrij Nederland (december 1975): «Ik heb geen bewuste keus gemaakt voor werk in de culturele sector, het is zo bepaald door de wetten van aantrekking en afstoting. Ik zou er niets op tegen hebben om voor de commercie te werken: ik heb geen enkel bezwaar tegen reclame maken, wel tegen reclameproducten die slecht zijn gemaakt.»

In 1982 hing Frans Haks het Groninger Museum vol met zijn ontwerpen. Ware bekroning ondervond hij in 1974 en 1979 toen hem werd gevraagd postzegels te ontwerpen. Drupsteen: «De postzegel is dé erkenning voor een ontwerper. Dan ben je bij de specialisten opgevallen.»

Degene die besloot hem voor het geld te vragen, was Ootje Oxenaar, toen hoofd esthetische vormgeving bij de PTT en de ontwerper van de biljetten die op dat moment aan herziening toe waren. Hij vroeg Drupsteen mee te dingen in een reeks nieuw te ontwerpen biljetten. Drupsteen twijfelde. «Voor mij leek het een afdwaling. Ik was vooral bezig met ontwerp en regie voor audiovisuele media. Maar omdat ik de ontwerpen van Oxenaar altijd revolutionair had gevonden, was ik het aan mijzelf verplicht mee te doen.» De grootmeester selecteerde hem met zes anderen. «Dan krijg je een programma van eisen toegestuurd. Ik weet niet meer welke; een enorme waslijst in elk geval. Kleur, detectie, reliëf, structuren. Het is of je een doos lego krijgt toegestuurd en er iets mee moet fabriceren.»

Nogal eigenzinnig ging Drupsteen te werk. «Een deel van het programma van eisen heb ik naast me neergelegd. Ik had het gevoel dat het me te veel in de richting van Oxenaar stuurde.» Een van de eisen was dat de ontwerper zelf het thema bedacht dat in het biljet moest worden verwerkt. «Als ze de koningin willen, ontwerp ik de mooiste koningin voor ze. Desnoods een molen of een tulp. Maar uit mijzelf ga ik die er niet op zetten.» Drupsteen liet het onderwerp volledig achterwege. «Ik wilde de prioriteit vooropstellen, de beveiliging. Dat was ook de reden waarom er nieuwe biljetten moesten komen. De beveiligingstechnieken van de Oxenaar-serie waren toe aan opwaardering. Beveiliging werd mijn uitgangspunt.»

Op het turflijstje van de technische begeleiders van de Nederlandsche Bank kwam Drupsteens ontwerp onderaan te staan. «Ze hadden mijn ontwerp er eigenlijk al uitgeflikkerd. Maar we werden wél in staat gesteld onze beweeg redenen toe te lichten bij de directie.» Duisenberg en zijn directeuren besloten alsnog zijn ontwerp en dat van Jan van Toorn verder uit te werken. «Toen zeiden wij: ‹Dat doen we niet, we gaan niet zoveel tijd steken in iets waarvan we straks merken dat we het net niet halen. Jullie moeten dan maar twee anderen zoeken die dat wel tegen elkaar willen doen.› De directie ging overstag. Ze hebben mijn ontwerp gekozen.»

Drie jaar had Drupsteen nodig om zijn eerste briefje van 25 gulden uit te werken. «Ten tijde van de 25 kon je nog niet echt gebruik maken van computers. Je had alleen de Aestheades, en de Paintbox. Daar heb ik wel wat op laten doen.» In de serre houdt hij een biljet van 25 tegen het licht. «Ik ben er niet tevreden over. Eigenlijk is dit een in elkaar gepraat ding. We zaten maar te klooien met die 5. Het moest per se afwijken van alle bestaande lettertypes. Achteraf bleek dat eigenlijk onzin, je kon het gewoon scannen en reproduceren, ook toen al.»

Hij wijst op de kleurvlakken achter «25». «Deze donkere kleuren waren voorgeschreven waardoor het een wat smoezelig uiterlijk heeft. Bij volgende biljetten mochten de contrasten milder. Er is ook geen goede contrastverhouding tussen de driehoekachtige vorm in het midden en die slinger en die uitwaaierende baan op de achterzijde. De beveiliging in het witte vlak links- en rechtsonder vind ik ook niet deugen. Maar dat was ook omdat ik niet werd geacht vlakken te gebruiken. Later bleek dat juist goed te zijn. Dat zagen we in de namaak.» Hij pakt er een tientje bij. «Je ziet dat het bij de tien allemaal veel beter op zijn plaats staat. Ik beschouw de tien als mijn mooiste ontwerp.»

