L.N. Tolstoj Oorlog en vrede

De tijd brengt alles tot stand

tekening: PJ Roggeband

Niemand weet wat hij doet, geen mens weet wat er eigenlijk gebeurt – dat laat Oorlog en vrede, onlangs in nieuwe vertaling verschenen, op elke bladzijde zien. ‘Er viel niets te doen of te bevelen. Alles gebeurde vanzelf.’ Tolstojs boodschap reikt echter verder. Veel verder. En doet een navenant beroep op het geduld van de lezer.

Medium opening 1

Hoe lees je een boek dat tot de toppen van de wereldliteratuur wordt gerekend, en vergeleken wordt met de Ilias? Simpeler, hoe lees je zo’n legendarisch boek als je daar niet eerder toe gekomen bent? Afwachtend, je laat het over je komen. Goed, dat heb ik braaf achthonderd pagina’s lang gedaan. Ondertussen word je geïntroduceerd in Petersburgse en Moskouse salons, maak je kennis met Andrej Bolkonski, de jonge vorst die uit verveling in het leger gaat en zijn zwangere vrouwtje Liza (met het eeuwige donsje op haar bovenlip) achterlaat bij zijn tirannieke vader en kwezel van een zuster Marja. Lees je over de familie Rostov die het financieel moeilijk krijgt, maar vrolijk doorfeest omdat het drie jonge naar liefde snakkende meisjes en twee krijgshaftige zonen in huis heeft. Lees je de op zich al een roman waardige geschiedenis van Pierre Bezoechov, de bastaard die van kreupel buitenbeentje dankzij de naam en erfenis van zijn vader na diens dood een gezien man wordt en in die hoedanigheid een vrouw krijgt aangesmeerd die als femme fatale furore zal maken (alleen Pierre weet hoe dom ze is). En je ziet Napoleon ten tonele verschijnen, in de salons: eerst als gerucht, dan als held, zolang de schermutselingen zich van 1805 tot 1810 in Europa afspelen. Veel theater en opera, maar ook de zielenroerselen zijn – even afgezien van gebroken harten, goed voor film en televisieserie – kamertoneel. De vrede is er voor de liefde en affaires, in de hogere kringen wel te verstaan, plaats van handeling: de salons, bals en soirees. Als de oorlog meer en meer op de voorgrond treedt, dienen inkijkjes in het societyleven op de achtergrond als bewijs dat in de salons – zoals op het land – het gewone leven onveranderd doorgaat. Een ietwat hilarisch voorbeeld komt uit het laatste deel. Het is oktober 1812, na de slag bij Borodino, die daarom zo bijzonder was omdat de verliezers winnaars bleken en de bezetting van Moskou voor het zegevierende Franse leger het begin van het einde betekende. Het zou voor het Russische leger een kleine moeite geweest zijn toen al de tegenstander de genadeslag toe te dienen – omgekeerd was het net zo, aldus Tolstoj. Er is hoog beraad vereist om te beslissen of er moet worden aangevallen, maar generaal Jermolov is zoek. Uit een herenhuis dat tussen de Russische en de Franse linies in ligt, klinkt muziek. Op het bal treft een koerier Jermolov met nog een stel hoge generaals. Nog in andere zin is het salonleven het achterpand of de keerzijde van het slagveld: dat sociale en individuele verwikkelingen aan dezelfde wetten gehoorzamen als alle andere gebeurtenissen. Om die wetten gaat het.

Met het voorgaande pretendeer ik niet het boek samen te vatten, het eerste van de twee. Ik wijs er alleen maar op dat binnen het geheel, vóór de tournure naar het tweede boek, het eerste alleen maar voorspel is. In het eerste boek (twee delen, tezamen acht hoofdstukken) is de oorlog nog een spel, nu wordt het ernst, zoals Tolstoj bij het begin van Napoleons Russische veldtocht stelt: toen begon de echte oorlog, ‘dat wil zeggen, er gebeurde iets dat tegen de menselijke rede en de menselijke natuur inging’. Miljoenen mensen begingen misdaden tegen elkaar, terwijl die toentertijd ‘door de legers ervan niet als misdaden werden gezien’. Niemand wist wat hij deed, geen mens wist wat er eigenlijk gebeurde – dat laat Oorlog en vrede op elke bladzijde zien, in eindeloze variaties: ‘Er viel niets te doen of te bevelen. Alles gebeurde vanzelf.’ Tolstojs boodschap reikt echter verder, veel verder.

