Literair schrijven in de bajes

‘De tijd is onderweg maar ik sta stil’

In de Penitentiaire Inrichting proberen gedetineerden in de schrijfgroep van Christine Otten van pijnlijke gebeurtenissen iets te maken waar ze trots op zijn. Ze ontdekken en ontwikkelen hun talent. ‘Altijd zitten er parels tussen.’

Of hij die dichtbundel van Tjitske Jansen waaruit ik net voorlas mag lenen. Y duwt zijn handen in de zakken van zijn rode trainingsbroek van het Marokkaanse nationale elftal. Het is iets over vieren; de workshop creatief schrijven in Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard is afgelopen. Een paar mannen typen gauw de handgeschreven teksten uit op de computers in het aangrenzende lokaal van het ‘onderwijs- en kenniscentrum’. Anderen gaan meteen terug naar hun afdeling. Over drie kwartier moeten ze achter de deur en sommigen willen nog koken of bellen met familie. ‘Het raakt me wat ze schrijft’, zegt Y. Hij is een jonge man die een lange straf uitzit en sinds anderhalf jaar meedoet aan de schrijfgroep. Met de nodige scepsis in het begin. ‘Ik heb geen behoefte aan emoties van anderen.’ Inmiddels een van de fanatiekste deelnemers. Ik geef hem de debuutbundel van Jansen, Het moest maar eens gaan sneeuwen. Tot over twee weken.

De keer erop, wanneer iedereen aan het schrijven is en je alleen nog het geluid van pennen op papier hoort en af en toe gelach en geroep vanaf de luchtplaats beneden waar gedetineerden sporten, wandelen of relaxen, schuift hij me een vel papier toe met een getypte tekst. ‘Stenendragers’, fluistert hij. Zo heet het gedicht. Ze loopt door het park waar de vogels fluiten/ Ze lacht als ze haar man bij z’n arm neemt terwijl haar dochter over het gras rent/ Ik zie dat ze een steen draagt/ Ik herken het want ik draag hem ook/ Het is een steen die niemand kan zien, alleen als je hem zelf laat zien/ (…) Mijn steen ziet niemand/ die draag ik alleen/ Hij is klein en zwaar/ Ik draag hem omdat het moet/ Hij is er altijd, als ik wandel of werk/ In de nacht wordt hij nog zwaarder/ Iedere steen is uniek, sommige lijken op elkaar maar hetzelfde zijn ze nooit/ Ze kijkt me aan, lacht en knikt/ Stenendragers herkennen elkaar.

Een eeuwigheid geleden lijkt het. Y is inmiddels ‘buiten’, met enkelband. We skypen af en toe over hoe het gaat, over zijn schrijfwerk en ambities, een zingeving-buddyproject om andere langgestraften bij te staan, een eigen boek. Sinds het uitbreken van de coronacrisis begin maart ben ik niet meer in de gevangenis geweest en is communiceren met de mannen van de schrijfgroep lastig. Het is voor het eerst in de ruim drie jaar dat ik de schrijfgroep in de gevangenis begeleid dat er zo’n grote cesuur valt en ik merk dat ik onze bijeenkomsten in het lokaaltje in de PI mis, meer dan wat ook. De gesprekken, de teksten – altijd zitten er parels tussen – de vertrouwdheid, humor en warmte van de mannen. Alle activiteiten in de PI zijn om begrijpelijke redenen afgelast; het onderwijs- en kenniscentrum is gesloten, net als de bibliotheek en de sportzaal. Sommige mannen worden gek van verveling, of down, begrijp ik uit de schaarse berichten die me bereiken. Elke twee weken stuur ik ze via de onderwijzer in de gevangenis een persoonlijke brief met een schrijfopdracht (bijvoorbeeld: schrijf over thema binnen/buiten, in de breedste zin van het woord, letterlijk of filosofisch of een herinnering). Af en toe krijg ik een verhaal, gedicht of een brief terug. Over de overeenkomsten tussen detentie en quarantaine (‘Ik kan buiten zijn op de luchtplaats maar dan ben ik nog steeds binnen’) of over het verstrijken van tijd (‘Ze zeggen dat ik niet goed bij mijn hoofd ben omdat ik rijstkorrels tel’), uitgestrekte lege dagen (‘… genieten van muziek, de schoonheid…’), het missen van geliefden die niet meer op bezoek mogen komen én het gebrek aan inspiratie (‘… verder dan de eerste regel kom ik niet’). Ik snap dat niet alle schrijfgroepleden, hoe enthousiast ze ook meedoen tijdens workshops, onder de huidige omstandigheden moed vinden om echt te schrijven. Alleen in je cel, opgesloten in je hoofd, met nauwelijks prikkels van buitenaf (hoe begerenswaardig zo’n toestand sommige schrijvers buiten misschien ook mag toeschijnen). Of om een eventuele handgeschreven tekst aan een bewaarder op de afdeling te geven die het naar de onderwijzer moet sturen, die het dan scant en weer bij mij bezorgt.

