Richard Sennett over Facebook, populisme en Job Cohen

De tirannie van intimiteit

In 1974 maakte Richard Sennett naam met The Fall of Public Man. Volgens de socioloog verkeert ons openbare leven nog steeds in crisis. ‘Alles moet tegenwoordig simpel en direct consumeerbaar zijn.‘

ER ZIJN TWEE dingen die een mens tot mens maken: zijn werk en zijn thuis. In De mens als werk in uitvoering, een onlangs verschenen inleiding op de boeken van Richard Sennet, noemt de Amerikaanse socioloog ze als de belangrijkste thema’s uit zijn omvangrijke oeuvre. Dat Sennett geldt als vermaard criticus van de moderne arbeid behoeft nauwelijks toelichting. Sennett - die in 1943 werd geboren in een achterstandswijk van Chicago en later Londen als thuisbasis koos - is bekend om zijn kritiek op de cultuur van het nieuwe kapitalisme dat met flexibilisering en korte contracten de stabiliteit van het werkende bestaan ondermijnt. ‘Thuis’ is een wat lastiger te plaatsen begrip in zijn denken. Sennett is niet zozeer geïnteresseerd in wat zich achter de voordeur afspeelt, maar onderzoekt hoe de mens zich thuisvoelt op de werkvloer, in het theater of in de stad - kortom, in het openbare leven.
Zijn meest beroemde verhandeling over het publieke domein, The Fall of Public Man, stamt alweer uit 1974. Het boek is tegelijk stadsgeschiedenis en cultuurkritiek. Hij schetst hierin zijn ideaalbeeld van het openbare stadsleven, zoals dat bestond in de Europese hoofdsteden van de achttiende eeuw. De stad was volgens Sennett een plek waar het menselijke dier transformeerde in een sociaal wezen door ontmoetingen en omgang met vreemden. De openbare ruimte was een grote gelijkmaker. Toegang tot het publieke domein was niet gebonden aan klasse.
Deze wereld zijn we kwijt, meende Sennett. Het openbare leven is verlamd als gevolg van een bijna pathologische obsessie met privé-zaken. ‘Meer dan ooit zijn massa’s mensen gepreoccupeerd met hun particuliere emoties en hun eigen levensgeschiedenis. Dit is eerder een valstrik dan een bevrijding’, zo schreef hij. De opdringerige aanwezigheid van private zaken in het publieke debat deed hij af als de ‘tirannie van intimiteit’. Zijn cultuurkritiek was hard: ‘Ik vraag me af of dit ons niet primitiever maakt dan de meest eenvoudige jagers en verzamelaars.’
Er zijn goede redenen om dit klassieke werk van Sennett nu op te rakelen. We hebben de vaardigheid van een betekenisvol publiek leven niet herwonnen, zo maakt hij duidelijk tijdens een gesprek in een hotel op de hoek van de Rotterdamse koopgoot. Sennett is in Nederland om de Spinozalens, een tweejaarlijkse oeuvreprijs voor humanistische denkers, in ontvangst te nemen. De jury kende hem die onderscheiding toe onder meer vanwege de helderheid waarmee Sennett het gebrek aan oriëntatie en machteloosheid van het moderne individu beschrijft. Tijdens ons gesprek blijkt andermaal hoe terecht die eer is. Aan de hand van de opleving van het populisme, de populariteit van Facebook en zelfs het destructieve sprinkhaankapitalisme weet Sennett uit te leggen waarom het individu nog steeds in crisis verkeert.
Maar eerst wil Sennett een teleurstelling toegeven. ‘Ik hoopte dat The Fall of Public Man een boek zou worden dat zijn eigen tijd niet zou overleven. Het tegendeel is waar gebleken. De neiging om de intieme kanten van ons bestaan te etaleren, onze obsessie met het privé-leven van publieke figuren, dit is alleen maar erger geworden. Personality lijkt soms het enige te zijn waar de politiek om draait. De politieke arena is steeds minder een plaats voor ideeënstrijd en steeds meer een plek waar politici zichzelf kunnen etaleren. Ik spreek hier in eerste instantie over de Anglo-Amerikaanse situatie, maar dit probleem speelt ook zonder meer in Europa, met Berlusconi als treurig boegbeeld van deze ontwikkeling.’

