De flexmens kan niets plannen

De toekomst begint later

Hij is en blijft het droombeeld van de politiek. Maar over hoe de flexmens er precies uitziet, lopen de meningen uiteen. In Nederland wordt hij zelden in het wild waargenomen.

Medium up in the air

ER IS ÉÉN iemand die een beslissing neemt in Sommerhaus, später van Judith Hermann. De Berlijnse cultroman, in het Nederlands vertaald als Zomerhuis, later, verscheen eind jaren negentig en ging sindsdien honderdduizenden keren over de toonbank. De verhalenbundel is een zeldzaam rake beschrijving van de flexibele generatie. Half student, half kunstenaar, half werkloos leven deze twintigers en dertigers in het hier en nu. Relaties, baantjes, drankfestijnen komen en gaan. Een langere termijn is er niet.
De hoofdfiguren in de roman lijken hip, maar ze zijn laf. Bang om een onvermoede mogelijkheid te missen, stellen ze alle grote beslissingen uit. De keuze voor die grote liefde, jij, ik, dat zomerhuis samen - het komt later wel. De enige die zich daar niet bij neerlegt, is de half werkloze taxichauffeur ‘Stein’. Hij was degene die dat vervallen zomerhuisje op het platteland net buiten Berlijn kocht. Een onuitgesproken wenk aan de vertelster: zo kan onze toekomst eruitzien. Ze gaat er niet op in, noch slaat ze het aanbod af. Ze schuift de beslissing voor zich uit. Aan het slot van het titelverhaal hakt Stein - hij is de uitzondering - de knoop door: het huisje brandt af.
De door Hermann beschreven flexibele persoonlijkheden zijn als gasten die te lang blijven hangen op een feestje. Waarom, dat staat niemand helder voor ogen. Het heeft iets te maken met verwachting. Zolang ik mijn jas niet pak, kan er later op de avond nog iets groots plaatsvinden: een zinderende orgie, misschien wel liefde op het eerste gezicht. Het trieste is dat, zelfs al zou die zich aandienen, geen van de gasten de kans zou grijpen. Flexibiliteit, dat is immers ook je kaarten zo lang mogelijk tegen de borst houden. Misschien komt er straks iemand binnen die nóg mooier, leuker, spannender is.
Deze 'generatie later’ bestaat niet enkel in de literatuur. Ooit studeerde ik een semester aan de Humboldt Universiteit. Ik trok op met een groep studenten in de sociale wetenschappen. Stuk voor stuk buitengewoon intelligent, links en niet zonder ambities. Maar toen ik na tien jaar terugkeerde, trof ik mijn voormalige studiegenoten in vrijwel dezelfde toestand aan als voorheen. Het enige verschil was dat het romantische leven van drank, politieke discussies en uitgaan zijn glans had verloren. Steffen was net bezig zijn studie af te ronden (summa cum laude, dat wel), Gunnar werd uit de werkloosheid weggepromoveerd doordat de sociale dienst hem zelf een - tijdelijke - functie aanbood. De rest stapelde stage op uitzendbaan op jaarcontract. Olli maakte zijn sociaalwetenschappelijke opleiding te gelde als hondentrainer.
Flexibel, inderdaad. Maar wel een gemankeerde flexibiliteit. Anders dan in Hermanns verhalen was de houding van mijn studievrienden niet zelfverkozen (of treffender: het resultaat van niet-kiezen). Zij wilden inmiddels niets liever dan een vaste baan. Maar in de haperende Berlijnse economie bleef dat een fata morgana. Het was een voorafspiegeling van hoe het sinds de eurocrisis hoogopgeleide jongeren in heel Europa vergaat. De toekomst moest nog altijd beginnen. Precies: later.
De flexmens is wel eens vergeleken met een tak. Als er een nieuwe wind opsteekt, blijft hij niet star volharden in zijn uitgangspositie. Hij buigt mee. De flexibele mens, aldus de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, speelt losjes met rollen. Hij hopt multitaskend van de ene baan naar de volgende ervaring en zet daarbij oude vaardigheden even gemakkelijk aan de kant als hij nieuwe opdoet.
Naar zo'n nieuw menstype heeft ook menige Nederlandse bestuurder wel oren. Niet dat ze te klagen hebben. Jonge Nederlandse professionals zullen volgens sommige schattingen tot hun pensioen voor gemiddeld elf verschillende werkgevers werken. Het aantal flexwerkers groeit bovendien gestaag. Nu al bedraagt hun aandeel in de arbeidsmarkt, afhankelijk van de gebruikte definitie, 17 procent (CBS) of zelfs 34 procent (UWV). Het aantal zzp'ers (zelfstandigen zonder personeel) is in vijftien jaar tijd zelfs bijna verdubbeld, van 397.000 naar 732.000.
Ook buiten de werkvloer tonen Nederlanders zich flexibel. In de slaapkamer bijvoorbeeld. 'Mensen scheiden steeds vaker’, licht hoogleraar en CBS-hoofddemograaf Jan Latten toe. 'Een op de vijf kinderen woont niet meer met beide biologische ouders in een huis. En meer dan de helft van de eerstgeborenen heeft inmiddels ongetrouwde ouders, een enkeling een bewust alleenstaande moeder. Dat zijn allemaal indicaties dat het steeds minder vanzelfsprekend is om een blijvende relatie te hebben en een gezin te vormen.’ Latten bestudeert al jaren het relatiegedrag van Nederlanders. Over hoe dat is veranderd, laat hij geen misverstand bestaan: 'Er is steeds meer onzekerheid over met wie je met Kerst aan tafel zit.’
De oorzaken hiervan lopen uiteen: individualisering, de teruglopende invloed van de kerk, vrouwenemancipatie. Maar ook flexibilisering speelt een belangrijke rol, denkt Latten. Een typische uiting hiervan is uitstelgedrag: 'Mensen trouwen later en krijgen pas op hogere leeftijd kinderen.’ Dat hangt ongetwijfeld samen met de flexibele mantra dat je je opties zo lang mogelijk open moet houden. Om diezelfde reden valt het verenigingen en politieke partijen steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden die zich voor langere tijd aan de goede zaak willen verbinden.
Maar toont de gretigheid waarmee de laatste jaren gesproken wordt over het belang van het gezin niet juist dat er een kentering gaande is? Latten heeft zijn twijfels: 'We zijn ook steeds meer gaan spreken over teambuilding. Maar dat doen we omdat het tegenwoordig in organisaties aan spontane teambuilding ontbreekt. Dus moeten we het erover hebben.’