Het is juist het onderlinge vertrouwen, de beslotenheid en veiligheid die van de schrijfgroep een creatieve vrijplaats maakt in een per definitie onvrije omgeving. De deelnemers zijn daar in de eerste plaats schrijvers of aspirant-schrijvers, géén gedetineerden. Dat laatste is misschien wel het allerbelangrijkst. ‘Want’, zegt Y, ‘in de schrijfgroep wordt van je potentie uitgegaan en voel je je serieus genomen. Dat zijn we niet gewend.’

Het begon als experiment. Een korte cursus ‘schrijf je eigen verhaal’. PI Heerhugowaard heeft de naam een innovatieve gevangenis te zijn. Gevangenen koken zelf hun eten; er is een binnentuin, aangelegd en onderhouden door gedetineerden, met bomen, bloemen, een visvijver, een volière en een kas waar groenten worden gekweekt voor de lokale voedselbank. Er is plaats voor 242 gedetineerden. Via een kennis was ik al eens binnen geweest; ik kreeg een rondleiding van de directeur én een gedetineerde. Eerder had ik schrijfles gegeven op de Gerrit Rietveld Academie en bij Kantlijn, een schrijfgroep voor dak- en thuislozen in Amsterdam. Daar had ik gezien wat schrijven in een groep teweeg kan brengen. Hoe mensen van pijnlijke gebeurtenissen iets maken waar ze trots op zijn. Hun talent ontdekken en ontwikkelen. Ervaringen delen. Elkaar uitdagen. Toen ik samen met de onderwijzer van de inrichting voorstelde te gaan schrijven met gedetineerden reageerde de directie vrijwel meteen positief. We mochten beginnen. Eens in de twee weken op woensdagmiddag twee uur schrijven.

‘Ik denk dat buitenstaanders geen flauw benul hebben wat hier gebeurt’, zei D laatst tijdens een workshop. Hij doelde op de openhartige, gevoelige en filosofische gesprekken naar aanleiding van de geschreven teksten, die ook worden voorgelezen. Want mensen ‘buiten’ hebben toch vaak een bepaald beeld van gedetineerden: die zijn rauw, hard, laagopgeleid. Niet per se te vertrouwen. De gevangenis staat voor straf. De plek waar de samenleving het ‘kwaad’ isoleert. Wij en zij. Thema die middag was: jezelf verschuilen in een tekst of juist laten zien. Wanneer iedereen koffie of thee heeft gepakt (gemiddeld zijn we met z’n achten; soms meer, soms minder, afhankelijk van doktersafspraken, bezoek, overplaatsingen, celinspecties op afdelingen – naar drugs en telefoons) en z’n plek heeft ingenomen, gaan we beginnen. Eerst associëren, de wind door de geest, losse woorden en zinnen die het thema bij je oproept zonder dat je er diep over nadenkt, nog geen verhaal, dat komt zo, inpluggen op onderbewustzijn. Ter inspiratie lees ik fragmenten uit romans of gedichten uit de wereldliteratuur. Bijvoorbeeld van de Antilliaans-Nederlandse dichter Gershwin Bonivacia: ‘Blinddoek mij/ draag mij naar het uiterste puntje licht/ als ik mijn weg/ terug vind op/ de golven van intuïtie/ Dan hou ik van jou/ in de hoop jij/ ook van mij.’ Of uit Ik zal de wereld nooit meer zien, van de Turkse schrijver Ahmet Altan: ‘Ik schrijf in een gevangeniscel. Maar ik ben niet in de gevangenis. Ik ben een schrijver. Ik ben noch waar ik ben noch waar ik niet ben.’ En: ‘Je kunt me gevangen zetten, maar je kunt me niet in de gevangenis houden. Omdat ik, zoals alle schrijvers, over magie beschik. Ik loop met gemak door muren heen.’

