OORLOG IN DE KLAS

De tijd van het leren

Een film, Entre les murs, en een roman, Chagrin d’école, bieden twee contrasterende visies op het Franse onderwijs. De ene is een bericht uit een loopgravenoorlog. De andere is een liefdesverklaring.

TOT VERBAZING VAN de makers werd de film Entre les murs van Laurent Cantet dit jaar winnaar van de Palme d’Or in Cannes. Verbazing, want de film gold als semi-documentaire en werd pas op de laatste dag van de competitie vertoond, toen de meeste bezoekers en de pers al op het terras zaten. Cantet passeerde op de streep gedoodverfde winnaars als Matteo Garrone (Gomorrah), Clint Eastwood (The Changeling) en de gebroeders Dardenne (Le Silence de Lorna). De volledige cast van scholieren verscheen joelend en ketend op het podium.
Inmiddels is Entre les murs een opmerkelijk succes in eigen land. De kracht ervan ligt in de nauwgezette weergave van de confrontatie tussen leerlingen en een leraar, in de onontkoombare claustrofobische arena van de klas, en dat alles in een buitengewoon krachtig naturel, waardoor de pointe hard aankomt.
Entre les murs is eigenlijk een oorlogsfilm. Een jonge, goedwillende soldaat betreedt het slagveld en komt te staan tegenover een gewetenloze vijand, die zich aan god noch gebod gebonden acht. Hooggestemde idealen houden geen stand. De soldaat blijkt slecht voorbereid, slecht bewapend en zijn officieren hebben de neiging vooral vast te houden aan kadaverdiscipline. Aan het begin van Entre les murs roken deze soldaten een laatste sigaretje in de lerarenkamer, spreken elkaar met een flauwe glimlach moed in, slaan de montere nieuweling meesmuilend op de schouder (‘Courage, mon vieux’) en verlaten dan de loopgraaf. Daarna is het ieder voor zich. Er vallen slachtoffers.
De actie speelt zich geheel af tussen de muren van een anoniem schoolgebouw in het 20ste arrondissement van Parijs, niet de buitengewesten van de banlieue, maar een volkse, gekleurde wijk, met een gemiddelde bevolkingsopbouw. Wij volgen het schooljaar van François, een jonge leraar Frans in een klas met veertien-, vijftienjarigen, de Franse samenleving in doorsnee. Achterin hangt de Malinese branie Souleymane, in het midden zitten de bloed-onder-de-nagels-vandaan-trekkende heksen Esmeralda en Khoumba, verderop zit de timide, intelligente Wei, uit China, en dan zijn er nog een stille goth, een blonde bimbo, een brutaal Algerijntje of drie en de übercoole nieuwkomer Carl, die van zijn vorige school is weggestuurd. Khoumba, Souleymane, Wei: het klinkt anders dan Whimpysinger, De Moraatz, Klotterbooke en Van der Karbargenbok, maar de partijen staan even fanatiek tegenover elkaar, en de strijd is even fundamenteel.

