Reportage: Montenegro scheidt zich af

«De tijd is rijp»

Montenegro, ooit Servië’s bondgenoot, staat op het punt zich af te scheiden. Maar Milosevic houdt het «broedervolk» in een wurggreep. Terwijl het gevaar van een door Belgrado geleide militaire coup groeit, kijkt het Westen, opnieuw, toe.

Sutomore, Montenegro — «Kijk, hier ging het de Oostenrijkers om.» De oude man maakt een wijds gebaar. Onder ons wijken de bergen uiteen. In de diepte knabbelt de Adriatische Zee aan de verlaten stranden van het in ongerede geraakte toeristendorp Sutomore. Ergens achter de horizon moet Italië liggen. In het westen verdrinkt een woeste bergrug zich in het zoute water, in het oosten schitteren de opslagtanks en de havenwerken van Bar in de felle zon. Dit sprookjesachtige uitzicht is de droom van elke reiziger. En van elke artillerist. Het belangrijkste deel van de 199 kilometer lange kustlijn van Montenegro, met de strategische haven van Bar, ligt onverdedigbaar aan onze voeten. Wie op deze bergrug zijn geschut opstelt, beheerst Montenegro’s maritieme levenslijn. Een uur eerder waren we begonnen aan het beklimmen van de berg van Sutomore, praktisch vanaf het strand, over een vervallen pad dat in 1916 werd aangelegd door het Oostenrijks-Hongaarse leger. Een adembenemende tocht die voerde door dicht bos en woekerend kreupelhout, langs bergweiden en beekjes, dan weer over kale rotsen. Halverwege de oostelijke helling, verborgen achter een rotspartij en onzichtbaar vanaf zee, passeerden we een gehucht. Vijf op kleine vestingen gelijkende huizen strak tegen de bergwand aangebouwd. «Een overblijfsel uit de tijd dat piraten en Turken de kust onveilig maakten», vertelde de oude Pavle Tomasovic, terwijl hij zijn wandelstok hief ten teken van welkom. Een stokoude, kromme vrouw met hoofddoek die uit haar vestinkje kwam gestrompeld om te zien waarom haar geiten zo blaatten, keek argwanend in onze richting en beantwoordde de groet niet. «De mensen die hier wonen zijn niet gewend aan bezoek. De angst voor rovers en christenmoordenaars is ze in de genen gaan zitten», grinnikte Tomasovic. «Ze leven van wat de berg hen biedt. Soms dalen ze af op hun muilezeltjes om inkopen te doen in Sutomore. De kustbewoners mijden hen als de pest. Het zijn geesten uit het verleden en vaak zijn ze nog katholiek ook.» De oude vrouw bleef ons grimmig nakijken, leunend op haar stok die ze met beide handen omklemde, totdat we uit het zicht waren verdwenen. Misschien zag ze als meisje in 1916 het Oostenrijks-Hongaarse leger de berg over trekken. Dáár was het Tomasovic allemaal om te doen. Wie de Montenegrijnen begrijpen wilde, vertelde hij in de schaduw van zijn witgekalkte huis aan de voet van de berg voordat we aan de tocht begonnen, moest met eigen ogen aanschouwen hoeveel moeite zich de Oostenrijkers hadden getroost om het land in hun greep te krijgen. «Die gekken hebben geprobeerd een heel leger de berg over te krijgen. Met artillerie en al. Ze hebben een weg uitgehakt in de rotsen. Het moet een verschrikkelijk werk zijn geweest, maar ze schoten er niets mee op.» Want achter de berg van Sutomore doemt een haast onwerkelijk, ongerept landschap op met nog veel hogere bergruggen. Een uitermate geschikt terrein voor guerrillastrijd. Donker en dreigend verheffen zich de bergketens, vol verraderlijke spelonken, verborgen grotten en makkelijk te verdedigen passen. Op sommige hellingen glinsteren beken en watervallen. De dalen zijn dicht bebost. Dit is het land dat Den Doolaard beschreef als «het land achter Gods rug»: «Zei de oude legende niet, dat toen God de aarde geschapen had, hij er overheen voer met drie zakken die aarde, zaden en steen bevatten?» schreef Den Doolaard. «Elk land kreeg daarvan zijn deel. Tot de Duivel plotseling stiekem de zak met stenen opensneed. Het land waar ze ratelend neerkwamen heet vandaag Montenegro.» «Je moet het zien, anders begrijp je het niet. Laten we de route van de Oostenrijkers volgen», zei Tomasovic, «dan zie je zelf waarom we een vrij volk zijn.» En ondanks zijn gevorderde leeftijd bood hij aan mijn gids te zijn: «Jij kunt nog geen giftige slang van een hagedis onderscheiden. Je hebt me nodig.» Twee glazen bijtende loza later — «één voor desinfectie en één voor vastheid in de benen!» — 45 procent alcohol, begonnen we aan de klim. Strategisch gelegen bergtoppen spelen straks misschien opnieuw een grote rol in Montenegro. Want het bergstaatje stevent af op het zoveelste gewapende treffen in zijn gewelddadige geschiedenis. Mocht het onverhoopt zo ver komen, dan wordt het ditmaal een wel heel bizar conflict: een broederstrijd met een politiek oogmerk en een licht etnisch tintje. Samen met Servië vormt Montenegro de Federale Republiek Joegoslavië, de rompstaat die is