Medium hh 10580179

LATTENS CONCLUSIE is onverbiddelijk: behalve jobhoppen zijn we ook gaan lovehoppen. Maar hoe buigzaam de moderne mens zich ook opstelt, het kan altijd meer, beter - flexibeler. Niet voor niets kwam minister Kamp (VVD, Sociale Zaken) begin dit jaar met nieuwe plannen. Hij wil organisaties toestaan hun medewerkers nog minder snel een vast contract aan te bieden. Door zo'n verandering van de flexwet kunnen er in de toekomst tijdelijke contracten komen van bijvoorbeeld zeven jaar. Op die manier, zo luidt het argument, kunnen bedrijven nog beter 'mee-ademen’ met de economie.
Maar wat als die economie hyperventileert? Dat is ook de vraag die Sennett met zoveel woorden heeft opgeworpen, onder meer in The Corrosion of Character. Hij toont zich sceptisch over het politieke verlangen naar oneindig buigzame burgers. Wat als er zoveel flexibiliteit van een tak wordt verwacht dat hij breekt? En hoe kan een tak nog terugbuigen als hij geen notie meer heeft van zijn oorspronkelijke positie, van waar hij zelf voor staat, zoals bij de Berlijnse jongeren in Sommerhaus, später het geval lijkt?
Zo ver is het in Nederland nog niet, denkt de Tilburgse arbeidseconoom Ronald Dekker. Dat betekent niet dat hij vindt dat Sennett geen punt heeft: 'In de maatschappij zijn langdurige relaties heel belangrijk. Voor de sociale cohesie, bijvoorbeeld.’ Maar, stelt Sennett terecht vast, kortdurende werkrelaties belonen juist het tegenovergestelde. Kortetermijngedrag dus. Hij beschrijft hoe door en door flexibele Amerikanen niet langer kennismaken met de buren; over een paar maanden zijn ze toch weer vertrokken. Voor zo'n trend ziet Dekker in Nederland onvoldoende aanwijzingen: 'Alle flexibiliteit ten spijt heeft driekwart van de werknemers hier nog altijd een langdurige arbeidsrelatie. Het is dus nog niet zo ver. Maar, en dat moet ik toegeven, Sennett beschrijft wel degelijk een geloofwaardig risico van flexibilisering.’
Daarbij is het van belang om een helder onderscheid te maken tussen soorten flexibilisering, benadrukt Dekker. Neem het vorige week ingediende initiatiefvoorstel van GroenLinks en CDA. Een speciale Wet Flexibel Werken moet werknemers in de toekomst in staat stellen vaker thuis of buiten kantoortijden te werken. Dat zorgt niet alleen voor minder files, maar zo zouden mensen werk en privé ook beter kunnen combineren. Typisch een voorbeeld van flexibilisering waar werknemers zelf wat aan hebben, vindt Dekker. Een ander voorbeeld daarvan is job rotation: 'Toen ik vroeger als kok werkte in een restaurant deed ik eerst de voor- en nagerechten. Later mocht ik bij de grill staan en kreeg ik nog andere taken, maar aan mijn contract veranderde niets.’
Zulke functionele flexibiliteit zorgt voor afwisseling, meent Dekker. Mensen kunnen zich breder ontplooien. Maar in het politieke debat gaat het doorgaans over wat met een ingewikkelde term wordt aanduidt als externe numerieke flexibiliteit. 'Dat betekent dus dat je als werkgever een flexibele schil organiseert, door middel van tijdelijke contracten, uitzendkrachten en zzp'ers. De flexibiliteit die hierbij van mensen verwacht wordt, is dat zij onzekerheid accepteren; dat ze niet weten waar ze over een maand zullen werken.’