Dat de film in Frankrijk een groot succes is, is opmerkelijk, maar ook weer niet, want de Fransen houden van films over scholen, van Les 400 coups (François Truffaut, 1959) tot Les Choristes (Christophe Barratier, 2004) of L’Esquive (Abdellatif Kechiche, 2004). Ook Dead Poets Society (Peter Weir, 1989) was in Frankrijk uitzonderlijk populair. Dat zegt iets over de manier waarop Franse volwassenen terugkijken op hun eigen schooltijd – doorgaans als een sombere, autoritaire periode – en ook over hoe hedendaagse scholieren er aan toe zijn. L’Esquive, bijvoorbeeld, is zo’n docudrama feelgoodfilm, waarin een bevlogen leraar in een achterstandswijk zijn leerlingen door roeien en ruiten een komedie van Marivaux laat spelen. Entre les murs is in alles het tegenovergestelde van die andere succesfilm over het Franse onderwijs, Être et Avoir (Nicholas Philibert, 2002). Daarin stonden het engelachtige geduld en de hartverwarmende liefde-voor-het-vak van de dorpsonderwijzer centraal, wiens kinderen hoogstens een tikje in de war waren, of een beetje dom, of gewoon bang voor de Grote School, maar met wie verder niets mis was. In Entre les murs bevinden we ons in de metropool, en daar gaat het er heel anders aan toe.
De intensiteit van de film is de verdienste van de regisseur, Laurent Cantet, die eerder al een fenomenaal talent toonde in de omgang met amateur-acteurs, eigenlijk alleen vergelijkbaar met dat van Ken Loach. De acteurs zijn echte scholieren; de actie en de dialogen zijn gevormd in tientallen workshops. De permanente herrie in de klas, het vlijmscherpe argot, de nauwelijks verholen woede, de claustrofobie – het is allemaal zeer sterk, en geregistreerd door drie camera’s, simultaan, altijd vanuit dezelfde posities, waardoor de beklemming van dat lokaal de kijker al snel te pakken krijgt.
De film is geïnspireerd op het gelijknamige boek van François Bégaudau, voormalig punkmuzikant en popjournalist, die jarenlang op een middelbare school in Parijs voor de klas stond. Bégaudau speelt zelf de leraar, een leuke dertiger met een speelse aanpak en vlotte humor. Deze François is met zijn vier jaar voor de klas al een veteraan, maar is desalniettemin nog vol élan en vertrouwen, in zichzelf, in de intrinsieke motivatie van de kinderen en in zijn eigen methode. Hij houdt dapper vast aan zijn democratische principes, benadert de kinderen als gelijken, hanteert een socratische methode om de standpunten en uitlatingen van de kinderen te testen, ze te provoceren, te motiveren, et cetera. Tegenover andere leraren, die het zwaarder hebben, verzet hij zich tegen het invoeren van hardere sancties, van het type ‘zero tolerance’ en ‘three strikes – you’re out’, omdat die hem de ruimte tot manoeuvreren met ‘zijn’ lastige kinderen ontnemen.
Maar die humane idealen zijn op het slagveld weinig waard. In die zin is de film onthutsend, zeker voor wie nooit een 21ste-eeuwse schoolklas meemaakte. Alles wat François te berde brengt, zijn liefde voor de taal, zijn methode, zijn milde discipline, zijn pogingen tot persoonlijk contact, zijn uitdaging tot deelname aan een discours, dat alles wordt permanent uitgedaagd, gekritiseerd, bestookt, onderuitgehaald. Het is oorlog; het kleinste vertoon van zwakheid heeft grote gevolgen, één verkeerd gekozen woord kan leiden tot muiterij. Juist de vriendelijkheid pakt verkeerd uit. François’ pogingen om Souleymane, het zwarte schaap, in bescherming te nemen tegen disciplinaire maatregelen leiden tot een vechtpartijtje in de klas, waardoor de jongen van school wordt gestuurd, terwijl François en zijn collega’s weten dat Souleymane’s ouders hem dan naar het dorp in Mali zullen terughalen. Het is een trieste nederlaag, waarna iedereen beschadigd overblijft.

