Opheffer

De tijd maakt alles zinloos

«Het was ten tijde van de uitruiming van Vossius, dat de lijken opgestapeld lagen bij Oger in de PC.» Over drieduizend jaar moeten taalkundigen zich buigen over deze zin. Ze begrijpen hem niet. Op een oude kaart van Amsterdam ziet men dan een gebouw dat het Vossiusgymnasium heet. Ook is er bij een graf, in de buurt van Amsterdam, een brief gevonden van de «Uitvaartvereniging PC», en dus concludeert men dat de zin beduidt dat er waarschijnlijk een barbaarse opstand van gymnasias ten heeft plaatsgevonden waardoor bij een uitvaartvereniging opeens de lijken opgestapeld lagen.

Wat Oger is, weet men niet. Het ziet eruit als een eigennaam, maar een geleerde meent dat «bij Oger» een uitdrukking is voor «slordig», «door elkaar». «Die ligt bij Oger» — dat ligt er slordig bij. «Zorg dat je niet bij Oger ligt» — zorg dat je alles netjes opruimt. Vermoedelijk een Amsterdamse uitdrukking. De geleerde is in verschillende teksten van drieduizend jaar geleden wel de naam Oger tegengekomen, in de zin van «Ik heb een pak van Oger aan», wat waarschijnlijk betekent: «Ik ben slordig gekleed.»

Het voorbeeld moge duidelijk maken dat alles wat wij opschrijven na verloop van tijd gedateerd raakt. De betekenis raakt verloren. En daarmee de visie. Het toont aan dat de stelling «wie schrijft blijft» maar ten dele waar is. Misschien weet men wel dat Opheffer een schrijver is, maar wat hij heeft neergepend is voor het grootste deel onduidelijk.

Ik herinner me dat in teksten van Cicero wel eens een voetnoot stond waarin werd gezegd: «Blijkbaar is hier sprake van een grap die Cicero maakt.» Zoiets was dan bijvoorbeeld vertaald met: «Geld stinkt niet, maar de verdachte wel.»

Cultuur raakt na verloop van tijd zinloos. Zelfs de visie dat de cultuur van nu iets zegt over de actuele tijd is onzin.

Afgelopen week zag ik een foto.

De fotografie is een mooie kunst. Iemand legt een bepaald moment vast. Dat moment vertoont veel overeenkomsten met het werkwoord «zijn». Wat je ziet «is». Het moment is eeuwig, er zit geen verloop van tijd in. Wat je ziet is zo, was zo, en zal op het plaatje zo blijven, zolang dat plaatje bestaat.

De foto die ik zag, was van een blije man met een baard. Hij droeg twee blije kinderen op zijn sterke armen. In de kinderkamer. Op de achtergrond zag je kinderbehang met vrolijke muisjes en lieve vogeltjes. De foto was gemaakt door zijn vrouw, de moeder van de kinderen. Het onderschrift had kunnen luiden: «Een gelukkig gezin». Maar het onderschrift luidde heel anders. Het betrof hier namelijk een foto van een Palestijnse zelfmoordenaar, een dag voordat hij in een bus stapte en zeventien mensen doodde, waaronder vijf kinderen in de leeftijd van zijn eigen kinderen. Hij had de kinderen zeker in de bus zien zitten, maar waarschijnlijk gedacht, zo stond er in de krant, dat het toekomstige Israëlische soldaten zouden zijn.

Ik raak niet op die foto uitgekeken, maar ik heb hem uiteindelijk toch weggegooid. Daarvan heb ik nu spijt. Ik gooide hem weg omdat die foto mij irriteerde. Stel, iemand die niets wist, zou die foto zien, over duizend jaar, of volgende week. Zonder het onderschrift. Hij zou puur geluk zien, in plaats van het omgekeerde: wanhoop, verdriet, onmacht. De vraag is waarom de man op de foto breed lachte. Was het ’t geluk waarvan hij denkt dat het hem in het hiernamaals deelachtig wordt? Waarom heeft hij dan zijn vrouw en kinderen niet in de dood meegenomen? Wilde hij zijn kinderen geen verdriet doen? Dan is hij nog wreder dan ik dacht, ongeacht de manier van denken die hem tot deze daad heeft gebracht.

In het onderschrift stond ook nog dat 24 uur nadat de man zijn moordaanslag dan wel verzetsdaad had gepleegd het Israëlische leger het huis met de grond gelijk had gemaakt. Het behang van dat huis. Daar zat een opvatting over kinderen en het leven achter.