De voorstanders hiervan leken lange tijd in de meerderheid. Flexibele arbeid zou niet alleen winst opleveren voor werkgevers, maar ook zorgen voor minder werkloosheid en meer economische groei. Zo geloofwaardig als dat ooit klonk, is dit verhaal echter al lang niet meer. Uitgerekend de Verenigde Staten, het Mekka van flexibilisering, kampen sinds de kredietcrisis met een hardnekkige, hoge werkloosheid. Daarentegen heeft het altijd als ouderwets en star weggezette Duitsland zich razendsnel weten te herstellen.
Nu nemen ook de twijfels toe over de gevolgen van doorgeschoten flexibilisering voor de mens zelf. Dekker is een van de critici: 'Mensen zijn over het algemeen niet erg geknipt voor permanente onzekerheid.’ Dekker krijgt bijval van Charissa Freese, die zich als collega-onderzoekster aan de Universiteit van Tilburg heeft toegelegd op het zogeheten 'psychologisch contract’. Daarmee wordt gedoeld op de perceptie van werknemers van de rechten en plichten die hun baan met zich meebrengt. 'Als iemand bijvoorbeeld het idee heeft dat hem promotie in het vooruitzicht is gesteld, en hij daarom veel overwerkt, roept het heel sterke reacties op als deze verwachting aan het einde van het jaar niet wordt ingelost’, legt Freese uit. 'De teleurstelling is op zo'n moment natuurlijk veel groter dan wanneer die verwachting er nooit is geweest. Dat hangt dus samen met het psychologisch contract.’
Zekerheid blijkt daar een prominent onderdeel van te zijn. En flexibilisering kan die zekerheid ondergraven. Het maakt het lastig de toekomst te plannen. Dat kan ook heel concreet zijn. Zonder vast contract is een hypotheek in Nederland nog altijd nagenoeg onhaalbaar.
Als voorbeeld van die groeiende onzekerheid noemt Freese de thuiszorg: 'Denk aan inkomenszekerheid: sommige organisaties in de thuiszorg bieden helemaal geen fulltime contracten meer. Maar als werknemers bijvoorbeeld eerst ’s ochtends van zeven tot tien, en dan ’s avonds nog een paar uur moeten werken, kunnen ze er nauwelijks nog een extra baan bij nemen. Een ander soort zekerheid is baanzekerheid. Ook die is als gevolg van alle aanbestedingsprocedures verdwenen. En over hoe het staat met de andere twee soorten zekerheid, dat je altijd wel érgens werk zult vinden en dat je arbeid en privé-leven enigszins op elkaar af kunt stemmen, kun je twisten.’
De gevolgen van flexibilisering voor de sfeer op de werkvloer zijn dan ook groot. Niet alleen verdienen flexibele arbeidskrachten gemiddeld vijf procent minder dan vaste krachten, zijn ze vaker overgekwalificeerd en doet de werkgever er minder aan om hen te scholen - ze zijn ook minder loyaal. Werknemers die zich tekortgedaan voelen, zijn minder betrokken bij het bedrijf, bevestigt Freese. Ze zijn minder productief, melden zich vaker ziek en gaan sneller weg. Ze zijn kortom minder bereid om er een tandje bij te doen als de werkgever daarom vraagt.
In totaal interviewt en enquêteert Freese nu al bijna twintig jaar lang werknemers over wat dat psychologische contract behelst. Gek genoeg is er minder veranderd dan je zou verwachten. Alle gepraat over flexibilisering ten spijt blijkt hun verwachtingspatroon verrassend weerbarstig. Freese: 'Alleen de balans tussen werk en privé, die is veel duidelijker deel uit gaan maken van het psychologisch contract. Maar voor de rest? Dat valt reuze mee. Mensen zullen altijd behoefte hebben aan zekerheid.’