Terwijl ik voorlees, beginnen sommigen al in hun schrift te schrijven. Vaak roepen teksten discussie op. ‘Nogal hoogmoedig’, vindt een deelnemer van de uitspraak van Altan. ‘Ik denk dat het heel moeilijk is om werkelijk je eigen gedachten te hebben’, zegt een ander. ‘Daar moet je heel erg sterk voor zijn.’ Dan wordt er geschreven, een half uur, soms korter. De concentratie, denkkracht is bijna tastbaar, een wolk, damp, gestolde energie. Als de laatste is uitgeschreven, lezen we voor. ‘Ik begin wel’, zegt M. Hij is nog niet lang bij de groep en na aanvankelijke aarzeling (‘Ik ga geen gedichtjes voorlezen’) is hij enthousiast en serieus. ‘Hier komt-ie.’ Hij schuift heen en weer op zijn stoel en begint te lezen: ‘Je hebt teveel gedurfd/ Daarom zit je hier/ Je hebt nooit echt gedurfd/ Daarom zit je hier/ De dingen die je durfde deugden niet/ Doen wat deugde durfde je niet/ Nu alles omgooien en gaan/ Of durf je niet?’

‘In de schrijfgroep wordt van je potentie uitgegaan en voel je je serieus genomen. Dat zijn we niet gewend’

Het blijft even stil. De meeuwen die zich in het ventilatierooster in het plafond hebben genesteld krijsen oorverdovend. M kijkt verwachtingsvol om zich heen. ‘Man’, zegt C, ‘dat is diep. En met zo weinig woorden…’ De anderen knikken instemmend. ‘Stoer’, vindt K. ‘Herkenbaar.’ Ik zeg dat hij een sterk taal- en ritmegevoel heeft. ‘Zie je dat zelf ook?’ Hij haalt zijn schouders op. Glundert. Ik herinner me hoe hij er de eerste paar sessies bij zat, nerveus, de rug gebogen. Op school vroeger kreeg hij zelden positieve bevestiging; ook omdat hij veel op straat hing. Sinds bijna elk stukje dat hij schrijft op goedkeuring in de groep kan rekenen, en meer dan dat – ‘Je hebt talent man!’ – zit hij rechtop.

M kwam bij de schrijfgroep via Y; ze zaten op dezelfde afdeling. Allebei hebben ze een lange vrijheidsstraf maar Y ging bijna ‘faseren’, (het einde van de straf kwam in zicht), terwijl M nog jaren voor de boeg heeft. Y moedigde M aan om bij de schrijfgroep te gaan omdat dat zou bijdragen aan ‘je persoonlijke groei en zingeving’.