overgebleven na het afscheiden van Slovenië, Kroatië, Bosnië en Macedonië. Al geruime tijd tart de deelrepubliek het regime van Milosevic. Die heeft als Joegoslavische president zeggenschap over het federale leger, de Vojska Jugoslavija (VJ). Gevreesd wordt dat hij VJ-troepen zal inzetten tegen de Montenegrijnen, die een *kse politiemacht uit de grond hebben gestampt om tegenwicht te bieden aan de militaire dreiging. Desondanks blijft Montenegro voortgaan op wat haar inwoners «een barre tocht uit de ellende» noemen. Montenegro wordt aan alle kanten door Servië overvleugeld. Het land is klein — iets groter dan Kosovo, twee keer zo klein als Nederland — en heeft maar 640.000 inwoners. Het heeft hoegenaamd geen industrie en een zeer beperkt landbouwarsenaal. Economisch leunt het sterk op Servië. Sinds eind vorig jaar is echter een totale Servische blokkade tegen Montenegro van kracht, waardoor het land in grote problemen is gekomen. De Montenegrijnen hebben hun buik vol van Milosevic’ Joegoslavië. Dat heeft Montenegro, net als Servië, louter ellende gebracht. De internationale sancties tegen Joegoslavië richten in Montenegro met zijn zwakke economie grote schade aan. Bovendien voelen veel Montenegrijnen zich door Milosevic gebruikt in diens politieke steekspel. President Djukanovic beloofde aan dat alles een eind te maken. Hij spiegelde de Montenegrijnen een lange, moeizame weg voor die zal leiden naar democratie, marktwerking en een verankering van Montenegro in Europa. Nog steeds geniet hij grote steun bij de Montenegrijnen, maar omdat een verbetering van de levensomstandigheden vooralsnog is uitgebleven, is zijn positie verzwakt. Milosevic’ gramschap begon twee jaar geleden. «Servië en Montenegro zijn als twee ogen in een hoofd», was een van zijn geliefde uitspraken. Maar intussen behandelde hij Montenegro als een provincie van Servië. Sinds in oktober 1997 de Montenegrijnen de pro-westerse Milo Djukanovic tot president kozen, danst de Montenegrijnse overheid echter niet meer naar zijn pijpen. Milosevic’ bondgenoot, de toenmalige president Momir Bulatovic, werd van zijn troon gestoten. Aanvankelijk weigerde hij zijn positie op te geven. Pas na hevige straatgevechten tussen aanhangers van Djukanovic en Bulatovic gaf de laatste zijn nederlaag toe. Enige maanden later verloor zijn partij, de snp, ook nog de parlementsverkiezingen tegen de door Djukanovic geleide coalitie Voor een Beter Leven (Da Zivimo Bolje — DZB). Nu voert Bulatovic verbeten oppositie. Bulatovic werd na zijn nederlaag door Milosevic benoemd tot premier van de federatie, maar bleef leider van de snp. Als premier van Joegoslavië heeft ook Bulatovic zeggenschap over het Joegoslavische leger. Een uiterst gevaarlijke oppositieleider dus. Djukanovic’ programma kan slechts verwezenlijkt worden als Montenegro zich ontworstelt aan de Joegoslavische wurggreep. De deelrepubliek heeft het recht een referendum te organiseren over afscheiding en zich vervolgens onafhankelijk te verklaren als een meerderheid van de burgers dat wil. Maar telkens als Montenegro een stap probeert te zetten die haar van de federatie verwijdert, raakt ze verder in de problemen, want Servië en het regime van Milosevic zijn niet van plan zonder slag of stoot hun toegang tot de Adriatische Zee op te geven. Minister van Justitie Dragan Soc beent onrustig heen en weer. Zojuist heeft hij in een verhit parlementair debat geprobeerd de gemoederen wat te sussen, maar hij is er niet gerust op. Nu kijkt hij samen met leidinggevende leden van zijn progressieve Volkspartij (NS) naar televisiebeelden van het debat. Hier, in het parlementsgebouw in de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica, lijkt weinig reden voor ongerustheid. Het gebouw wordt streng bewaakt door gewone «blauwe» politie en grote, breedgeschouderde mannen in onberispelijk driedelig burgerkostuum. De agressief ogende speciale politietroepen in hun groene camouflage-uniformen, uitgerust met kalasjnikovs, worden zoveel mogelijk uit het straatbeeld geweerd om de mensen niet ongerust te maken. Maar de minister van Justitie weet wel beter: alles is in gereedheid gebracht om het Joegoslavische leger een militaire coup te laten uitvoeren. «Als we nu een referendum zouden organiseren over onafhankelijkheid, zou Milosevic zeker ingrijpen», weet hij. «Daar kunnen we dus maar beter even mee wachten.» Op de televisie verschijnt een schreeuwende parlementariër die met een bundel papier zwaait. Het is een lid van de Liberale Alliantie die het onafhankelijkheidsreferendum eist. Soc ziet het hoofdschuddend aan en zet het geluid zachter. «De liberalen grijpen elke gelegenheid aan om de onafhankelijkheid te forceren. Dat is het onheil over ons afroepen.» De paperassen waarmee de