VOOR DE FLEXIBELE mens, zo stelt Sennett, telt niet wat hij in het verleden heeft gepresteerd. Het gaat erom wat hij belooft te worden. Het is de topmanager die bij zijn aantreden een miljoenensalaris weet te bedingen. Niet vanwege in het verleden behaalde resultaten. Nee, hij wordt beloond voor al het moois dat hij belooft te gaan neerzetten. Het zijn de gokkers, de players, de bluffers die het best gedijen in dit systeem.
Maar hoewel Nederland economisch en sociaal de afgelopen jaren onmiskenbaar flexibeler is geworden, blijft deze flexibele mens een onbekende diersoort, zelden waargenomen in het wild. Het grote publiek kent hem waarschijnlijk nog het best van het witte doek. Zoals de door George Clooney vertolkte Ryan Bingham in Up in the Air (2009). Zijn beroep is het werk opknappen dat managers liever uitbesteden: personeel ontslaan. Dat doet hij zonder moeite, met een eeuwige glimlach op het gezicht. Een flexibeler werknemer dan Bingham is nauwelijks denkbaar. Een vaste werkplek heeft hij niet. Bingham is altijd onderweg, hoog in de lucht. Het vliegtuig is zijn huiskamer. Familie en vrienden spelen geen rol in zijn leven. Zijn identiteit ontleent hij aan consumptie - concreter gezegd: aan de privileges die hem ten deel vallen door zijn frequent flyer-pasje. Zijn levensdoel is zoveel kilometers te vliegen dat hij de magische 'elitestatus’ bereikt.
Minstens zo tot de verbeelding sprekend is de door Michael Douglas gespeelde speculant Gordon Gekko in het in 2010 verschenen tweede deel van Wall Street: Money Never Sleeps. Anders dan veel recensenten meenden, is Gekko geen stereotypische graaier, het soort kapitalist dat het na de crisis van 2008 moest ontgelden. Hij zegt het zelf: 'It’s not about the money - it’s about the game.’ Gekko is, kortom, zo'n player, een typische flexmens. Hij verstaat de kunst om op de golven van het flexibele kapitalisme mee te surfen. Even handig als hij meewaait met de nieuwe, antikapitalistische wind (niet voor niets heet zijn nieuwe boek Is Greed Good?) springt hij in op nieuwe mogelijkheden die zich aandienen om winst te maken. Daarbij schroomt hij niet om zijn eigen dochter en schoonzoon op te lichten.
Maar ook in de film blijkt de menselijke natuur weerbarstig. De flexibele ideaaltypen gaan vroeg of laat naar houvast verlangen. Naar zekerheid. Als Ryan Binghams baan wordt wegbezuinigd - mensen ontslaan blijkt ook prima vanuit een callcenter te kunnen - kiest hij toch voor huisje-boompje-beestje. En ook Gordon Gekko blijkt er gevoelens op na te houden. Aan het einde van de film, als hij de eerste verjaardag van zijn kleinkind bezoekt, lijkt hij zich zowaar te hebben verzoend met zijn familie.
Net als bij de Berlijnse jongeren van Judith Hermann is hier sprake van een gemankeerde flexibiliteit. Of zien we wat we willen zien? De ware flexfans zouden tegenwerpen dat onze blik vertroebeld wordt door een achterhaald verlangen naar veiligheid. We staan immers pas aan het begin van de flexibele evolutie. Ooit zullen ook wij incomplete stervelingen het begrijpen. Later.


Up-in-the-Air
UPI /George Clooney

20th Century Fox Film Corp. / Everett Collection / HH
Shia Labeouf als Jake Moore en Michael Douglas als Gordon Gekko in Wall Street: Money Never Sleeps