Het grote boek is al met al, dat had ik niet gedacht, een nogal dunne bestelling. Nu ik het allemaal gelezen heb, durf ik te zeggen dat je met één soiree het hele societyleven kent. Welk avondje ook zou kunnen dienen als voorproefje van de intriges en affaires, voor elke lezer van vroegere keukenmeidenromans en moderne soaps is het voldoende om de rest dromend in te vullen. De titel die Tolstoj oorspronkelijk voor ogen stond, luidde niet voor niets: ‘Eind goed, al goed’. Maar ook de oorlog had kort gekund, met één gevechtsscène heb je alle andere gehad, want niemand weet wat er precies gebeurt, zelfs Napoleon niet; vaak weet men niet eens welke partij gewonnen heeft. De titel van zijn boek leende Tolstoj van de anarchistische filosoof Proudhon, die toen hij hem in 1861 in Brussel bezocht juist een groot werk voltooide: La guerre et la paix. Inhoudelijk belangrijker was een ander boek: La chartreuse de Parme, waarvan Stendhal in 1839 voorspelde dat het pas door een lezer in 1880 begrepen zou worden. Later zou Tolstoj toegeven dat hij alles wat hij over de oorlog wist, geleerd had uit Stendhals beschrijving van de Slag bij Waterloo – de special effects had hij van de Krimoorlog.

Stendhals boek was voorbeeld en kan nu dienen als tegenvoorbeeld. Het verschil is behalve uiteraard de toon en de strekking het feit dat Stendhal de idiotie van het massale handgemeen in vijftig pagina’s effectiever in beeld brengt, grotesker ook, dan Tolstoj in 650 pagina’s, ongeveer het aantal pagina’s dat in Oorlog en vrede aan de legeroefeningen wordt besteed. ‘Ik weet het niet’, zegt de zestienjarige Fabrizio als hij Napoleon is nagereisd en in Waterloo verzeild raakt. Dat is precies wat Pierre Bezoechov zegt wanneer hij, als de slag van Bordino woedt, even een toeristisch kijkje te velde gaat nemen. ‘Waar is het slagveld?’ vraagt hij. Bij Stendhal vraagt de jongen aan iedereen: ‘Is dit nu een echte veldslag?’ Ondertussen blijkt in een voorbijstuivende stofwolk de keizer schuil te gaan. Bij Tolstoj hebben Russische soldaten het zo druk met plunderen dat ze Napoleon niet eens zien staan. Natuurlijk zijn er in het boek aardige en merkwaardige scènes bij elkaar te sprokkelen, maar het gaat hier niet om een bloemlezing maar om een geschiedschrijving – voor een roman vond Tolstoj de stof zelf niet geschikt.

Het eerste boek las ik geduldig uit. Bij het tweede werd dat onmogelijk door de eerste vijf pagina’s, waar Tolstoj zijn visie op de wereldgeschiedenis geeft, uitlopend in deze zin: ‘Iedere handeling die zij [de groten] menen vrijwillig te verrichten, is in historische zin niet vrijwillig, maar verbonden met de hele loop van de geschiedenis en in alle eeuwigheid bepaald.’ Volgen duizenden variaties van deze stelling en even zovele bewijzen en illustraties – met terugwerkende kracht werd salon en slagveld ook al in dat perspectief beschreven, kortom een roman à these.

Oorlog en vrede kan kort worden samengevat, zonder het geweld aan te doen, denk ik, het is zelfs maar de vraag of dat tegen de opzet van Tolstoj zelf is; de eerste versie houdt ongeveer op waar de uiteindelijke nog honderden in petto heeft, allemaal toevoeging en uitleg. ‘Wat gebeuren moest, moest gebeuren’, dit zinnetje is de kortst mogelijke samenvatting van Oorlog en vrede. Met dat tautologische zinnetje begint op pagina 813 hoofdstuk I van deel VII, honderdvijftig pagina’s voor het einde van de oerversie van het boek uit 1869, die vorig jaar voor het eerst vertaald werd (door Peter Zeeman, voor Ambo). De oerversie eindigt met twee huwelijken en de dood van Andrej Bolonski.

Het fatalistische zinnetje staat overigens niet op pagina 873 van de uitgebreide editie, maar de alinea die volgt is nagenoeg gelijkluidend. Napoleon begon de oorlog met Rusland omdat hij wel moest, licht Tolstoj toe, hoewel de HH historici veronderstellen dat bij de geniale veldheer alles volgens plan verliep. Tolstoj, die vanaf dat punt permanent polemiseert met alle geschiedschrijvers, weet dat alle betrokkenen, inclusief de Franse keizer en de Russische tsaar als ook hun geniale bevelhebbers en uiteraard het naamloze voetvolk, ‘allemaal willoze werktuigen van de geschiedenis waren, en een werk uitvoerden waarvan zij de betekenis niet kenden, maar die wij wel kennen’.