parlementa riër zijn geschreeuw tracht te onderbouwen, bevatten gegevens over het Zevende Batal jon van het Tweede Joegoslavische Leger. Inmiddels is het een beruchte eenheid, waar de Montenegrijnse kranten dag in, dag uit vol van staan. Het Zevende Bataljon is een speciale paramilitaire groep die volgens het Joegoslavische Leger fungeert als militaire politie. Het debat van vandaag was volledig aan de eenheid gewijd. Tijdens de Navo-bombardementen, die Montenegro redelijk ongeschonden lieten — al kwamen in het noordelijke Murino zes burgers om, onder wie twee kinderen — gonsde het al van de geruchten over Servische paramilitairen die in het geniep de grens over werden gestuurd. Ze zouden onrust moeten stichten om zo het Joegoslavische leger een reden te geven «de orde te herstellen» en de lang verwachte coup tegen Djukanovic uit te voeren. Minister Soc: «Het Zevende Bataljon bestaat uit minstens duizend man. Die zijn hier echt niet om het militaire verkeer te regelen. Vóór de bombardementen was hier slechts honderd man militaire politie. Volgens onze informatie staat de eenheid rechtstreeks onder bevel van Milosevic en Bulatovic. Het zijn provocateurs die zijn opgeleid om tegen burgers te vechten. Ze hebben het slim aangepakt, want de eenheid bestaat vrijwel volledig uit Montenegrijnen en Serven die in Montenegro wonen en de politiek van Milosevic en Bulatovic steunen.» Dat is volgens Soc kenmerkend voor het conflict met Belgrado. Er is geen sprake van etnische haat, maar veeleer van hoog opgelopen politieke onenigheid. Soc: «Het zijn geen Serven tegen Montenegrijnen. Als je het in grote lijnen bekijkt, gaat het hier om een conflict van een neocommunistische dictatuur met een pro-westerse democratie. Maar je moet naar de details kijken. De rellen die losbarstten toen Bulatovic weigerde het presidentschap op te geven, tonen aan dat het een strijd wordt van broeder tegen broeder, langs politieke lijnen. Er is hier geen familie die niet politiek verdeeld is.» De kranten staan bol van de speculaties over de troepenopbouw van het Joegoslavische leger. Ook de Vijesti die op Soc’ tafel ligt. Het laatste nieuws: al enige tijd klinkt boven Podgorica diep in de nacht het geluid van zware vrachtvliegtuigen. Het zijn militaire vluchten, hebben journalisten ontdekt. Er wordt gespeculeerd over de parachutisteneenheid uit het Servische Nis — zo’n beetje de meest geharde speciale troepen die het Joegoslavische leger kent en uitermate handig voor gevechten in bergachtig gebied; ze kunnen overal gedropt worden. De eenheid zou stukje bij beetje worden overgevlogen naar Podgorica. Soc haalt zijn schouders op: «Speculaties. Maar het zou me niets verbazen. De tijd is rijp.» Hij doelt op de plaatselijke verkiezingen die 11 juni zullen plaatsvinden in Podgorica en Herceg-Novi. De kans is groot dat de Liberale Alliantie (lscg), die de verkiezingen heeft afgedwongen, een grote overwinning boekt. Volgens de prognoses zal Bulatovic’ snp de grote verliezer zijn. Daardoor zal de liberale roep om afscheiding luider worden. Voor Milosevic en Bulatovic is het een koud kunstje om bij de verkiezingen onregelmatigheden te «constateren», ze vervolgens als een inbreuk op de constitutie van Joegoslavië te veroordelen en het leger — bewaker van de federale grondwet — in te schakelen om te voorkomen dat de liberale separatisten hun winst kunnen verzilveren. Nog makkelijker is het om het Zevende Bataljon een handje te laten helpen bij het creëren van *kse rellen tussen aanhangers van Bulatovic en de liberalen, en vervolgens het leger «de orde te laten herstellen». Bij het verlaten van Podgorica komen we vast te zitten in een enorme verkeersopstopping. Tussen de stilstaande auto’s steken voetgangers de straat over. Er zijn veel soldaten bij, ongewapend, maar in camouflagepak. De meeste dragen een gewone, zandkleurige baret. Behalve twee vrolijk keuvelende jongens. Die dragen rood, zoals alle elite-eenheden van het Joegoslavische leger. Over hun gevechtstenue lopen twee merkwaardige verticale banden. Op hun uniformmouw is een onderscheidingsteken gestikt. Een parachute. Het is haast onvoorstelbaar dat het werkelijk tot een gewapend treffen zou komen tussen deze orthodoxe broedervolken. Vrijwel elke Serf heeft wel een Montenegrijnse voorouder en dat geldt ook andersom. Bovendien dienen in de Vojska Jugoslavija (grotendeels bestaand uit dienstplichtigen) ook Montenegrijnen. Maar de Serviërs overheersen. Niet alleen getalsmatig, ook wat betreft zeggenschap. Het opperbevel heeft verscheidene zuiveringsrondes ondergaan en is nu volledig in Servische handen. Sinds het einde van de Navo-bombardementen maken hardliners van het Joegoslavische Derde Leger, dat vocht in Kosovo, de dienst uit. Eind februari werd