Zoals bij elke goede oorlogsfilm strekt de betekenis van Entre les murs verder dan alleen die ene veldslag. Cantet en Bégaudau stellen de basisaannames van onderwijs ter discussie: dat leraren werkelijk geïnteresseerd zijn in kinderen en werkelijk geloven in de waarde van hun vak, inclusief de nutteloze parfait du subjonctif, en dat kinderen werkelijk geïnteresseerd zijn in zoiets als ‘ontwikkeling’ en dat ze het in principe leuk vinden om vaardigheden en kennis te verwerven voor hun toekomst. Cantets laatste scène is wat dat betreft uiterst pessimistisch: dit is een wereld van uitzichtloosheid, van onberedeneerde agressie – een wereld waarin leraren (en ambulancepersoneel) domweg worden bedreigd.
Blijft over: de vraag naar de motivatie van die soldaten, die poilus. Wat moeten zij nog? Daniel Pennacs boek, Chagrin d’école (Schoolpijn), is ook het verslag van een veteraan, maar een van een ander kaliber dan Bégaudau, want Pennac (1944) begon zijn schoolleven als de spreekwoordelijke domste jongen van de klas, een angstig wezen zonder toekomst dat werd gered door die éne goede leraar die niet opgaf. Pennac mengt die herinneringen met observaties over zijn eigen carrière als leraar, het schoolsysteem, de pedagogiek, de ouders, de funeste invloed van commercie en marketing, et cetera, maar vooral over de intrinsieke belangstelling van kinderen voor ontwikkeling en kennis. Daarin is hij, anders dan Cantet en Bégaudau, een optimist.
Pennac heeft een interessant idee over de essentie van het conflict dat Cantet zo rauw toont. Een achterstandsleerling kent alleen zijn échec, zijn staat van mislukking, zegt Pennac, en wordt daardoor vastgezet in een eeuwigdurend heden, een tegenwoordige tijd, die geen enkele zin of betekenis heeft. De toekomst kan hij alleen zien als een voortzetting daarvan, en dus als een straf – ook al omdat kinderen een heel ander begrip van tijd hebben.
Het is die uitzichtloosheid die de agressie opwekt: ‘Voor mijn gevoel waren de anderen, de leraren, de volwassenen, allemaal véél sterker dan ik, met hun kracht die zoveel verpletterender was dan een vuist, en zo geaccepteerd, zo legitiem, dat het een haast obsessieve wraaklust in me opwekte. (Vier decennia later verbaasde de uitspraak “ik zit vol haat” me niet uit de mond van een groepje pubers. Vermenigvuldigd met een aanzienlijke hoeveelheid nieuwe sociologische, culturele en economische factoren drukte deze uitdrukking precies de wraaklust uit die ik zo goed kende van vroeger.)’
Het is die obsessieve, onbegrepen wraaklust die Cantet toont, en het is misschien ook wel diezelfde obsessieve afkeer van alles wat ‘gezag’ is die bijvoorbeeld die onbegrijpelijke agressie tegen ambulancepersoneel in Amsterdam-West opriep. De hulp die geboden wordt, is alleen maar een hooghartige bevestiging van de achterstandssituatie. De geëmotioneerde messentrekker zit vast in een ‘uitzichtloos heden’, een heel ander heden dan dat van de man met de brancard – of de leraar.
De voornaamste verdienste van de ‘goede leraar’ is, zegt Pennac, dat hij zijn leerlingen een nieuw idee van tijd kan geven, en daarmee van toekomst: ‘Er zou een aparte tijd moeten worden uitgevonden voor de tijd van het leren, “le présent d’incarnation”, “de tegenwoordige tijd van bezinking”. Je breekt met je lot. Je doorbreekt de cirkel. Je ontwaakt uit de betovering. Je zet voet in de realiteit. Je zit in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Je begint “het” te begrijpen.’
Misschien is dát onderwijzen, zegt de schrijver: ‘Proberen te zorgen dat er iedere les een wekker afgaat, waardoor ze weer bij hun positieven komen.’ Dan kan een leerling zijn leertijd overzien, dan gloort er een stukje blauwe lucht. Uiteindelijk, echter, ligt de bal bij de leraar en zijn kolossale taak: nooit opgeven, nooit loslaten. De leraar die daarin bemoedigd wil worden, leze Pennac, die zijn boek eindigt met een lofzang op de liefde voor de jeugd, voor het onderwijs, voor de leraar. Entre les murs kan hij beter aan zich voorbij laten gaan.

Laurent Cantet, Entre les murs, in roulatie vanaf 27 november. Daniel Pennac, Schoolpijn (Chagrin d’école, vertaling Kiki Coumans), Meulenhoff, 221 blz., € 18,90