IN HOEVERRE GELDT hier dat Europa de leiders krijgt die het verdient?
‘De obsessie met het private zit niet louter in onze manier van politiek bedrijven. We leven in een cultuur die zich voornamelijk richt op wat eenvoudig te begrijpen is. Alles moet simpel en het liefst direct consumeerbaar zijn. We hebben daarom weinig geduld voor zaken die wat meer intellectuele moeite kosten. Voor subtiliteiten of tegenstrijdigheden is in zo'n cultuur geen ruimte. De politiek is daar een afspiegeling van. Je richten op de persoon in plaats van op de ideeën is een gemakzuchtige keuze.’
Hier werd tijdens de verkiezingsstrijd druk gespeculeerd over de geaardheid van Mark Rutte…
‘Dat is precies wat ik bedoel!’
Behalve door de politiek wordt de crisis van het publieke domein aangewakkerd door de technologie. U schreef: ‘Elektronische communicatie is een van de instrumenten waarmee het idee van een publiek leven wordt vernietigd.’ Dat was in 1974. Hoe kijkt u nu tegen dit onderwerp aan?
‘Hier geldt hetzelfde: de invloed van elektronische communicatie heeft ons publieke bestaan alleen maar verder verzwakt. Wat een medium zoals Facebook doet, is het vervangen van een cultuur van dialoog en interactie met een cultuur waarin het tentoonstellen van jezelf de voornaamste bezigheid is. Ik verbaas me over de klacht dat Facebook onvoorzichtig omspringt met de privacy van zijn gebruikers. Het hele medium wordt bij uitstek gebruikt om de grens tussen privé en openbaar te vervagen.’
Aan de andere kant: Facebook is een instrument dat mensen de gelegenheid geeft hun publieke identiteit tot in detail zelf vorm te geven. De manier waarop mensen hun profiel bijhouden heeft wat weg van de ambachtelijkheid die u bezingt in uw laatste boek, The Craftsman.
‘Een online identiteit is weliswaar vormgegeven, maar niet op ambachtelijke wijze. It is constructed, not crafted. Als je, zoals veel jongeren, een zware gebruiker van nieuwe sociale media bent, leef je in een staat van bijna constante zelfetalering. Daarbij worden alle ambiguïteiten van een persoon zorgvuldig vermeden. Alle belevenissen en verhalen moeten in één oogopslag te begrijpen zijn. E-mail is een vergelijkbare bezigheid die wel draait om construction, maar niet om craftsmanship. Het moet kort en bondig zijn. Daarom is e-mail meer informatie dan communicatie. Lees er maar eens een willekeurige e-mailcorrespondentie op na. Dat soort gesprekken zakt al snel af naar de meest primitieve vorm van converseren. Minder dan een halve eeuw geleden, toen er nog brieven geschreven werden, deden mensen hun best om zich expressief te uitten. E-mail nodigt daar niet toe uit.’