bekend dat ongeveer 120 of*cieren die al lang dienden in Montenegro waren vervangen door ex-Kosovo-hard men. Een veeg teken is ook dat begin februari in Belgrado de federale minister van Defensie, een Montenegrijn, werd vermoord. Het Joegoslavische leger is gestationeerd op strategische punten in Montenegro, met name rond vliegvelden en havens, vaak losjes omsingeld en nauwlettend in het oog gehouden door de speciale Montenegrijnse politietroepen. Daarvan zijn er zo’n twintigduizend. Goed getraind, sterk gemotiveerd en redelijk, maar licht bewapend. Ze staan tegenover veertienduizend federale troepen en de duizend man van het Zevende Bataljon. Die hebben echter de beschikking over tanks, artillerie, een luchtmacht en parachutisten. Via de luchthavens die ze controleren, kunnen naar hartelust versterkingen en materieel worden aangevoerd. Op 9 december barstte bijna de bom. Toen stonden Montenegrijnse politie-eenheden en het leger recht tegenover elkaar op de luchthaven van Podgorica, klaar om tot de aanval over te gaan. Sindsdien heeft het Joegoslavische leger zendmasten staan op door haar gecontroleerd gebied waarmee Milosevic’ zender rts wordt doorgegeven. Daarmee, zo vrezen de Montenegrijnen, wordt beoogd de politieke verdeeldheid onder de bevolking te voeden. De verwachting is dat bij een directe confrontatie de Montenegrijnen het onderspit zullen delven. «Kom maar op», zegt de oude Pavle Tomasovic, «dan kunnen we eindelijk weer eens onze nationale sport bedrijven: een flinke guerrilla vanuit de bergen. Dat zal het leger zuur bekomen.» Nooit is het een vijandelijk leger gelukt het woeste Montenegrijnse binnenland in handen te krijgen. Vijf eeuwen lang probeerden de Turken het tevergeefs. Ze kwamen een heel eind en beheersten belangrijke steden in het kustgebied, zoals Bar, Ulcinj en Herceg-Novi, maar niemand kon de Montenegrijnen verslaan in hun «nationale sport». In de bergen waren de Turkse colonnes een makkelijke prooi voor de gevreesde hajduci — in stamverband georganiseerde strijders die zich specialiseerden in hit and run-aanvallen avant la lettre. Tijdens de Eerste Wereldoorlog lukte het ook de Oostenrijkers niet heel Montenegro te ver overen. En een wereldoorlog later kwamen Italianen en Duitsers eveneens niet veel verder dan de eerste bergrug vanaf de kust. In het binnenland hadden communistische partizanen nagenoeg vrij spel en al snel strekten hun moordende raids zich uit tot de kustgebieden. «Het Joegoslavische leger is dus gewaarschuwd», zegt Tomasovic. Wat voor een Hollander ontegenzeggelijk bergen zijn, doet een Montenegrijn schamper af als «heuvels» of in het beste geval «hoogten» — al bedragen ze zo’n vijftienhonderd tot tweeduizend meter. De Italiaanse naam «Montenegro» («Zwarte Bergen») is een slordige vertaling van «Crna Gora», zoals de Montenegrijnen hun land noemen: «Zwarte Hoogtes». Er is hier maar één echte berg, zeggen de Montenegrijnen, en dat is de Lovcen — hét symbool van de Montenegrijnse vrijheidsdrang. Op de top bevindt zich het mausoleum van de negentiende-eeuwse vorst Njegos, door de Montenegrijnen bewonderd om zijn *loso*e en dichtkunst. Aan de voet van de berg ligt Cetinje, de eeuwenoude stad die lange tijd hoofdstad van Montenegro was. Nu liggen de negentiende-eeuwse ambassades van de grote mogendheden er vervallen bij. Lang hebben de Turkse sultan en de Oostenrijks-Hongaarse keizer vergeefs geprobeerd dit laatste vrije gebied op de Balkan aan hun rijken toe te voegen. Tegenwoordig is Cetinje het broeinest van een nieuw Montenegrijns nationalisme. In de stad durft het Joegoslavische leger zich niet te vertonen. De muren zijn volgekalkt met pro-Djukanovic-leuzen en niets wijst erop dat dit Joegoslavië is. Hier wappert de rode vlag met de witte tweekoppige gekroonde adelaar boven een leeuw: het wapen van de Montenegrijnse koningen. «Die gedachte is hier niet eenzaam», antwoordt Marijan Markovic glimlachend op de vraag of Serven eigenlijk gedegenereerde Montenegrijnen zijn, zoals sommige nationalisten beweren. «De Serven beschouwen Montenegrijnen als helden, omdat we ons nooit hebben overgegeven aan de Turken. Daarbij vergeten ze hun eigen dapperheid. Maar ja, wij zijn nu eenmaal betere strijders dan zij.» Markovic is leider van de Liberale Alliantie (lscg) in Cetinje. De separatistische lscg heeft 45 procent van de stemmen in Cetinje en staat zeer kritisch tegenover Djukanovic. De liberalen vinden dat hij zich te slap opstelt jegens Milosevic, dat de economische hervormingen te langzaam verlopen, en dat ware democratie ver te zoeken is. Markovic: «De mensen vergeten dat Djukanovic tot dezelfde partij behoorde als Bulatovic, totdat die laatste zich afscheidde. Lange tijd werkten ze samen, Bulatovic als president en Djukanovic