100 jaar Eerste Wereldoorlog: Een wildernis van rook en woede

De tijd van het paard

De droom was dat de overwinning snel en zoet zou zijn, dat het slagveld een veld van eer ging worden. Maar de bittere, modderige realiteit van de Eerste Wereldoorlog was de loopgraaf.

Medium woijoost2

Neem een man als graaf Franz Conrad von Hötzendorf, hoofd van de generale staf van het Oostenrijks-Hongaarse leger. Hij was al 54 jaar oud toen hij deze hoogste militaire functie in 1906 kreeg; op archieffoto’s ziet hij eruit als een Kirk Douglas, met dezelfde hoekige kop en uitstekende kin, maar dan met wit haar en een snor van het formaat mondharmonica. Hij was het toonbeeld van masculiniteit, zoals dat in het Europa van het fin de siècle in militaire kringen monomaan werd nagestreefd. Zijn privé-archief, terug te vinden in het Haus-, Hof- und Staatsarchiv in Wenen, bevat advertenties voor antirimpelcrèmes, uitgeknipt uit kranten.

En tegelijk was hij een verlegen man, eentje die niet op zijn gemak was in de hogere sociale echelons van de Habsburgse dubbelmonarchie. Hij prefereerde lange wandelingen in de bergen boven de Weense galadiners. Hij had hard gewerkt om zijn positie te veroveren en toen hij zijn rang eenmaal had, ging hij ten onder aan zelftwijfel of hij die rang wel aankon. Wanneer het kon trok hij zich terug, en produceerde melancholieke potloodtekeningen van coniferen.

In 1905 overleed zijn vrouw, wat hem in een zware depressie deed storten, maar twee jaar later ontmoette hij Virginia ‘Gina’ von Reininghaus, de echtgenote van een Weense industrieel. Hun liefde, of zijn liefde, bloeide op nadat de twee op een Weens dineetje bij toeval naast elkaar waren geplaatst. Een week later meldde hij zich bij haar villa aan de Opernstrasse en verklaarde dat hij hopeloos verliefd op haar was. ‘Ik heb slechts één gedachte in mijn hoofd: dat jij mijn vrouw moet worden.’ Ze weigerde, ze zei dat ze een ‘zevenvoudige belofte’ had aan haar man en zes kinderen. Maar Conrad liet haar niet gaan: deze liefde ‘wordt mijn leidende ster’.

Volgens historicus Christopher Clark is de liefde van Conrad voor Gina moeilijk te overschatten: tussen 1907 en 1915 schreef hij haar zo’n drieduizend brieven, sommige meer dan zestig velletjes lang. Hij schreef haar liefdesbrieven die hij haar niet kon sturen, want als ze zouden uitlekken zou dat een schandaal opleveren dat zijn weerga niet kende, en dus plakte hij die brieven in een album, dat hij ‘Het dagboek van mijn lijden’ noemde. Wanneer ze exact zijn minnares werd is niet duidelijk, maar een paar weken nadat hij haar had ontmoet, zocht hij haar weer op en stelde dat als ze hem nog eens zou afwijzen hij zijn rang zou opgeven en zich volledig zou terugtrekken uit het sociale leven. Ze kwamen tot de verstandhouding dat Gina bij haar man en kinderen zou blijven, maar zodra het opportuun zou zijn om te scheiden de zijne zou worden.