Y is verbaal begaafd en heeft een analytisch vermogen waar menige wetenschapper jaloers op kan zijn. Juist nu hij buiten is, weliswaar nog met allerlei beperkingen (op vaste tijden mag hij naar buiten, door de coronacrisis nog minder dan anders want hij kan niet naar zijn vrijwilligerswerk; geen eigen bedrijf beginnen; geen drank/drugs gebruiken; meldingsplicht, et cetera), kan hij met enige afstand praten over zijn tijd in de gevangenis én de schrijfgroep. Hij vertelt dat hij ondanks zijn aanvankelijke tegenzin in de groep blééf vanwege de sfeer. ‘Die is zo anders dan wat je de rest van de week meemaakt. Op de afdeling gaat het vooral over rechtszaken, beklagzaken, dat soort dingen, of je hoort stoere wildwestverhalen. Bajespraat. In de schrijfgroep word je uitgedaagd over van alles en nog wat te schrijven: angst, liefde, ouders, kinderen, vroeger, schuld, spijt, seks, woede, geluk. Het leven, zeg maar. In het begin schreef ik vooral beschrijvend, afstandelijk. Ik had moeite gevoel in mijn stukken te stoppen. Jij zei: “Als je je schaamt voor wat je opschrijft, weet je meestal dat je iets aanraakt wat wezenlijk is.” Zo ging ik bijvoorbeeld schrijven over mijn tijd in de isoleer; hoe dat was, wat er met me gebeurde. Die stilte. Je hoort alleen nog je eigen hartslag en het ruisen van het bloed in je aderen. Je verliest elk besef van tijd; denkt dat je gek wordt. Wanneer je iets opschrijft, herbeleef je het, je denkt erover na. In de gevangenis word je nooit uitgedaagd kwetsbaar te zijn. Je wordt constant aangesproken op wat je fout hebt gedaan, maar zelden aangemoedigd er iets positiefs mee te doen. Het is voor tachtig, negentig procent mannen waarmee je optrekt. Binnen een compleet hiërarchisch systeem. Als je je kwetsbaar opstelt op een afdeling, bén je ook kwetsbaar. Dus dat laat je wel. Terwijl kwetsbaarheid nodig is om dingen te verwerken. Doordat ik over mijn ervaringen ging schrijven, over mijn arrestatie bijvoorbeeld, kwam ik terecht bij mijn eigen verdriet. Ik weet het: we hebben allemaal iets gedaan wat op z’n zachtst gezegd niet goed was. Het verdriet van je naasten en van slachtoffers is natuurlijk onpeilbaar diep; daar moet je iets mee. Maar dat lukt pas als je je eigen verdriet onder ogen durft te zien. Dan neem je namelijk ook verantwoordelijkheid.’

Je zou bijna denken dat de schrijfgroep een therapiegroep is, maar dat bedoelt hij niet. Het is juist omgekeerd, vindt Y: ‘Juist omdat jij van buiten de gevangeniswereld komt en ons als gelijken behandelt, en omdat het om talentontwikkeling draait en niet om ons te “verbeteren” of iets, en bovendien schrik en oordeel je niet meteen als er iets heftigs wordt gezegd of geschreven – juist daarom werkt het. Daardoor stelde ik me open en durfde ik ook andere stijlen van schrijven uit te proberen, zoals poëzie.’

Schrijven is reflecteren. Op zoek zijn naar iets zonder vaak precies te weten waarnaar. Dat geldt voor alle schrijvers, binnen én buiten. De gelijkwaardigheid waar Y het over heeft, is tegelijk een vorm van wederkerigheid. Ik geef schrijftips, bedenk opdrachten, zoek bijpassende fragmenten uit romans en dichtbundels en deel mijn ervaringen. Ik krijg er net zo veel voor terug als dat ik erin stop, misschien wel meer. Inspiratie, zingeving, zelden voel ik me ‘nuttiger’ dan tijdens zo’n schrijfworkshop in de PI, het gevoel deel uit te maken van een gemeenschap. En zonder de ervaringen in de gevangenis en het vertrouwen van de mannen van de schrijfgroep had ik nooit mijn roman Een van ons geschreven, terwijl ik nooit in de gevangenis ben gaan werken met het idee er een boek over te schrijven.