als premier. Djukanovic heeft zijn mond vol van democratie, maar houdt er dezelfde neocommunistische methoden op na. Negen jaar lang was ik rechter in Cetinje, mijn vrouw werkte als of*cier van justitie. Na de verkiezingen zijn we allebei zonder opgaaf van redenen ontslagen en een nieuwe overheidsfunctie kunnen we vergeten. Wat moet er van ons dochtertje van zes worden als deze regering aan de macht blijft?» Volgens Markovic moet zo snel mogelijk een referendum over onafhankelijkheid worden georganiseerd, het risico van oorlog neemt zijn partij op de koop toe. Markovic: «Milosevic is een despoot, Djukanovic laat zich door hem chanteren. We moeten werken aan onze toekomst, in plaats van lijdzaam af te wachten wat Milosevic’ volgende stap zal zijn. Het referendum moet er komen. Maar we vinden dat Montenegro zich alleen moet afscheiden als minstens zeventig procent van de bevolking zich daarvoor uitspreekt. Alleen dán zijn we sterk genoeg om Milosevic te weerstaan. Hier in Cetinje halen we dat percentage met gemak.» De sfeer in de stad is strijdbaar. Ook veel aanhangers van Djukanovic huldigen er een radicaler opvatting over onafhankelijkheid dan de president zelf. Die roept weliswaar dat de federale overheid illegaal is (omdat daarin geen rekening is gehouden met de politieke verhoudingen in Montenegro — Djukanovic claimt het Joegoslavische premierschap voor zijn partij), maar houdt een referendum tegen. Keer op keer probeert Djukanovic met Belgrado in gesprek te raken over een losse confederatie die voor de federale republiek in de plaats moet komen. Dat gaat de meeste inwoners van Cetinje lang niet ver genoeg. Tijdens de Kosovo-oorlog deed voor het eerst de in Cetinje gevestigde Montene grijnse Bevrijdingsbeweging van zich spreken, gestoken in traditionele uniformen voorzien van het Montenegrijnse wapen. Zesduizend VJ-troepen hadden de stad omsingeld en richtten hun geschut op het centrum. Ze kwamen de rekruten halen die geen gehoor hadden gegeven aan hun dienstbevel. Onmiddellijk kwam het tot demonstraties, waarbij de inwoners van Cetinje aangaven hun zonen te zullen verdedigen. Begin juni viel het leger een dorpje binnen nabij Cetinje om twee dienstweigeraars te arresteren. Strijders van de bevrijdingsbeweging kwamen tussenbeide. Nog diezelfde avond werd de leider van de beweging, oud-balletdanser Bogdan Bozidar, gearresteerd en overgebracht naar een legerkamp in de buurt. Onmiddellijk blokkeerden gewapende strijders alle uitgangswegen om te voorkomen dat hun leider naar Servië werd afgevoerd. Het leger — toen nog niet gezuiverd van gematigde of*cieren — bond in en liet Bozidar vrij. Op een haar na werd daarmee het bloedvergieten voorkomen dat waarschijnlijk de oorlog in gang gezet zou hebben. Bozidar claimt te beschikken over 25.000 goed bewapende strijders die zijn getraind in guerrillatechnieken en bereid zijn voor hun vaderland te sterven. Wapens krijgt hij van de Montenegrijnse regering, zegt hij. En geld stroomt binnen vanuit de voornamelijk in de Verenigde Staten gesitueerde Montenegrijnse diaspora. In werkelijkheid is zijn legertje waarschijnlijk een stuk kleiner, maar in de bergen rond Cetinje zijn maar weinig strijders nodig om het Joegoslavische leger flinke verliezen toe te brengen. Tegenwoordig houdt Bozidar zich gedeisd. «We willen Milosevic niet een aanleiding geven om tot actie over te gaan», zegt een regelmatige bezoeker van café Gaetta, waar de commandanten van de bevrijdingsbeweging doorgaans vergaderen. «Maar als het zover komt, kan hij het in Cetinje wel schudden. We zijn meesters op ons eigen terrein.» Het oplevende nationalisme centreert zich rond de herleefde Montenegrijnse orthodoxe kerk. Die was onafhankelijk, totdat Montenegro in 1918 werd gedegradeerd tot een Servische provincie. De kerk werd opgeheven en haar bezittingen en gelovigen vielen voortaan onder de Servische patriarch. In 1993 haalden Montenegrijnse patriotten een oude, naar de Verenigde Staten geëmigreerde priester naar Cetinje. Ten overstaan van een enorme menigte haalde die een gouden, met diamanten bestikte mijter uit zijn blauwe plastic tas en plantte die stevig op zijn hoofd. De heroprichting van de Montene grijnse orthodoxe kerk was daarmee een feit, tot groot ongenoegen van de Servische patriarch. «Religieuze meningsverschillen zijn er eigenlijk niet», zegt Markovic. «Het gaat ons om de onafhankelijkheid. Eeuwenlang hadden we onze eigen kerk die door niemand werd overheerst. Veel Montenegrijnen vonden het tijd worden weer onder hun eigen bisschop het geloof te belijden. Met nationalisme heeft dat niets te maken.» Maar toch, de heroprichting heeft een nieuwe scheiding teweeggebracht tussen Montenegrijnen en Serven, die zo’n negen procent van de bevolking uitmaken. Er ontstond grote consternatie toen Djukanovic een paasboodschap deed uitgaan naar de leiders van beide kerken. En tijdens de viering van het orthodoxe nieuwjaar was in heel Montenegro een grote politiemacht op de been om rivaliserende gelovigen uit elkaar te houden. Bovendien heeft de kerkelijke scheiding de «herinnering» aan de annexatie van Montenegro door Servië tot leven gebracht. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog bezetten Servische troepen Montenegro. Aanvankelijk werden ze als bevrijders binnengehaald. Maar al snel werd duidelijk wat de bedoeling was. In november 1918 stemde de Montenegrijnse volksvergadering onder Servische druk voor het opgeven van de zelfstandigheid en aansluiting bij Servië. Tijdens orthodox Kerstmis (januari 1919) brak een opstand uit tegen de Servische overheersing die pas in 1926 werd neergeslagen. Meer dan zesduizend Montenegrijnen werden gedood of gewond, duizenden huizen platgebrand. Volgens informatie op de site www.montenegro.com ging de Servische contraguerrilla gepaard met massale executies en verkrachtingen. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Tito de annexatie ongedaan en werd Montenegro een deelrepubliek van Joegoslavië. Tijdens het communisme werd de Kerstopstand angstvallig geheim gehouden, uit vrees voor nationalistische sentimenten. Nu voor het eerst sinds de jaren twintig documenten over de Servische onderdrukking opduiken, onder meer op internet, dringt bij veel Montenegrijnen het besef door dat de Serven zich niet altijd als het broedervolk hebben gedragen waar de Montenegrijnen hen voor houden. De villa in Podgorica waar president Milo Djukanovic zijn maandelijkse persconferentie houdt, wordt niet eens zo heel zwaar bewaakt. Ongewoon vriendelijke «blauwe» agenten controleren de accreditaties van de zich aandienende journalisten. Maar wie de villawijk verkent, stuit op verdekt opgestelde speciale «groene» politietroepen. Djukanovic oogt ontspannen als altijd, maar hij raakt steeds dieper in de problemen. «De paniek neemt toe bij Milosevic en zijn vazallen met het naderen van de verkiezingen in Podgorica en Herceg-Novi. Ze voelen dat ze gaan verliezen. We zullen zien wat er op 11 juni gebeurt. We zijn op alles voorbereid», zegt hij vastberaden. Maar de verkiezingen zijn gevaarlijk voor de president. Ze veroorzaken onrust en brengen een Joegoslavische interventie naderbij. Enkele dagen voor de persconferentie liet Bulatovic weten dat het leger heus geen aanval op Montenegro aan het voorbereiden is. Maar, voegde hij eraan toe, het «leger is constitutioneel verplicht op te treden tegen illegale praktijken». En de opbouw van een sterke politiemacht door Djukanovic, het negeren van federale instituties en het invoeren van de Duitse mark als betaalmiddel «zijn te beschouwen als ordeverstoringen», aldus Bulatovic. Djukanovic’ antwoord vanuit de persvilla is een haast wanhopige oproep aan het leger: «Denk aan de burgers van Joegoslavië. Bedenk wat jullie kunnen doen om dit dictatoriale regime te stoppen.» Ook economisch gaat het niet goed. Het door Djukanovic beloofde economische herstel verloopt zeer traag. Het invoeren van de Duitse mark naast de dinar was bedoeld als wapen tegen inflatie — de Joegoslavische overheid laat de geldpersen flink draaien — maar leidde tot flinke prijsstijgingen. De totale Servische handelsblokkade was Milose vic’ antwoord. Montenegro is nu gedwongen relatief dure producten in te kopen uit Slovenië, Kroatië en het Westen. De meeste Montenegrijnen kunnen zich die goederen nauwelijks veroorloven. Op de markt in Bar hebben Nederlandse eieren en kippenbouten de spotgoedkope Servische vervangen. Ze zijn te koop tegen Hollandse prijzen, terwijl het gemiddelde inkomen in Montenegro vele malen lager is. De opeenstapeling van problemen is koren op de molen van de liberale lscg. Die krijgt er dan ook flink van langs tijdens de persconferentie. «De lscg misbruikt de uitzendingen van de parlementaire televisie om het volk op te stoken. Ze zijn een gevaar voor de democratie en dragen geen oplossingen aan voor onze problemen. Ze voeren een risicovolle, onvolwassen politiek.» Djukano vic’ boosheid is voorstelbaar. Niet alleen provoceren de patriottische liberalen Milo sevic, ze hebben bovendien een oude foto opgeduikeld waarop Djukanovic — toen nog premier — Montenegrijnse troepen van het Joegoslavische leger bezoekt. Die foto is genomen in Dubrovnik, zeggen de liberalen. In 1991 schoten de Montenegrijnen deze historische Kroatische kustplaats met een ongekend bloeddorstig fanatisme aan puin. Ver volgens plunderden ze alle dorpen aan de Kroatische kust. In die dagen kon je voor nog geen dertig mark een gloednieuwe vi deorecorder op de kop tikken in Podgorica. Ook