De tijdmachine van de kinderziel

ZE ZIJN ZO klassiek als maar kan: de jonge dromers, vroege tieners die elk moment de puberteit kunnen binnenglijden op weg naar volwassenwording maar nog net kind genoeg zijn om zich in hun eigen wereld thuis te voelen. Multatuli schreef met Woutertje Pieterse het prototype, Van Eeden schiep De kleine Johannes en Theo Thijssen maakte Kees de Jongen onsterfelijk. Drie namen uit een reeks van vele kleine helden die vooral zo tot de verbeelding spreken omdat ze de volwassenen met weemoed herinneren aan de kinderblik, aan een manier van kijken waarin het fabuleren nog niet verloren is gegaan. De wereld van kinderen is nog allerminst op de maat van het conformisme gesneden. Tegenover het vermoeide gebaren en betogen van de volwassenen, tegenover hun hautaine wereldwijsheid en gecamoufleerde hulpeloosheid stellen zij ongecompliceerde gevoelens van spontaniteit, en verlangen en creëren ze hun eigen (soms wrede) sprookjes.

Een topografie van een kinderziel schrijven is daarom altijd een hachelijke zaak. Niet omdat de illustere voorgangers onneembare vestingen vormen - ze lijken me eerder een uitdaging dan een hindernis. De moeilijkheid zit hem vooral in de verbeelding van het kinderdenken zelf. Een beschrijving daarvan is pas geloofwaardig als ze iets van het mysterie van de kindertijd ontsluiert maar tegelijkertijd het raadsel ervan intact laat.
Zoals Leon Gommers (1958) doet in zijn zojuist verschenen tweede roman Het uurwerk van Floor (in 1995 debuteerde hij met De hondejacht). Met de overigens naamloze twaalfjarige knaap die hij daarin binnenste buiten keert, heeft hij opnieuw een uiterst sensibele knul de wereld in geschreven, een ontvankelijke ziel die de lezer lang zal bijblijven. Evenals trouwens het prachtproza waarvan hij zich daarbij bedient.
DE HOOFDPERSOON die Leon Gommers koos, een ik-verteller waarvan we de naam niet aan de weet komen, woont in Zuidoost-Limburg, geboortestreek van de auteur zelf. We schrijven eind jaren zestig - een andere aanwijzing dat er enige biografica in het verhaal is opgelost. Gommers had toen namelijk zelf de leeftijd van zijn protagonist.
Het is de tijd van de radio, met de Heikrekels en Freddy Quinn, van Irma la Douce in de bioscoop, van meisjes met paardestaarten en jongens met borstelkoppen. De nozems worden afgelost door de provo’s, mariniers treinen naar de hoofdstad om de monumentzitters en -slapers van de Dam te vegen, en in Limburg worden onder sociaal-democratisch bewind de mijnen gesloten. Dat ontlokt zijn oom Broer, die nog wel eens ‘rooie gedachten’ heeft, de opmerking 'dat met de sluitingen de doodvonnissen van de mijnwerkers weer in de bureaulades en kluizen van de zich verrijkende kaaskoppen kunnen’.
Zinnen die nog lang geen verzetsman van hem maken; in alle opzichten lijkt hij op elke andere 'Limburgse dommekloot’ die blijft mopperen in de marge, alles wat van 'daarboven’ komt obligaat veroordelend, zonder dat er een eind komt aan de eentonige schommelgang van het eigen dagelijke leven, zo onthutsend gesymboliseerd door de treurig stemmende processies op heiligendagen, en de gezapigheid van het vlaai eten, bier drinken, Frühschoppen (het kroegbezoek na de kerkgang), kwebbelen, kienen en kaarten.
Het is Gommers wel toevertrouwd om dat vadsige leventje in beeld te brengen. Hij doet het in een hilarische scène waarin hij de hele familie bij elkaar brengt in het ouderlijk huis, sinds de dood van zijn moeder ook het onderkomen van de jongen. Die is dan ook een verbaasd toeschouwer. Gevierd wordt Maria Dankdag, maar bier en schnapps maken er al snel een jolige Maria Drankdag van. En als de populaire oom Anton met zijn knoepert van een Höhner het hele gezelschap vervolgens aan het deinen krijgt op polkamelodieën, Weense walsen en Russische jakkermarsen, is de beer helemaal los. Tantes draaien met hun dikke konten op keukenstoelen rond, ooms graaien onder jurken en roepen: 'Lederbroeken open! Schwanz eroet!’
DAT IS NIET bepaald de stemming en het gezelschap waarin de jongen zich thuis voelt. Zijn domein is eerder dat van de stilte, het schemerhol van het trapgat bijvoorbeeld - van waaruit hij naar de geluiden van het huis kan luisteren - of de zolder van het huis. Daar kan hij, tussen de weggezette spiegels waarin hij zichzelf weerkaatst ziet, alleen zijn met zijn engelbewaarder Floor, met hem discussiëren en in alle rust werken aan een uurwerk voor zijn gevleugelde alter ego, een soort tijdmachine, samen te stellen uit klokken die hij op de kermis heeft gewonnen. Daar ook bouwt hij engelenvleugels die het verlangen om uit te vliegen in hem wakker houden. Naast werkplaats voor zijn jongensdromen is de ruimte niet minder uitkijkpost op de wereld, een plek waar zijn ogen vleugels krijgen zodat zijn blikken kunnen wegzweven over de buurt.
Gommers’ joch is een vat vol tegenstrijdigheden, voortdurend in gevecht met zichzelf en anderen, de eigen familie, de schoolkameraadjes of de trainer die van hem een nieuwe Jasjin moet maken. Daarin wordt elke droom aards, pure samengebalde lichamelijkheid: 'De zwarte leren bal haalt mij omlaag en de hete lampen dampen en de knie zit vast in de pratsj en het voorhoofd voelt warm en de regen erop voelt koud en de neus loopt en ik val voor de zoveelste keer naar rechts in de modder. Ik voel van alles. Het snotwater loopt uit mijn neus en mijn modderhand haalt sprietjes gras van mijn slapen weg en knieën tjompen in de pratsj. Links in de zachte pratsj. Rechts in de zachte pratsj. Ik ruik heerlijk zuur gras.’
En omgekeerd, als Broer een scooterongeluk krijgt - een moment waarbij de jongen niet aanwezig is, krijgt die bijna-doodsmak in een schitterende verbeelding het boventijdelijk karakter van een onuitwisbare droom: 'Broer stort met al zijn ledematen verward en met een doffe bof in het portaal van de kerk neer. Broer ligt dood naast de Heinkel en zijn schoen ploft neer - en aldus eindigt het levensgebedje van Broer.’
HANGEND tussen droom en werkelijkheid is het ultieme gevecht dat met de tijd, in de roman gesymboliseerd in de beschermengel Floor, de woelgeest die hem jent, opjut en coacht. Van hem zal hij tenslotte afscheid moeten nemen, en hij weet het: langzaamaan groeit hij de volwassenheid binnen. 'Ik ben tijd kwijt’, constateert de knaap meermalen, en wie tijdbewust wordt, heeft de paradijselijke kinderjaren feitelijk al achter zich gelaten.
Zijn uurwerk voor Floor is vooral een bouwwerk waarin de tijd stilstaat en de naam van zijn engel voorgoed bewaard zal blijven, of zoals het ergens heet een 'uurwerk waar ik strakjes als tegen een sprookjesrand aan kan kijken’. Het is daarmee een hommage aan de kindertijd. Datzelfde geldt voor de hele roman, geschreven in een taal die zindert van poëzie, kleurig en klankrijk is, proza waar je niet genoeg van krijgt.