SPREEKT HIER een conservatief? Het is bekend dat Sennett in zeer linkse kringen geboren werd. Zijn vader en ooms waren lid van de communistische partij en vochten in de Spaanse Burgeroorlog. Zijn moeder was haar hele leven actief in de arbeidersbeweging van Chicago. ‘Toen ik The Fall of Public Man schreef nam ik juist wat afstand van die achtergrond. Pas later ben ik opnieuw links geworden’, lacht Sennett. Het zou dan ook een vergissing zijn om zijn kritiek op Facebook als teken van een starre geest te beschouwen. Digitale zelfetalering is volgens de socioloog geen probleem op zich. Het is een indicator van de povere kwaliteit van ons publieke bestaan.
Sennett, zo is duidelijk, koestert een ideaalbeeld van een publiek domein als ruimte gevrijwaard van de intieme preoccupaties van ieder individu. In The Fall of Public Man verzette hij zich daarom tegen de neiging om intimiteit en informaliteit als deugden in het publieke sociale verkeer te beschouwen. Hij bepleitte de omgangsvormen waar zijn generatiegenoten zich graag tegen afzetten: formaliteit, terughoudendheid en goedgemanierdheid. Juist het opzetten van een masker en het spelen van een rol zijn nodig in het openbare leven, meent de socioloog. Een teveel aan private beslommeringen staat volgens hem het debat over gezamenlijke belangen in de weg.
De voorkeur voor persoonlijke kwesties boven het algemeen belang is volgens Sennett ook een van de redenen waarom populisme in de politiek zo goed gedijt. Hij legt uit: ‘Het debat vertroebelt op het moment dat identiteitspolitiek het van ideeënpolitiek wint. En dat is precies waar populisten op inzetten. Daarom richten ze zich direct op de persoonlijke vertegenwoordigers van de gevestigde orde. Je ziet het aan Obama. Toen hij zijn politieke campagne begon werd hem een enorm charisma toegeschreven dat hij nooit in die mate heeft bezeten. Hij werd gelauwerd als een verlosser. Dat is achteraf gevaarlijk gebleken. Het geeft zijn tegenstanders nu de kans om hem te framen als een valse verlosser. De Tea Party-beweging leeft van dit sentiment. Ze bedrijven voornamelijk persoonspolitiek waarin het gaat om absurde vragen zoals of Obama niet heimelijk een moslim is. Ik zie hier de angst voor de vreemdeling terug.’
Toch heeft een beweging als de Tea Party wel iets van een politieke agenda. Een minimum aan staatbemoeienis bijvoorbeeld.
‘Ook dat komt voort uit een gebrek aan affiniteit met de publieke zaak. Neem hun strijd tegen publieke gezondheidszorg. De Tea Party is bang dat een dergelijk systeem, valselijk afgeschilderd als “socialistische gezondheidszorg”, de persoonlijke band tussen patiënt en dokter kapot zal maken. Private belangen winnen het dus van publieke goederen. En dat terwijl de gezondheidszorg in de VS echt hopeloos tekortschiet. Weinig mensen realiseren zich dit, maar de belangrijkste reden voor het bankroet in de VS is het niet kunnen betalen van ziekenhuisrekeningen.’
Er zijn ongetwijfeld dieperliggende oorzaken voor het populistische succes.
‘Absoluut. Ik wil deze ontwikkeling zeker niet wegzetten als misplaatst ressentiment van de petite bourgeoisie. Er gaan wel degelijk fundamentele problemen schuil achter het ongenoegen, vooral van sociaal-economische aard. Er is een gebrek aan vooruitzichten voor deze klasse. Bovendien biedt het werkende bestaan nauwelijks stabiliteit meer. Werken is veranderd van het opbouwen van een levenslange carrière naar het hebben van meer dan tien verschillende banen achter elkaar. De fragmentering van arbeid is enorm destructief voor het opbouwen van een publieke identiteit. De politiek is, andermaal, een afspiegeling van deze publieke identiteitscrisis.’
Wat betekent het verlies van een publieke identiteit voor de privé-sfeer?
‘Het verlies aan bakens in het openbare leven, waartoe het werk behoort, vergroot de neiging om je wereld te versmallen. Men zoekt als het ware dekking in de privé-sfeer. Tegelijkertijd fragmenteert ook dat instituut. Families wonen zelden meer in verschillende generaties samen. Een groot deel van de huwelijken eindigt in een scheiding.’