‘Zaterdag – Begonnen om kwart voor tien ’s avonds in

Voor die tijd was Conrad altijd al een havik geweest: hij was een sociaal darwinist en geloofde dat de Germaanse beschaving superieur was aan de Slavische, hij besteedde veel tijd aan de modernisering van het leger en adviseerde zijn keizer een agressiever buitenlandbeleid te voeren, harder op te treden in Servië en de Italiaanse invloed op de Balkan terug te dringen. Zijn politieke overtuigingen werden beïnvloed door Gina: Conrad wist dat haar scheiding en een daaropvolgend huwelijk met hem door de Weense elite niet geaccepteerd zou worden. Tenzij. Tenzij hij een oorlogsheld zou zijn, verheven boven de conservatieve mores van het gepeupel. En dus werd zijn antwoord op vrijwel elk diplomatiek vraagstuk ‘oorlog’. Tussen 1907 en 1914 adviseerde hij de keizer een preventieve oorlog te starten tegen Servië, Montenegro, Rusland, Roemenië, en zelfs tegen bondgenoot Italië. Alleen al tussen 1 januari 1913 en 1 januari 1914 pleitte hij er 25 keer voor om Servië binnen te vallen. Hij schreef Gina brieven waarin hij erover fantaseerde terug te keren uit een Balkanoorlog, gekroond met de lauwerkrans der triomf zodat hij haar eindelijk zijn bruid kon maken.

Aan het Habsburgse hof was er één stem die Conrad von Hötzendorf consequent tegensprak, en vrede bepleitte elke keer dat hij om oorlog riep: Franz Ferdinand. De troonopvolger werkte aan een plan om Conrad uit zijn functie te ontheffen, maar onderbrak die politieke plannen voor een bezoek aan Sarajevo. Toen de aanslag bekend werd, zo schreef de minister van Buitenlandse Zaken Leopold von Berchtold in zijn memoires, liet de reactie van Conrad zich samenvatten in drie woorden: ‘Oorlog! Oorlog! Oorlog!’

In 1918, een klein half jaar voor de wapenstilstand, werd Conrad na verschillende demoties definitief uit zijn militaire functie ontheven. Onder Conrads leiding had het Habsburgse leger verlies op verlies gestapeld, met meer dan zeshonderdduizend doden in het Broesilov-offensief (1916) alleen. In 1915 trouwde hij zijn Gina, maar hij eindigde de oorlog als een gebroken man.

Medium woijoost3
vol maanlicht en ijzeren kou. Van twaalf tot twee gegraven’

In vier jaar tijd ging de wereld van 1870 naar 1940, schreef de Britse historicus Norman Stone. Militairen als Conrad von Hötzendorf stelden zich in de zomer van 1914 glorie te paard voor. De Oostenrijkse prins Clary von Aldringen trok ten strijde in hetzelfde uniform dat hij eerder op een gala op Buckingham Palace had gedragen, Britse cavalerieofficieren schaften in de weken in aanloop naar de oorlog massaal nieuwe sabels aan, infanteriesoldaten werden uitgerust met bajonetten. Dit waren de soldaten die met vrolijke marsmuziek naar het front vertrokken, behangen met bloemen door wuivende mensen aan de kant van de weg. Maar vier jaar later stuurden generaals geen paarden, maar tanks en vliegtuigen. Wolken mosterdgas woeien over het slagveld. 1.380.000 Franse militairen sneuvelden, 1.935.000 Duitse, 1.700.000 Russische, 942.135 Britse en 1.100.000 Oostenrijks-Hongaarse. Het was ook, zoals Louis-Ferdinand Céline, zelf een dokter, opmerkte, ‘een gevaccineerde Apocalyps’: in geen periode in de geschiedenis maakte geneeskunde zo’n sprong voorwaarts als tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dezelfde vooruitgang vond plaats op het gebied van telefonie, auto’s en luchtvaart.

De Britse literator J.B. Priestley schreef: ‘Als je geboren bent in 1894, zoals ik, zag je plotseling een grote scheve breuk in de spiegel. Daarna kon je niet ontkomen aan het idee van een wereld die ophield te bestaan in 1914 en een wereld die begon rond 1919, met een wildernis van rook en woede daar tussen.’