Het was een levenslang gestrafte man die erover begon. ‘Je bent schrijver. Als buitenstaander heb je een unieke inkijk. Natuurlijk maak je aantekeningen en ga je erover schrijven!’ Hij werkt op het onderwijs- en kenniscentrum, schrijft af en toe een gedicht of brief en hoort bij de groep (hij deed bijvoorbeeld de redactie van de bundel Je moet het van ver halen van de schrijfgroep), maar doet niet mee met de workshops omdat hij dat te confronterend vindt. Hij heeft geen uitzicht ooit vrij te komen. Af en toe eten we een broodje samen. Hij was de eerste die me – bijna vaderlijk – aansprak op mijn schrijverschap en misschien wel mijn verantwoordelijkheid. Zijn dagelijkse worsteling – hoe geef je zin en betekenis aan je leven als je geen toekomst hebt – was het begin van mijn roman, verteld vanuit de levenslang gestrafte Luc en Katrien, de ‘schrijfjuf’ zoals hij haar in het boek noemt.

‘Ik schreef over mijn tijd in de isoleer. Die stilte. Je verliest elk besef van tijd; denkt dat je gek wordt’

Zowel Een van ons als de verhalen en gedichten uit Je moet het van ver halen (door de PI uitgegeven; helaas niet te koop) geven een totaal ander beeld van gedetineerden dan het karikaturale beeld dat we doorgaans in series en films krijgen voorgeschoteld, waarin de gedetineerde meestal fungeert als de ‘ander’, een vreemde. Ik ben een zalm en ik zwem tegen de stroming in om terug te gaan naar daar waar mijn leven begonnen is, schrijft een van de mannen in Je moet het van ver halen. Tijdens een voorleesavond in het lokaal in de PI, met roti en couscous en cake na, door de mannen gekookt, met familie en vrienden en een handjevol gevangenispersoneel als publiek, zag je ter plekke wat literatuur, de verbeelding, vermag. Juist het personeel en degenen die – soms voor het eerst – van buiten naar binnen kwamen herkenden zich in de teksten van de mannen en waren geraakt en verrast door de kwaliteit. De tijd is onderweg maar ik sta stil/ Mijn lichaam is onderweg maar ik sta stil/ Ik sta stil maar ben waar ik wil zijn/ Want verderop daar is het stil/ En dat doet alleen maar pijn.

Zoals de fragmenten en thema’s uit de wereldliteratuur (van Paul Auster, Marga Minco, Mohammed Choukri tot Ronelda Kamfer, Ester Naomi Perquin, Akwasi et cetera) de schrijvers in de PI inspireren hun eigen stem te vinden, zo bieden de teksten van de schrijvers in detentie mensen ‘buiten’ de mogelijkheid zich met hen te identificeren. Zo werkt kunst. En het is cruciaal. Het helpt tegen al te snel oordelen. We lijken meer op elkaar dan je op het eerste gezicht misschien denkt. Dat is ook de ervaring van Y. ‘Iedereen in detentie is bang zijn geliefden te verliezen, kinderen, echtgenoten, vrienden. In de schrijfgroep wordt daar over geschreven, meestal verhuld, in een gedicht of proza, maar iedereen snapt precies waar het over gaat. Je vult het in, voor elkaar. Zo leer je begrijpen dat het gewoon menselijke angsten zijn, die iedereen heeft, ook wanneer je niet opgesloten zit.’