SENNETT BEWEERT in De mens als werk in uitvoering dat hij, in tegenstelling tot andere grote sociologen, geen school heeft gesticht. Dat is waar, maar zijn denken bevat meer systematiek dan die opmerking doet vermoeden. Hij is een meester in het verbinden van de twee levenssferen die een constante vormen in zijn werk: arbeid en het openbare leven. Voor beide geldt dat de dynamiek naar binnen gericht is. ‘Vooral de laag- en middengeschoolde arbeiders zijn slachtoffer van deze cultuur’, aldus Sennett. ‘Het nieuwe kapitalisme is vooral een speeltje van een kosmopolitische klasse, voor wie de flexibele economie wél kansen biedt. Dit wreekt zich ook in de omgang met het algemeen belang. Dat wordt nu vooral gedefinieerd door een economische toplaag. In tegenstelling tot de achttiende en negentiende eeuw staat er nu geen publieke cultuur van de werkende klasse tegenover die van de elite.’ Hier toont zich nog een kenmerk van zijn denken: voor Sennett hebben sociale klassen als analytische categorie niet afgedaan.
In The Fall of Public Man betoogt u dat kosmopolitisme juist het antwoord is op de politiek van het ressentiment. Wat doet deze klasse nu verkeerd? Zijn de hedgefondsjongens en investment bankers niet juist de belichaming van het kosmopolitische ideaal?
‘Deze types hebben een grenzeloos leven, dat klopt, maar het zijn geen public men. Ik zal een voorbeeld geven. In New York, waar ik ieder jaar een aantal maanden woon, heeft zich een belangrijke verschuiving voorgedaan in de financiële sector. Tot in de jaren vijftig en zestig zat de top van het bankwezen ook in het bestuur van private scholen, private ziekenhuizen en goede doelen. Ze waren doordrongen van hun verantwoordelijkheden als burger. Dat is een van de redenen waarom een plek als New York het zonder uitgebreide publieke voorzieningen kon stellen. Maar in een mondiale economie verliest de elite de binding met een plek.
Medewerkers van Deutsche Bank in New York, om een voorbeeld te noemen, wonen gemiddeld drie, vier jaar in de stad. Hun notie van goed burgerschap bestaat uit geld geven aan het Museum for Modern Art, het soort publieke steun dat weinig betrokkenheid vraagt op lange termijn. Voor het in stand houden van een particulier verzorgingssysteem voelen ze geen enkele verantwoordelijkheid. De mondiale elite is kosmopolitisch omdat ze makkelijk van plek naar plek verhuizen, niet omdat ze in staat zijn buiten hun eigen leefwereld te treden.’
Wat zijn de politieke gevolgen hiervan?
‘Macht en autoriteit worden van elkaar gescheiden. De feitelijke machtsdragers zijn niet langer degenen die zich ook als publieke autoriteit opwerpen. Daarmee verliezen we het negentiende-eeuwse ideaal van burgerschap, waarin het dragen van private en publieke verantwoordelijkheid hand in hand gingen.’
Wie zou in uw ogen nog wel de kwalificatie public man verdienen?
Sennett denkt lang na en zegt dan: ‘Job Cohen. Hij is oncharismatisch en juist dat is zijn politieke kwaliteit. Hij is vooral dienaar van de publieke zaak, zo zag je tijdens zijn burgermeesterschap van Amsterdam. Ik betreur het dat hij niet jullie minister-president is geworden.’

DAT DE AMERIKAAN Sennett een duidelijke mening heeft over de Nederlandse politiek verbaast niet. Hij is ruim twintig jaar getrouwd met de Nederlandse socioloog Saskia Sassen en is daarom geen echte buitenstaander. Sennett acht zijn analyse van het populisme dan ook zonder meer van toepassing op de Nederlandse verschijningsvorm hiervan. ‘Ook de PVV is een partij die munt slaat uit het ressentiment van de petite bourgeoisie. Wat mij zorgen baart is hoe gemakkelijk het is gebleken om in Nederland een politieke carrière te maken die vooral stoelt op religieus racisme. Dat is voor mij het bewijs dat private obsessies en de angst voor de vreemdeling het publiek debat verlammen. De grote vraag waar ik me nu mee bezighoud is hoe we ons publieke bestaan nieuw leven kunnen inblazen, in weerwil van de politieke en technologische krachten die dit juist ondermijnen.’
Waar denkt u aan?
‘De eerste voorwaarde is dat we opnieuw leren omgaan met vreemden. Hierbij moet de digitale publieke ruimte een nieuwe rol gaan spelen. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk is om digital commons te creëren. Voor mijn nieuwe boek heb ik bestudeerd hoe in de digitale ruimte vreemden met elkaar verbonden kunnen worden. Ik trof een mooi voorbeeld van ngo’s op verschillende plekken in de wereld die dankzij de meest primitieve vertaalsoftware toch met elkaar konden communiceren. Het digitale domein kan dienst doen als oefenzone voor het echte publieke leven.’