Een van de redenen dat we dit schisma zo goed kunnen begrijpen, is misschien dat de oorlog het definiërende onderwerp werd voor een hele generatie schrijvers die vandaag nog steeds gelezen wordt. Erich Maria Remarque in Duitsland, Ernest Hemingway in Amerika, Henri Barbusse in Frankrijk en Edmund Blunden, Robert Graves en Siegfried Sassoon in Engeland. Het verschil tussen de oorlog die militairen als Conrad von Hötzendorf dachten te gaan voeren en de oorlog die ze daadwerkelijk uitvochten valt mooi op te maken uit de beroemde memoires van Sassoon, Memoirs of a Fox-Hunting Man. Sassoon groeide net als Conrad op in de tijd van het paard, op het landgoed van een tante, waar hij Latijn kreeg van een privé-leraar, maar het meest leerde van de stalknecht, mister Dixon. Hij was nog geen negen jaar oud toen Dixon hem een zwarte pony voorreed, en hem hielp in het zadel te klimmen. ‘Duw uw knieën naar voren, meneer’, zei Dixon. ‘En u wordt een geweldig ruiter.’

Het hart van de jonge Sassoon begon te gloeien: hij was voor het eerst ‘meneer’ genoemd. Dit is wat er met je gebeurt als je op een paard zit.

De paarden van het Duitse leger alleen al hadden negen miljoen kilo voedsel nodig, per dag

Wanneer Sassoon jaren later aan het Franse front komt is daar precies een paard te vinden, een zwarte merrie. Hoewel het eigenlijk boven zijn rang is om paard te rijden, weet hij het stuurse dier te temmen, wat respect afdwingt. Op vrije middagen rijdt hij door verlaten bossen, springt over omgevallen bomen en galoppeert heuvels af. Als hij zich eenmaal aan het front meldt, noteert hij sec zijn belevenissen (wanneer hij op de grond slaapt, schrijft hij: ‘Kou en ongemak kunnen er bij bedacht worden’), waarin elke vorm van beweging tot een minimum is beperkt:

‘Donderdag – De loopgraven zijn nat. Kwam aan op een plek tussen de eerste en de tweede linie loopgraven, waar nu ook loopgraven worden gegraven.

Zaterdag – Begonnen om kwart voor tien ’s avonds in vol maanlicht en ijzeren kou. Van twaalf tot twee gegraven.

Zondag – Zelfde als zaterdag. Van twaalf tot twee gegraven. Erg koud.

Bij de slag om Verdun viel

Maandag – Natte dag. Vreselijke modder. Geprobeerd te graven, kwam doorweekt thuis.’ >

En dat is dan nog een literair werk. Sassoon schreef zijn memoires (het zouden drie delen worden) een aantal jaar na de oorlog en gebruikte een alter ego, George Sherston, om zijn ervaring met een zekere kunstzinnige afstand te kunnen beschouwen. Sassoons goede vriend Robert Graves deed dat niet: ook hij schreef zijn memoires, Goodbye to All That, waar het leven aan het front gecontrasteerd werd met zijn kostschoolleven op Charterhouse School. Maar in tegenstelling tot Sassoon had Graves aanvankelijk geen literaire pretenties: hij had geld nodig en moest aan een deadline voldoen. Het boek (1929) krijgt daardoor een cynischer toon dan dat van Sassoon (1928).

De soldaten van Graves zijn niet met paarden bezig, of met de liefdevolle brieven van hun geliefde tantes. Ze zijn met de dood bezig, zoals een drenkeling met de zee bezig is. Ze kijken uit naar het niemandsland, het waste land tussen de loopgraven in, en denken na over de dood van de mannen om hen heen en die van henzelf. Hij vertelt over een officier die een perfecte gentleman is, en op een dag naar een van zijn sergeanten toe stapt en zegt: ‘Overigens, morgen word ik gedood. Zorg ervoor dat mijn brieven aan mijn familie worden gestuurd, verdeel de vijfhonderd francs in mijn portefeuille onder de mannen, en in godsnaam, verbrand mijn dagboek.’ De sergeant sputtert nog wat tegen, maar zijn officier is duidelijk en wijst op zijn hoofd: ‘Hier word ik geraakt.’ En inderdaad, de volgende dag wordt hij precies op die plek door zijn hoofd geschoten. Graves noteert het, en voegt er geen verder commentaar aan toe.