Onder-woorden-brengers, zo noemde Hella Haasse literaire schrijvers ooit. Proberen woorden te vinden voor wat moeilijk te zeggen is. Het is een even bescheiden als eerlijke en effectieve opvatting over literatuur, die goed past in de gevangenis. Taal is daar sowieso vaak beladen en gelaagd. Een op het oog onbelangrijk gesprekje over films of het weer tussen iemand van buiten en een langgestrafte gaat al gauw over méér, over echt menselijk contact maken, een ‘opening’ naar buiten. Een simpele vraag van een bewaarder aan een gedetineerde – ‘waar ga je naartoe?’ – kan een intimiderende impact hebben, het impliciete wantrouwen dat de gedetineerde er wellicht in hoort, zelfs als de bewaarder het niet zo bedoelt. Taal is nooit neutraal of machtsvrij. De context van opsluiting en straf geeft de teksten in de schrijfgroep ook vaak een extra lading. Eindelijk, ik sta op de top van een berg/ Ik heb overzicht, ik kan alles overzien op deze hoogte (…) Ga ik het doen of doe ik een stapje terug? Of: Kies mij zonder een reden/ hou van mij niet omdat het moet. Of: Leven kan slechts hier en nu/ in welk eender jaargetal/ Gevoed met mijn geboortereis/ ben ik wie ik worden zal. (Uit: Je moet het van ver halen).

Als buitenstaander die zich thuis is gaan voelen in de bajes, als ‘onder-woorden-brenger’, vergelijk ik de schrijfgroep in Een van ons met een bos. Zo communiceren we hier, als bomen, via onze wortels, via de draden van schimmels. Onzichtbaar, onhoorbaar, ondergronds. Bevrijd van taal. In de schrijfgroep proberen we vervolgens de codes te ontcijferen. De taal stap voor stap terug te veroveren. Op onze voorwaarden.

Y zegt daarover: ‘In de gevangenis zit je in wezen op een eiland. Je schrijft vanuit een soort isolement, in een omgeving die rauw is, in een situatie van onderdrukking, en je probeert iets te vertellen. De taal is een instrument daarvoor, een bot instrument. Alsof je in de klei zit te hakken en er komen letters en zinnen tevoorschijn.’

Het is ook een manier om je te manifesteren, zegt hij, jezelf te herontdekken als zoon, geliefde, vader – als mens eigenlijk, en dat recht te claimen. De publicatie van Je moet het van ver halen was een gebeurtenis in de PI (met dank aan de directie die het faciliteerde), niet alleen vanwege de fraaie teksten maar ook omdat redactie, omslagontwerp, voor- en nawoord, selectie van de stukken door de mannen zelf werd gedaan, en de visie erachter: ‘Géén clichéverhalen over muren en tralies want dat kennen we nu wel, maar kwalitatief goede stukken’, in de woorden van een van de redacteuren. En onder geen van de gedichten en proza-stukken staat een naam, want dat zouden (in verband met herleidbaarheid) toch alleen voornamen, initialen of schuilnamen zijn. Dan liever een collectief product.

Ik wil alles, alles leren, zien, ervaren/ Back to basic/ Met mijn voeten in de modder tussen de muggen, strontvliegen en parasieten/ Ik wil verwilderen, schreef Y toen hij uitzicht kreeg op vrijheid. Hoe is het nu, schrijft hij nog? ‘Zeker, maar het is anders. Nu heb ik internet, Google, ik kan alles opzoeken wat wil: synoniemen voor woorden, de betekenis van bepaalde uitdrukkingen. In de gevangenis heb je dat niet. Als je daar iets wilt vertellen wat ingewikkeld is, moet je het doen met de woorden die je kent. Daar kun je je niet verschuilen achter elegante drielettergrepige woorden die als kapstok dienen voor een bepaalde emotie, gedachte of ervaring. In wezen schrijf je binnen puurder, eerlijker. Schrijven heeft volgens mij minder met taal en taalvaardigheid te maken dan je denkt. Taal is als de kwast en verf voor een schilder. Het gaat om wat je wilt uitdrukken, en of dát overkomt.’


Christine Otten publiceerde eerder dit jaar een roman over de confrontatie tussen een schrijf-docente en de gedetineerden aan wie ze lesgeeft, Een van ons (De Geus 2020)