De tirannie van het zelfplex

Onze cultuur ontwikkelt en verspreidt zich door middel van ‘memen’. Susan Blackmore beschrijft de geschiedenis van de meme en probeert de basis te leggen voor een heuse memetica.

EEN VAN DE perspectieven van waaruit de geschiedenis van de moderne mens kan worden beschreven is dat van de ontnuchtering. Het verhaal is vaker verteld: Copernicus ontnam de aarde in de zestiende eeuw haar veronderstelde centrale positie door te bewijzen dat zij om de zon draaide, Darwin doopte de mens tot afstammeling van de apen en Freud demonstreerde hoe het individu werd gedomineerd door onbewuste motieven en mechanismen. Vooral na de Tweede Wereldoorlog begonnen de inzichten van de psychologie en de sociobiologie (de term komt van E.O. Wilson, 1975) terreinwinst te boeken. De mens was onderworpen aan de biologische mechanismen van overleving en partnerkeuze; homo sapiens werd door onderzoekers ontmaskerd als een kuddedier, makkelijk te verleiden tot geweld jegens medemensen, eenvoudig in zijn oordelen te beïnvloeden en buitengewoon vooringenomen en selectief waarnemend; zijn herinneringen waren meestal niet meer dan constructies en verzinsels. Voor wie er ooit in had geloofd bleef er weinig over van de illusie van het autonoom optredende en boven zijn primaire driften verheven individu - maar onderscheidde de mens zich dan tenminste niet van de andere zoogdieren door zijn cultuur? Door zijn naar verhouding reusachtige schedelinhoud? Door zijn oeverloze geklets? De zoöloog Dawkins beweerde in The Selfish Gene (1976) dat er een nieuwe evolutie op gang was gekomen. Het DNA was niet langer de enige motor van vermenigvuldiging op aarde; de menselijke cultuur ontwikkelde en verspreidde zich door middel van memen, ideeën, woorden, gewoontes, modes en vaardigheden die van brein naar brein werden gekopieerd door middel van imitatie (de term stamt af van het Griekse ‘mimeme’). Zoals door middel van de natuurlijke selectie de levensvormen zich vermenigvuldigen, zo planten culturele verworvenheden zich voort binnen het domein van alle menselijke breinen. De memen, nog in de kinderschoenen, lieten de oude genen 'hijgend’ achter zich. In de daaropvolgende jaren werd de meme-idee door diverse auteurs verder ontwikkeld. Susan Blackmore beschrijft de geschiedenis van het begrip in haar nieuwste boek, The Meme Machine, waarmee zij de basis wil leggen voor een wetenschap van de memen - een memetica. Een van de problemen van de nieuwe leer is dat de basiseenheid ervan, de meme, niet scherpomlijnd is. Blackmore noemt als voorbeelden verhalen, recepten, kleren, het hergebruik van glas, politieke correctheid en architectuurtrends, en ook Da niel C. Dennett presenteert in Darwin’s Dangerous Idea een buitengewoon heterogene lijst: 'wiel’, 'vendetta’, 'alfabet’, 'kalender’, 'schaak’, 'deconstructionisme’. De eerste vier maten van Beethovens Vijfde zijn een meme (ze functioneren als een aparte eenheid), maar ook de partituur van de hele symfonie - en natuurlijk is de mementheorie zelf ook een tamelijk besmettelijke meme. De belangrijkste eenheidscheppende voorwaarde is voor Blackmore dat memen in hun geheel gekopieerd kunnen worden, maar kun je dat beweren van bijvoorbeeld 'politieke correctheid’? Gaat het in dat geval niet om een leerproces? Stephen J. Gould noemde het meme-idee, vooral vanwege dit definitieprobleem, ronduit een 'betekenisloze metafoor’. IMITEREN IS vooral een menselijke kwaliteit. Dieren imiteren maar zelden; ze kunnen een kunstje afkijken, maar alleen wanneer ze het eigenlijk al beheersen. De memetici achten dit talent, mogelijk dankzij ons grote brein, van cruciaal belang. Omdat mensen elkaar kunnen imiteren, kan cultuur zich sneller verspreiden dan genetische ver anderingen zich ooit zouden kunnen voltrekken. De mementheorie behandelt de cultuur in evolutionaire termen, maar Blackmore waarschuwt ons voor het overdrijven van deze biologische analogie. De overeenkomst met genen is dat memen zich willen dupliceren. Blackmore schildert het dwingende beeld van een groot aantal memen en 'memeplexen’ (combinaties van memen) die strijd leveren om de beperkte ruimte in menselijke hoofden; memen die op één of meer van de gebieden 'duurzaamheid’, 'betrouwbaarheid’ en 'vruchtbaarheid’ hoog scoren, maken een goede kans in een brein terecht te komen. De memen hebben geen wil of bewustzijn, maar hun gedrag is gericht op vermenigvuldigen, en dat doen ze blindelings en zodra ze de kans krijgen. De cultuur ontwikkelt zich vanzelf, zonder actoren en zonder planmatigheid, evenals de rest van de schepping. Om zich te verspreiden gebruiken de memen allerlei