De tijd betrappen

‘Zo eenvoudig als een waterdruppel,/ zo helder als een splinter berkehout’, schrijft Hans Faverey ergens in de jaren zeventig, 'zo eenvoudig, zo helder is het niet/ wat ik overhoud wanneer ik/ mijn pen heb neergelegd.’ Een van de redenen die hij in de tussenliggende regels voor het gebrek aan eenvoud en helderheid aanvoert, is het feit dat de mens 'moeizaam leert zwijgen en wegzijn/ tussen zijn gewapend steenslag’. Hoewel de tekst een koele transparantie vertoont en met zijn cyclische structuur een geruststellende mate van compleetheid suggereert, lijkt het erin opgesloten leven zich bij zijn fixatie niet te willen neerleggen. Zodra de pen is neergelegd zou het gedicht moeten zwijgen, maar dat doet het niet. De mens aanvaardt zijn naderend wegzijn vooralsnog niet. Het gedicht is een in glasheldere taal bedwongen schreeuw. Vergelijkbaar is een kort gedicht uit de jaren zestig:

Ook dit ben ik:

het gesloten circuit
van een steen die níet ontploft
omdat hij zich liefheeft

met de verwoedheid van hagel
en de vuurkracht van tarwe.

Hans Faverey (1933-1990) heeft in de Nederlandse literatuur een klassieke status verworven. Zijn poëzie wordt allerwegen als superieur beschouwd, zowel om haar vormtechnische beheersing als om de filosofische distantie die erin tot uitdrukking komt. Faverey construeert ongenaakbare objecten die desondanks het drama van de menselijke existentie in zich besloten houden. Het gedicht ontwikkelt zich vanuit een schijnbaar willekeurig begin tot een wonderlijke présence, zoals Faverey het zelf noemde, om aan het slot in zichzelf terug te keren, als de ouroboros, de slang die zichzelf in zijn staart bijt. De tijd verloopt cyclisch, want het gedicht kan ieder moment opnieuw beginnen. Zo wordt de dood, althans op papier, op afstand gehouden. Favereys poëzie vormt een indrukwekkende revolte tegen het verdwijnen, juist doordat het verdwijnen erin centraal staat.
In haar nawoord bij de editie van de nagelaten gedichten laat Marita Mathijsen zien dat vaak moeilijk valt uit te maken of een gedicht af is. De varianten die van sommige gedichten werden aangetroffen lijken gelijkwaardig, en taalmateriaal dat in de gepubliceerde bundels terechtkwam, blijkt ook verwerkt te zijn in andere gedichten, die soms een totaal andere kant op gaan dan de tekst die we al kenden. Afheid is een betrekkelijk begrip. Misschien is geen enkel gedicht af, in die zin dat het altijd denkbaar is er iets in te veranderen. Gedichten zijn voorlopig gestolde bewegingen, die hun stilstand slechts danken aan het feit dat de maker besloten heeft zijn handen ervan af te trekken.
Dat poëzie een willekeurige ordening van spolia is, van fragmenten uit eerdere bouwsels, blijkt bij Faverey uit zijn hergebruik van elementen uit de literaire traditie, waarbij hij een voorliefde voor de presocratische filosofen en Griekse mythologie aan de dag legt. Die keuze is veelzeggend. Mythen zijn tijdloze verhalen die steeds van gedaante verwisselen zonder hun essentie te verliezen. Waar Odysseus in de literatuur ook opduikt, hij blijft de rusteloze zwerver die op zoek is naar een eiland dat hij voorlopig niet hoopt te bereiken. En denkers als Thales van Milete, Parmenides van Elea en Herakleitos van Efeze hielden zich bezig met het ene en het vele, het zijnde en het wordende, de identiteit van wat zich in de tijd afspeelt. Niet alleen trof Faverey bij de Grieken ideeën aan die hem fascineerden, alleen al het feit dat hij het oude transformeert tot iets eigens kan gezien worden als poging de betrekkelijkheid van het vlieten van de tijd aan te tonen.
Anderzijds confronteert de permanentie van het klassieke de dichter met zijn vergankelijkheid. Met enige irritatie verlaat de spreker een museum of een archeologische locatie:

Genoeg van het oude, het griekse
voorbeeld. Rode potscherf, tentoongesteld
te midden van as en kalk. Zuil

die zich omhoogschroeft, voor niemand,
voor niets. Gedachtenconstructies
die men achterhaald heeft,

goed, maar die men nooit meer
uit zijn vingers zal horen groeien,
in zijn schoenen voelen zinken.

Genoeg van dit nimmer eindigend,
verblindend afscheid, genoeg.
De tempels gaan dicht. Men pakt zijn jas.
Men staat op straat.

Het gedicht dateert van 1977 en lijkt voltooid. Waarom heeft Faverey het nooit gepubliceerd? Misschien achtte hij het te expliciet en te eenduidig.
Hoe het ook zij, met het verwerken van Grieks materiaal is hij nooit opgehouden. Kenden we uit het verzameld werk al tientallen gedichten die refereren aan Zeno, Sappho, Odysseus, Persephone en Orpheus, ook in het nagelaten werk komen we de klassieke helden geregeld tegen. Diogenes weerstaat Alexander de Grote, 'zich krabbend,// of aftrekkend’, Thales van Milete verwondert zich over het vochte, dat de oorsprong van alles is, 'de adem inhoudend om zoveel/ verbazing om niets’. Odysseus houdt rekening met Sirenen 'die het levenslang moeten zien uit te zingen/ in Duitse, Amerikaanse handboeken’. Tantalus staat tot zijn middenrif 'in bijtend rivierzand’, zich realiserend dat hij zich moet bevrijden 'van de volvette druiven/ die een berghelling’ hem 'eens heeft ingepeperd’. Orpheus verlangt naar Eurydike, die is weggevoerd over de Styx:

Dezelfde
veerman; dezelfde

rivier; dezelfde
obscene gebaren tijdens
dat niet-roeien van hem.

De woordgroep 'dezelfde// rivier’ refereert aan Herakleitos’ stelling dat men nooit tweemaal in dezelfde rivier kan stappen, terwijl de niet-roeiende Charon herinnert aan de '8 roeiers,/ steeds verder landinwaarts// groeiend in hun mytologie’ uit de bundel Chrysanten, roeiers, die in hetzelfde jaar verscheen.
Faverey vervormt de werkelijkheid en de traditie. Hij probeert de tijd te betrappen door hem in een beeld te fixeren, zoals Bernini het moment vastlegde waarop Daphne, door Apollo aangerand, in een laurierboom verandert. Faverey beschrijft de still van een documentaire over het arme meisje:

We zijn in Thessalië.

Links: de bruid.
(Eén van de).
Rechts: de beul.
(Eén van de).

We zien Daphne, 3e deel,
life: de ontbladeringsritus.

Apotheose van een metamorfose.

Het is de droge, objectiverende toon die het gruwelverhaal een klassieke distantie verleent. De 193 nu voor het eerst gepubliceerde gedichten uit de nalatenschap vormen een enerverende toevoeging aan een toch al weergaloos oeuvre.