Medium woijoost
elke minuut een dode, dag

Had niemand de loopgraven zien aankomen? ‘La fue tue’ was het motto van de uiteindelijke held van Frankrijk, Philippe Pétain, de man die de succesvolle verdediging van Verdun zou leiden. ‘Vuurkracht doodt.’ Als Conrad de droom was, was Pétain de realiteit. Pétain kwam uit een dorp met vierhonderd inwoners, als vierde kind in een boerenfamilie. In 1876 werd hij als 403de van de 412 toegelaten tot de Saint-Cyr Militaire Academie en slaagde daar als 229ste van zijn klas. Toen de oorlog uitbrak was hij al 58 jaar oud en had hij geen gevechtservaring; hij was ‘slechts’ kolonel en had nooit een gevechtspost toebedeeld gekregen. (Een verdere vergelijking: Pétain bleef vrijgezel tot zijn zestigste, niet uit noodzaak, maar uit onmogelijkheid om te kiezen. Het schijnen zijn heldere blauwe ogen geweest te zijn waar vrouwen en masse voor vielen.)

Wel kreeg hij veel onderwijzende posities, bijvoorbeeld op de Hogere Krijgsschool, waar hij in de aanloop naar de oorlog een buitengewoon onmodieus programma bepleitte. Hij had recente oorlogvoering in Afrika en Azië bestudeerd, en was tot de conclusie gekomen dat een toekomstige oorlog een verdedigende oorlog moest zijn, geen aanvallende. In de vorige eeuw had de Britse cavalerie met haar ‘charge of the light brigade’ nog de Russische kanonnen bij Balaklava bestormd en die batterij kanonnen ook daadwerkelijk bereikt, in deze nieuwe twintigste eeuw zouden deze kanonnen de paarden al op drie kilometer overhoop schieten: ‘La fue tue.’ En dus niet paarden, zwaarden en ‘glorieuze’ infanterie aanvallen – wat precies niet strookte met de nationalistische scenario’s die Home by Christmas! beloofden.

Als ze niet naar Pétain wilden luisteren, hadden ze kunnen afgaan op de ervaringen van de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), waar langgerekte belegeringen van loopgraven waren geweest – maar dat was Amerika, zei men aan de militaire academies in de Europese hoofdsteden, niet ons oude Europa, dat de kunst van oorlogvoeren door de eeuwen heen geperfectioneerd had. De Europese machten hadden plannen en strategieën, vaak al jaren van tevoren uitgedacht, die onverslaanbaar werden geacht.

Geen land had zo’n mooi plan als Duitsland, het Von Schlieffenplan. Waar Duitsland de hele negentiende eeuw bang was geweest in een tweefrontenoorlog terecht te komen met Frankrijk in het westen en Rusland in het oosten had graaf Alfred von Schlieffen een strategie bedacht (officieel in 1892) die dat probleem omzeilde. In de veronderstelling dat Duitsland sneller kon mobiliseren dan zijn vijanden zou het eerst Frankrijk aanvallen, en dan niet via de Franse grens, want daar lagen allerlei gefortificeerde steden, maar via neutraal België, zodat het leger vanuit het noorden binnen enkele dagen bij Parijs zou zijn. Net als in 1870 zou Frankrijk zich dan overgeven en zouden de troepen vlug naar het andere front met Rusland worden gebracht, dat aanzienlijk langer nodig had om te mobiliseren. Het Von Schlieffenplan gold als sacrosanct in Duitse militaire kringen, elk jaar werd het opgepoetst, werden er nieuwe cijfers doorberekend en kleine aanpassingen gemaakt. Toen Von Schlieffen zelf overleed, in 1913, zouden zijn laatste woorden zijn geweest: ‘Onthoud: de rechterflank moet sterk blijven.’