in andere delen van Kroatië en in Bos nië hielden ze huis samen met de Serviërs. Djukanovic verklaart nadrukkelijk het slagveld nooit bezocht te hebben. De foto is volgens hem genomen vóór de oorlog. «Montenegro is een vreedzaam land», zegt hij. Maar alleen de lscg heeft tijdens een grote manifestatie in Cetinje de Kroaten om vergiffenis gevraagd. En de oorlog in Kosovo is sowieso de eerste Balkanoorlog in de geschiedenis waarvan Montenegro zich afzijdig hield. Montenegro is echter ontegenzeggelijk een nieuwe weg ingeslagen. Dat blijkt met name op minderhedengebied. Slechts 62 procent van de bevolking is etnisch Montenegrijns, de rest is overwegend Bosniaks (15 procent), Servisch (9 procent) en Albanees (7 procent): een uiterst explosieve etnische mix. Maar de regeringscoalitie wijst trots op het grote aantal stemmen dat ze krijgt van minderheden. «Voor een Balkanland doen we het niet slecht», zegt minister van Justitie Dragan Soc. Zijn Volkspartij trekt vrijwel uitsluitend stemmen van progressieve Serven. Soc, zelf ook Servisch, ziet het groeiende Montenegrijnse nationalisme met lede ogen aan. «Als de Montenegrijnen te ver gaan, drijven ze de Serven in de armen van rechts-radicale partijen. Dan krijg je wat er in Bosnië gebeurde, dat het partijlandschap langs etnische lijnen uiteenvalt. Dat moeten we hoe dan ook voorkomen. Dat ik een Serf ben, speelt voor mijn politieke opvattingen niet zo’n grote rol. Ik ben geboren en getogen in Montenegro, geen etnische, maar een civiele staat.» Ook de Bosniakken en de Albanezen zien onder druk van de «externe vijand» af van harde claims. De twee Albanese partijen trekken tezamen nog geen drie procent van de kiezers. De meeste Albanezen stemmen op de dzb-coalitie van Djukanovic. Ferhat Dinosha, leider van de Democratische Unie van Albanezen (dua) is daar niet erg over te spreken. «Wie op niet-Albanese partijen stemt, stelt zich slaafs op. Het land waarop we wonen is van ons, we moeten onze politieke rechten kunnen verdedigen. Maar niet door middel van geweld, niet zoals in Kosovo. We geloven in deze civiele staat, we geloven in open grenzen. We hebben kritiek op de regering, maar we steunen haar in het verzet tegen Milosevic. Als ze maar wijs handelt en voorzichtig is. We zullen in elk geval niet snel vergeten dat Montenegro ondanks Servische druk tienduizenden Albanese vluchtelingen uit Kosovo heeft opgevangen.» In de havenstad Bar draait Cvetko Pavlovic met vochtige vingers de punten van zijn enorme snor op. Hij is trots. Trots op Montenegro, trots op «zijn» vluchtelingen en vooral trots op zichzelf. Pavlovic is coördinator voor de hulp aan vluchtelingen in de regio Bar. «De regering en ik», zegt hij, «doen ons uiterste best iedereen zo goed mogelijk op te vangen.» Hij beent naar de landkaart die naast het Montenegrijnse wapenschild aan de muur hangt. In «zijn» regio wonen 38.000 Montenegrijnse burgers. Op het hoogtepunt van de Kosovo-crisis kon hij daar nog eens bijna 11.000 vluchtelingen bijtellen. Oude vluchtelingen uit Bosnië en Kroatië, en «verse» uit Kosovo. Inmiddels zijn de Albanezen weer bijna allemaal terug naar Kosovo, maar hun plaats is ingenomen door Serven, Montenegrijnen en Roma die het gebied ontvlucht zijn sinds de Kfor er binnentrok. Bijna veertig procent van de bevolking in Bar behoeft humanitaire hulp. «We vangen iedereen op, Kroaat, Albanees, Serf, Roma, iedereen. En alle kinderen mogen hier naar school. Wij Montenegrijnen zijn heel gastvrij, moet u weten.» De Servische blokkade maakt hem furieus, net als de drie Joegoslavische marineschepen in de haven van Bar. «De despoot Milosevic hindert mij en de regering in onze humanitaire taak», briest hij. Montenegro doet zijn uiterste best, maar kan het vluchtelingenprobleem onmogelijk aan. Er is geld beloofd, veel geld, van de Europese Unie en de unhcr. Maar dat is niet genoeg en bovendien heeft Pavlovic nog niet veel van dat geld gezien. Bij het distributiepunt van het Rode Kruis, waar Servische Kosovaren hun wekelijkse portie hulp komen halen, vertelt een vrouw dat de stroom is afgesloten in het vluchtelingencentrum. Als Pavlovic dat hoort, is hij opeens niet meer zo trots. «Het klopt», zegt hij. «En vanaf morgen hebben ze ook geen water meer. Er is een grens aan de gastvrijheid van onze *rma’s. We hebben ze al bijna een jaar niet kunnen betalen voor de levering van stroom en water. De meeste hulpprojecten lopen maar een tot drie maanden. We hebben meer structurele hulp nodig.» Montenegro is een staat in uitvoering. Het land probeert een democratisch politiek systeem op te bouwen, ploetert voort op de met obstakels bezaaide weg van de markteconomie, doet serieuze pogingen haar minderheden bij het landsbestuur te betrekken en probeert in al haar