Dit zijn dan de bespiegelingen die voor sommigen het verhaal van de roman ophouden en voor anderen het vlees op de botten vormen. Als het gedachten van de personages waren, zou je er vrede mee hebben; maar de betrokkenen denken niet zo, dat kunnen ze niet eens omdat ze er middenin zitten. Als ze in existentiële of amoureuze nood lucht geven aan gedachten en gevoelens komen ze niet verder dan verzuchtingen als hemeltje lief, o wee: ‘Waartoe dit alles?’ Zo ondergaat Andrej Bolkonski een totale en blijvende geestelijke verandering als hij bij Austerlitz op het slagveld gewond raakt: ‘Ja! Alles is ijdelheid, alles is bedrog, behalve die oneindige hemel.’ De andere Andrej, de ambitieuze jonge Rostov, voelt zich alleen in het leger echt thuis en wordt, zoals velen, verliefd op de jonge tsaar. Ook Pierre is oog in oog met dezelfde tsaar bereid alles op te offeren; wist hij maar voor welk doel – hij vindt ten slotte God. Op hun dertigste zijn Bolkonski en Bezoechov oude mannen, maar beiden ondergaan een verjongingskuur dankzij het etherische bakvisje Natasja Rostov (Audrey Hepburn).

Toch is de analytisch ingestelde Andrej Bolkonski de enige die af en toe blijk van enig inzicht geeft. Hij constateert al ergens in het begin – een hint die de lezer niet mag vergeten – dat er een nieuwe wetenschap in opkomst is, de strategie, om vervolgens het ene na het andere voorbeeld aan te reiken dat het juist de plannen en in het algemeen rationele overwegingen zijn die een averechts effect hebben. De grap is dat al die foute beoordelingen en uit kortzichtige of egoïstische motieven voortkomende beslissingen en bevelen juist heel erg bevorderlijk zijn voor de uitvoering van het grote plan, en dat is in 1812: de verdrijving van Napoleon en de Europeanen uit Rusland.

De grote held voor Tolstoj is generaal Koetoezov, die van eten en vrouwen houdt, inslaapt als andere generaals fantastische krijgsplannen smeden aan de tekentafel. Hij is de man naar Tolstojs hart, want Koetoezov doet bij voorkeur niets, geeft liever geen bevelen en laat de gebeurtenissen, die nu eenmaal moeten gebeuren, de vrije loop. Ook in de oerversie weet de generaal kort voor het einde ‘dat de tijd alles tot stand brengt, dat alles zich vanzelf voltrekt’. Koetoezovs grootste deugd is dat hij een Rus is – en het Russische volk wil maar één ding: vrijheid. De sterkte van een leger is van secundair belang, als het moreel maar goed is; dus winnen de Russen uiteindelijk door vaderlandsliefde. Juist niet al te snuggere bevelhebbers vervullen hun taak het best, en stille, naamloze mannen, die alleen maar hun plicht vervullen.

Pierre Bezoechov formuleert het, nadat hij een bezoekje aan het slagveld heeft gebracht en nadat hij in het bezette Moskou van brandstichting beticht op de valreep aan executie is ontkomen, heel precies, in zijn opperste abstractie, je kunt ook zeggen: hoogste idiotie. Op de ontologische vraag wie hem nu uiteindelijk ter dood veroordeeld, gedood en van het leven beroofd had, voelt Pierre ‘dat het niemand was. Het was een stelselmatigheid, een samenloop van omstandigheden.’ Stelselmatigheid, hoe verzin je het? In die fatalistische om niet te zeggen cynische opvatting van geschiedenis horen woorden als ‘noodzakelijk’ en ‘onvermijdelijk’, en valt de term ‘wetten van de onontkoombaarheid’. Een lezer kan maar beter niet aan de recente geschiedenis denken bij de stelling dat een Napoleon niet meer dan een uitvoerder van het lot is. Pierre verruilt trouwens niet veel later het ene abstractum voor een ander: God.

In het tweede boek heeft Tolstoj toch nog een oplossing voor het wereldraadsel in petto, genaamd de volkswil. Daaraan is te danken dat de Russische bodem gezuiverd wordt. Maar is die volkswil ook een instrument van de voorzienigheid of staan de wetten en het lot in dienst van het volk? In het hele boek is trouwens geen volk te zien, ja voetvolk en kanonnenvoer, en masse, maar Tolstojs mannen van het volk zijn aristocraten: generaal vorst Koetoezov, hogere officieren. Maar al in het voorwoord bij de eerste uitgave van Oorlog en vrede had Tolstoj allerlei redenen genoemd waarom hij het alleen over aristocraten had: arbeiders en boeren worden enkel geleid door materiële drijfveren, ze denken niet en hebben geen gevoel, hun leven is lelijk: ‘Ik ben aristocraat omdat ik niet kan geloven in de verheven geest, de verfijnde smaak en de grote rechtschapenheid van een mens die in zijn neus zit te peuteren terwijl zijn ziel met god in gesprek is.’ En dat is een korte samenvatting van minstens de helft van het boek.

L.N. Tolstoj
Oorlog en vrede
vertaald door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes, Van Oorschot (deel 3 en 4 van Verzamelde werken), 1608 blz., € 69,- (na 23 december € 85,-),
verkrijgbaar vanaf 7 december