Drupsteen is ervan overtuigd dat hij het valsemunters niet eenvoudig heeft gemaakt. «Zodra er nagemaakte biljetten verschijnen, hoe goed ook, worden ze eruit gevist bij de Nederlandsche Bank. Hoe vaak dat gebeurt, weet ik werkelijk niet. In elk geval niet vaak. Ik weet dat de 25 ooit een beetje is nagemaakt, misschien nog wel. Maar die is gemaakt op basis van een oud programma van eisen. Vaak is de namaak erg slecht. Ik heb gehoord dat de eerste nagemaakte honderdjes niet eens in het halfdonker in een bar werden geaccepteerd. Het zijn vaak studenten, die met fotokopieën een end denken te komen. Je zal ook maar student zijn en geen geld hebben maar toch willen zuipen. Het is heel verleidelijk. Je kunt het gewoon onder de kleurkopieerder leggen en uitsnijden. Maar toch blijkt dat die barkeepers er een zintuig voor hebben ontwikkeld. Ik heb de vervalsingen vaak in handen gehad. Daar kun je van leren. Bij volgende biljetten wordt een verstorende plek of combinatie nog ingewikkelder toegepast op plekken waar ze moeite mee hadden. Welke plekken? Dat mag ik niet aanwijzen, dat is simpel. Al hebben we nog maar een maand te gaan.»

In het watermerk van het duizendje is een kieviet te herkennen. In het honderdje een steenuil. In de 25 een roodborst. In het tientje een ijsvogel. Drupsteen: «Ik mocht die thema’s zelf bedenken. Ik hou wel van vogels, vandaar. Ik stelde dat voor toen ik niks van watermerken wist. Details kunnen in watermerken slecht worden weergegeven. De kuif van de kieviet viel helemaal weg.» Die kieviet in het duizendje had hij liever niet gewild. «Ik had voor de afwisseling een vlinder voorgesteld. Duisenberg was het daar niet mee eens. We gaan voort op de ingeslagen weg, vond hij. Toen opperde ik een groene specht. Dat sprak hem ook niet aan. Hij wilde per se die kieviet. Ik begrijp wel dat een Fries dat wil.» Op de tien, de honderd en de duizend komen gedichten voor van respectievelijk Arie van den Berg, C. Buddingh’ en Koos van Zomeren. «Ze wilden een minitekst erop die bij het kopiëren kapotgaat. Laat het dan een mooie tekst zijn, dacht ik. De Nederlandsche Bank is bij het Letterkundig Museum te rade gegaan. Of er een gedicht over een steenuil was. Ja, Cees Buddingh’ had ooit een mooi gedicht geschreven over de uil. Daarop zochten we er een over een kieviet. Die bleek er niet te zijn. Toen heb ik Koos van Zomeren gevraagd, omdat hij in NRC Handelsblad van die mooie stukjes schreef. Een gedicht over een ijsvogel was er evenmin. Er werd weer gebeld met het Museum. Daar raadden ze aan Arie van den Berg te vragen. Een virtuoze vogeldichter, zeiden ze. Misschien had het wel aanbesteed moeten worden, ja. Van Zomeren en Van den Berg waren er wel blij mee. Hoewel de royalties behoorlijk tegenvielen.»

Nog eenmaal komt de euro ter sprake. «Ach, ik wist al jaren dat het zou gebeuren. Toen ik eraan begon al. Het is natuurlijk jammer, maar liever draai ik het om. Het feit dat er ooit ontwerpen van mijn hand zo lang en zo wijdverbreid hebben gecirculeerd… Een bankbiljet is wel het meest prominente medium dat er bestaat. De meeste grafische ontwerpen zijn voor de prullenbak.»

Alsof hij geen andere klussen te klaren heeft: «Ik heb het nieuwe paspoort ontworpen. Met nieuwe mediatechnieken leg ik uit hoe het TOP-giraalsysteem van de Nederlandsche Bank werkt, en hoe Interpay werkt. En ik ga een glazen gevel ontwerpen voor het Nederlands Audio visueel Archief. Wat ik nog meer doe is helemaal van de pot gerukt. Door mijn zoon, die bezig is met een veejay-project. Vorig jaar tijdens het Amsterdam Dance Event hebben we in Chemistry en Escape op videoschermen synchroon beeld en geluid vertoond. Ik vond het een kick, sjezus. Het werkte ook, uit de zaal klonken opgewonden kreten. En dat nog wel op ‹moeilijke› drum-’n-bass. Gewoon platte house is eigenlijk het beste.»

Illustraties van de ontwerpen van bankbiljetten uit: Jaap Bolten, Het Nederlandse bankbiljet 1814-2001, vormgeving en ontwikkeling. Uitg. Primavera Pers, 398 blz., ƒ149.-