armoede zonder onderscheid des persoons vluchtelingen hulp te bieden. Daarmee is het land een positieve uitzondering op de Zuid-Balkan. Maar Milosevic, door het Westen tot vijand verklaard, speelt een kat-en-muis-spel met het bergstaatje. Montenegro is aan het eind van haar Latijn en heeft dringend hulp nodig. Je zou denken dat de internationale gemeenschap er veel aan gelegen is die hulp te bieden, gezien haar preoccupatie met Milosevic. Bovendien kan ze lering trekken uit de vier oorlogen die het uiteenvallen van Joegoslavië begeleidden. Maar nee, er wordt opnieuw gewikt en gewogen, veel gepraat en veel toegezegd. Doortastende maatregelen laten vooralsnog op zich wachten. Minister van Justitie Dragan Soc begrijpt het wel: «We zijn geen soeverein land, omdat we deel zijn van Joegoslavië. En Joegoslavië wordt door een groot deel van de internationale gemeenschap niet erkend. Er moeten dus allerlei omwegen gezocht worden om ons te helpen. Maar de tijd dringt. In feite heeft Milosevic ons al de oorlog verklaard. We zouden naïef zijn als we onze ogen daarvoor zouden sluiten. Daarom hebben we onze politiemacht opgebouwd. Die is veel sterker dan normaal gesproken nodig is, maar we kunnen niet anders.» Tijdens de Kosovo-oorlog weigerde president Djukanovic de «Navo-agressie» te veroordelen en zette hij de deur open voor Albanese vluchtelingen. Het kostte hem bijna de kop: de Vojska Jugoslavija maakte zich op voor de strijd. Het was het ideale moment voor Milosevic en Bulatovic om de macht in de deelrepubliek over te nemen. Maar om onverklaarde redenen bleef de militaire staatsgreep uit. Nu de dreiging weer hand over hand toeneemt, komt de Navo niet verder dan een waarschuwing aan het adres van Milosevic. Maar als er iets te leren valt van de Kosovo-oorlog, is het wel dat waarschuwingen niet werken. Volgens westerse experts heeft het land onmiddellijk concrete hulp nodig. Voor toezeggingen is het te laat. Ze wijzen op de noodzaak van economische steun door het imf en de Wereldbank (maar daarvan is Joegoslavië of*cieel uitgesloten), buitenlandse investeringen (slechts Italië en Duitsland hebben «investeringsgaranties» gegeven — andere landen vrezen het oorlogsgevaar) en een sterke internationale aanwezigheid (alleen Italië heeft een consulaat geopend, buitenlandse politici laten zich zelden zien in Podgorica). Veel belangrijker nog, zeggen militair analisten, is dat de politietroepen de beschikking krijgen over zware wapens. Maar tegen Joegoslavië is een wapenembargo van kracht. Een andere mogelijkheid is het sturen van militaire waarnemers uit de VS en andere Navo-landen en het uitwerken van militaire plannen om de Montenegrijnen met grondtroepen bij te staan. Het allerbeste zou zijn om een internationale troepenmacht in Montenegro te stationeren, net als in Macedonië. En als dat op te veel juridische obstakels stuit, is er nog de mogelijkheid in Albanië, Kroatië en Bos nië Navo-troepen te legeren die de opdracht hebben te voorkomen dat het Joegoslavische leger tegen Montenegro in actie komt. «We krijgen minder steun dan we gehoopt hadden», zei Djukanovic tijdens zijn persconferentie. «De internationale gemeenschap wil dat we eerst een transparante, democratische samenleving opbouwen en dat we onze economie gezond maken. We doen wat we kunnen, maar het gaat langzaam.» Hij wéét dat hij internationaal ingrijpen kan afdwingen door na een referendum de onafhankelijkheid uit te roepen, net als in Kroatië en Bosnië gebeurde. Maar ook in Montenegro’s geval is de kans groot dat de internationale steun pas op gang komt als de oorlog over is. «Tien jaar geleden barstte het hier van de toeristen. Onze kust is een goudmijn», zegt Pavle Tomasovic, terwijl we vanaf de berg uitkijken over de Adriatische Zee. «Ik weet nog wel een leuk huisje voor je te koop. Kost je bijna niets. Dat toerisme komt ooit weer op gang. Prácht van een investering.» Maar wat als het vechten wordt en de Montenegrijnen en masse hun «nationale sport» gaan bedrijven? «Dat geeft toch niets?» zegt Tomasovic. «Na de oorlog bouw je op de puinhopen een nog veel mooier huis, met internationale hulp.» Dat Montenegro de strijd wint, mocht die losbarsten, staat voor hem als een paal boven water. «Ken je die mop over de oorlog tegen China?» vraagt hij. De Montenegrijnen hadden al een poosje niet meer gevochten en zaten verlegen om een nieuwe oorlog. «Laten we China eens proberen», zei de koning. «Hoeveel inwoners heeft dat land?» «Twee miljard», antwoordde zijn opperbevelhebber. «Ai», zei de koning, «daar kunnen we niet tegenop. Hoe moeten we in hemelsnaam twee miljard doden begraven?» Tomasovic lacht zijn slechte gebit bloot. «Het Joegoslavische leger is een stuk kleiner», grijnst hij. En hij begint aan de afdaling.