trucs. Blackmore gaat onder andere uitvoerig in op de altruïsme-truc: binnen een politieke partij of een cultus doen de volgelingen goede werken; omdat mensen vooral die mensen imiteren die ze aardig vinden (de mementheorie leunt zwaar op deze 'ouderwetse’ psychologische categorieën), worden de memen van het geloofssysteem bereidwillig gekopieerd, samen met de andere memen ervan; deze truc vormt ook de kern van de liefdadigheid die werd bedreven door notoire Helpers als Bob Geldof (die na het aids-concert zeer veel van zijn eigen cd’s verkocht) en prinses Diana. Geloofssystemen zijn voorbeelden van verzamelingen van memen, die zich hebben aan eengesloten om hun vermenigvuldiging te vergemakkelijken. Aan het slot van haar boek komt Susan Blackmore tot een radicale, maar vanuit haar optiek bezien logische slotsom. Ze laat zien hoe alle pogingen om een 'zelf’ of de 'ziel’ te lokaliseren hebben gefaald. Wanneer je veronderstelt dat er een dualisme bestaat tussen een materieel lichaam en een immateriële geest, wordt het onverklaarbaar hoe er een uitwisseling tussen beide mogelijk zou zijn. Modern breinonderzoek maakt het steeds onwaarschijnlijker dat er een 'geest in de machine’ bestaat. De hypothese van een homunculus in ons brein zou het lichaam-geestprobleem alleen maar verplaatsen: wie zou het mannetje moeten zijn dat op zijn beurt in de homunculus voor de coördinatie zorgt? Er zou een eindeloze regressie van homunculi ontstaan, maar het raadsel zou er niet mee worden verklaard - voor zover het tenminste een raadsel is. Is het zelf misschien het hele brein, het hele lichaam? We zien onszelf graag als een entiteit die los van onze fysieke breinen en lichamen bestaat, maar Nobelprijswinnaar Francis Crick en vele andere 'materialisten’ huldi gen de zogenaamde 'Verbazingwekkende Hypothese’ dat 'jij, je vreugden en je zorgen, je herinneringen en je ambities, je gevoel van persoonlijke identiteit en vrije wil, in feite niet meer zijn dan het gedrag van een uitgebreid stelsel van zenuwcellen en de daarmee verbonden moleculen’. Lewis Carroll heeft ooit gezegd: 'Je bent niets anders dan een pak neuronen’ - een pak neuronen wel te verstaan dat gelooft dat het meer is dan dat. Er is volgens Dennett geen plaats voor een centrale controleur: het zelf is niets dan de bijwerking van het functioneren van ons hele brein; het hele systeem is 'massief parallel’, een collectie processen zonder centrale, besturende instantie. Niet alleen is er geen theater, er is ook niemand om de voorstelling bij te wonen. BLACKMORE ZIET HET ik en het zelf als een verhaal dat we onszelf vertellen. Wat er bestaat is een stroom ervaringen; er is geen 'ik’ dat geluiden hoort en objecten waarneemt. De psycholoog Claxton definieert het bewustzijn als een 'mechanisme voor het construeren van dubieuze verhalen, waarvan het doel is om een overbodig en onnauwkeurig gevoel van zelf te verdedigen’. De illusie dat er een 'zelf’ bestaat vormt volgens Blackmore de feitelijke bron van het ongenoegen: het zelf verlangt, het vreest, het is teleurgesteld - het lijdt kortom. Wanneer we onze ware natuur zouden kennen, begrepen we dat er geen 'ik’ is dat kan lijden. De resultaten van het moderne breinonderzoek voeren ons kennelijk naar de conclusies die Boeddha al eeuwen geleden trok: hij vertelde zijn monniken dat 'acties bestaan, en ook de consequenties ervan, maar niet de persoon die handelt’. De zoveelste ontnuchtering? De lezer van Blackmores boek voelt al aankomen dat deze ontluisterende visie op het zelf wel erg goed spoort met de mementheorie: het zelf is één grote collectie memen, 'misschien wel het verraderlijkste en doordringendste memeplex van allemaal’ - het zelfplex. De memen hebben er volgens Blackmore voordeel bij om te worden geassocieerd met het zelfconcept van een persoon, of het nu gaat via het opwekken van sterke emoties, door aansluiting bij bestaande memen of middels een gevoel van macht. We zijn een pak neuronen én een pak memen; alle overtuigingen en meningen versterken de illusie dat er een gelovige of eigenaar achter schuilgaat - maar zo'n instantie bestaat niet. Het zelfgevoel is niets meer dan een tactiek van de memen: wanneer het volle gewicht van een 'zelf’ achter ze staat, worden hun overlevingskansen vergroot. Het zelf is de ideale memenbeschermer; of we er nu gelukkig van worden of niet, de memen gebruiken ons 'zelf’ om zich te vermenigvuldigen. Voor een vrije wil is er binnen deze constructie uiteraard geen plaats, omdat het bijbehorende 'ik’ niet bestaat. Blackmore zegt dat deze inzichten haar dagelijks leven heb ben veranderd. Om de tirannie van het 'zelfplex’ te ontwijken concentreert zij zich op de ervaring-van-het-moment, een vorm van meditatie. Om de druk van die duizenden memen te weerstaan, verdeelt zij haar aandacht gelijkelijk over de fenomenen die zij tegenkomt - alleen zo is een vorm van 'verlichting’ mogelijk. ER IS IETS VREEMDS aan de hand met de mementheorie. Dawkins heeft zelf inmiddels gas teruggenomen: in de 1989-editie van The Selfish Gene licht hij toe dat het zijn doel was 'om het gen zijn plaats te wijzen’, niet om een 'grootse cultuurtheorie’ te ontwerpen. In zijn inleiding op The Meme Machine is hij hooguit be reid om op te merken dat 'any theory deserves to be given its best shot’. Blackmore absorbeert de memetica volledig, met alle consequenties: het autonoom handelende individu sneuvelt, ontmaskerd als overlevingsconstructie; het enige verweer ertegen is om een kwaliteit van aandacht te ontwikkelen die ons 'open’ en 'vrij van het zelf’ maakt. Het is merkwaardig om te zien hoe achteloos deze nuchtere Britse auteur het op basis van een vrije wil en daarom ethisch handelende individu aan de Meme-Baäl offert. Zelfs indien zou worden bewezen dat er geen vrije wil bestaat, of wanneer de kwestie onbeslisbaar zou blijken, dan nog resteert onze ge woonte om in termen van een voor zijn daden verantwoordelijk individu te denken. Tot hoeveel jaar gevangenisstraf moet je iemand veroordelen wanneer hij de willoze prooi was van de overval-op-postagentschap-meme? Voor Blackmore is de heerschappij van de meme een uitgemaakte zaak, en of het nu om de afmetingen van ons brein, het verschijnsel altruïsme, sociale structuren of haaks op de voortplanting staande seksuele gewoontes gaat, de memetica moet kennelijk de hele menselijke cultuur verklaren - een taak waarop deze onvoldragen en oppervlakkige 'wetenschap’ niet berekend is. Na verloop van tijd irriteert Blackmores eenzijdigheid. Saillant voorbeeld is de moeite die zij heeft met het verschijnsel taal. Driftig speurt ze naar het evolutionaire voordeel dat taal de mens opleverde, maar ze weigert de optie serieus te nemen dat taal - voor zover niet samenvallend met denken - evolutionair indifferent zou kunnen zijn (volgens één opvatting is de voornaamste toepassing roddel, een visie die iedereen die wel eens een middag op een zomers terras heeft doorgebracht geneigd is te delen), niet meer dan een plezierig neveneffect van de biologische evolutie. Zo dwingt Blackmore zichzelf alweer de memen te hulp te roepen: het drukke gepraat in ons hoofd wordt veroorzaakt door al die om aandacht schreeuwende memen. Waarom is het toch zo moeilijk om de ingewikkeldheid van de menselijke cultuur te respecteren? Met eyes wide shut wandelt Blackmore in de valkuil van het reductionisme. Ze meent te moeten afdalen tot de axiomatische bodem van de memetica, en het effect is 'als het ontwaken uit een staat van verwarring’ - althans, wat haar betreft. Het valt te betwijfelen of de mementheorie een grote toe komst tegemoet gaat. Om te verklaren waarom memen en memeplexen succes hebben moet de theorie nog steeds haar toevlucht zoeken bij de bestaande psychologische modellen: de memeplex 'religie’ is aantrekkelijk omdat er angsten mee bezworen worden, melodieën zijn aanstekelijk omdat ze om de een of andere reden - inderdaad - aanstekelijk zijn. Wanneer het succes van een kunststroming moet worden toegelicht, heeft de memetica niet meer te bieden dan een traditionele benadering; nog steeds moet - Blackmore beseft dat zelf ook - aan de hand van culturele en historische categorieën aannemelijk worden gemaakt waarom de pop art in de jaren zestig de Parnassus der Hogere Kunsten mocht beklimmen - voor zover een dergelijke verklaring al mogelijk zou zijn. De vraag is of de memenwetenschap een serieuze inhoudelijke bijdrage kan leveren. Zij biedt een bruikbare vorm van beeldspraak over culturele ontwikkeling vanuit een onttoverd darwinistisch perspectief, maar voorlopig ook niet meer dan dat. De memetica is een hulpstuk, maar wanneer zij geen uitspraken doet over het niveau waarop ook de details gaan spreken, is zij niets meer dan een stelsel van metaforen. We weten allang dat er 'strijd’ wordt gevoerd tussen kunstrichtingen en wereldbeelden, we zien dat Tsjechen goed kunnen ijshockeyen en we vernemen dat de eskimo’s, in tegenstelling tot de bekende urban myth, niet meer dan twaalf woorden voor sneeuw hebben - nauwelijks meer dan er in het Engels ter beschikking staan - maar we willen ook graag weten waarom. Concepten zijn voor de ontwikkeling van de homo sapiens van cruciaal belang gebleken, maar wanneer hij ervan moet léven, blijkt de calorische waarde vaak onvoldoende.