en nacht, tien maanden lang

Dat het niet zo verliep had iedereen met ‘a minimum knowledge of history’ kunnen voorspellen (Henry Kissinger in zijn Diplomacy): door neutraal België binnen te vallen verklaarde Groot-Brittannië Duitsland de oorlog. Bovendien sloeg Frankrijk terug bij de Marne. Maar dat het niet zo verliep had er ook mee te maken dat de generaals niet door hadden hoe geweldig modern hun legers waren geworden. Op een zekere manier dachten ze nog in termen van een veldtocht, zoals Napoleon die had gemaakt, waarbij een leger een land binnenviel en stad na stad veroverde, via slinkse manoeuvres. De realiteit was dat manoeuvreren amper mogelijk was. De legers waren zo groot geworden dat fatsoenlijke communicatie tussen de generale staf en de voorste linies nauwelijks nog mogelijk was nadat de eerste schoten waren gelost. De paarden van het Duitse leger alleen al hadden negen miljoen kilo voedsel nodig, per dag. Om op te rukken naar het Franse front gebruikten de Duitsers 20.800 treinen, om 2.070.000 soldaten, 11.800 paarden en 400.000 ton voorraden te vervoeren, over spoorlijnen die niet ver genoeg doorliepen om de legers precies op hun bestemming te brengen. De kanonnen waarmee geschoten werd waren zo krachtig geworden dat je verschansen in een betonnen fort geen zin had, je moest de grond in. De legers waren volstrekt immobiel.

Tegelijkertijd ging er geen land zo goed de grond in als de Duitsers: de Britse loopgraaf was gemiddeld tussen de 2,4 en 2,9 meter diep, de Duitse 3,7 meter en had soms zelfs drie verdiepingen. De Fransen gebruikten planken om de wanden overeind te houden, de Duitsers schokbestendige zandzakken. Tegenover elke driehonderd mortieren die de Fransen en Engelsen afschoten, viel één dode aan Duitse zijde. Omgekeerd lag dat getal veel lager, rond de tweehonderd (al zijn daar veel verschillende, tegenstrijdige berekeningen voor). Bij de slag om Verdun (1916) viel elke minuut een dode, dag en nacht, tien maanden lang – reken maar uit.

Toch is dat niet het beeld dat overheerst als je aan een loopgravenoorlog denkt. Dan denk je eerder aan zinloos landjepik, waarbij loopgraven worden bestormd, overmeesterd en weer worden verlaten, terwijl er talloze doden vallen in het niemandsland tussen de linies in. Dan denk je aan scherpschutters die in het donker op lichtjes schieten die wel of niet van een sigaret zouden kunnen zijn.

De ‘Grote Gelijkmaker’ was anoniem. Zo eindigt Memoirs of a Fox-Hunting Man: Sassoon staat aan het voorste front en kijkt het niemandsland in en ziet niets, alleen een dichte witte mist. Daar ergens is de vijand, maar hij kan je gedood hebben voordat je hem überhaupt hebt kunnen zien.

Zo sterft ook de jongste telg van het adellijke geslacht Von Trotta, in Joseph Roth’s Radetzkymars (1932), waarschijnlijk de meest melancholieke elegie op het Oostenrijks-Hongaarse Rijk dat met de Conrad von Hötzendorfen ten grave werd gedragen. ‘De oorlog wilde niet beginnen. Hij talmde, zoals soms onweersbuien talmen voordat ze losbreken.’ Generaties lang leeft Roth’s fictieve geslacht Von Trotta toe naar de oorlog om weer de eer van weleer te verdienen, maar als die oorlog er eenmaal is, zijn de lange sabels van de cavalerieofficieren onhandig te lang, en worden de sierlijke goud-zwarte kwastjes aan hun uniformen nat en kleverig in de modder. Als iemand zijn hoofd even boven een spoordijk uitsteekt slaat meteen een kogel in. Nog voordat hij een schutter heeft gezien. ‘“In eeuwigheid, amen!” wilde hij zeggen. Het waren de enige Roetheense woorden die hij kende. Maar zijn lippen bewogen niet meer. Zijn mond bleef openstaan. Zijn witte tanden staarden naar de blauwe najaarshemel. Zijn tong werd langzaam blauw, hij voelde hoe zijn lichaam verkilde. Toen stierf hij.’


beeld: Neurdein/Roger-Viollet/HH