De toekomst is aan de schikking

In ons land heeft het Openbaar Ministerie het vervolgingsmonopolie.
Dat betekent allereerst dat alleen het Openbaar Ministerie in een strafzaak een zaak voor de rechter kan brengen en niemand anders. Ook niet het slachtoffer. Maar het betekent ook dat het Openbaar Ministerie het alleenrecht heeft op de beslissing of de zaak voor de rechter gebracht zal worden.

Dat aspect van het vervolgingsmonopolie kent echter een uitzondering. Wie kan aantonen dat hij belang heeft bij een vervolging, kan bij een gerechtshof klagen over het feit dat het Openbaar Ministerie weigert te vervolgen. Dan kan de uitkomst zijn dat het Openbaar Ministerie van het hof alsnog opdracht krijgt om te vervolgen. Maar dat de officier van justitie de zaak dan met groot animo op zich zal nemen, valt niet te verwachten.
Maar stel nu eens dat er in een strafzaak twee verdachten zijn, die een gelijk aandeel hebben in het hen verweten misdrijf. Wat gebeurt er dan als de officier van justitie van zijn monopolie gebruik maakt om de een wel en de ander niet te vervolgen? Als dat geval zich voordoet, zal de verdachte die wel vervolgd wordt de niet- ontvankelijkheid van de officier van justitie kunnen inroepen wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Theoretisch ligt het eenvoudig: nu gaan ze door de schending van de gelijkheid allebei vrij uit. In de praktijk wordt bijna nooit vastgesteld dat die gelijkheid geschonden is, omdat de zaak van twee mensen wel altijd verschillen zal vertonen. En als dan het uitgangspunt is: het Openbaar Ministerie heeft het uitsluitend recht om niet of wel te vervolgen, is duidelijk wat de uitkomst van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal zijn.
Natuurlijk rijst de vraag welke verschillen tussen twee verdachten zo belangrijk zijn dat de een wel vervolgd kan worden zonder dat de ander ook vervolgd moet worden. Is dat bijvoorbeeld het geval omdat de een recidivist is, de ander niet? Of omdat de een nog heel jong is en de ander ouder?
De lezer zal begrijpen waar ik heen wil: levert het feit dat de een justitie heeft geholpen door de ander aan te brengen en door zijn bereidheid om tegen hem te getuigen voldoende ongelijkheid op tussen deze twee om de een wel (zwaar) te straffen en de ander niet alleen niet te straffen maar zelfs te belonen (bijvoorbeeld met een bedragje van twee miljoen gulden). Ik kan me niet voorstellen dat iemand die vraag bevestigend zal beantwoorden. En toch ligt hier de sleutel van het probleem en de oplossing van het verschijnsel kroongetuige. Maar daar heb ik het al vaak over gehad.
Het Openbaar Ministerie dat een verdachte niet wenst te vervolgen, dat wil zeggen: niet voor de rechter wil brengen, hoeft zo iemand niet zonder meer vrijuit te laten gaan. Doet het Openbaar Ministerie dat wel, dan ‘seponeert’ het de zaak en dat kan het doen omdat er te weinig of te zwak bewijs is, maar ook om andere redenen het algemeen belang betreffend. Dat is zo'n ruime term dat men er desgewenst zo wat alles onder kan laten vallen.
Het wordt al anders als het Openbaar Ministerie een zaak voorwaardelijk seponeert. Die voorwaarde moet dan wel op het gedrag van de verdachte betrekking hebben en kan niet bestaan uit het betalen van een geldboete, want dan zou via een sepot een pseudo-straf buiten de rechter om mogelijk worden.
Maar zo'n niet door de rechter opgelegde straf die toch aan de zaak een einde maakt, kennen we intussen wel in de vorm van een schikking. Onlangs werd bekend gemaakt dat meer dan 85 procent van alle milieustrafzaken door een schikking werden afgedaan. Dat betekent (1) dat deze zaken buiten het domein van de rechter blijven, (2) dat ze worden afgedaan met een geldboete (bij een schikking kan geen vrijheidsstraf worden opgelegd) en (3) dat in die zaken het Openbaar Ministerie - anders dan de rechter - met de verdachte over de hoogte van het geldbedrag dat met de schikking gemoeid is, een vergelijk kan treffen.
Vroeger, voor de wetswijziging van 1983, was schikking alleen mogelijk bij kleine vergrijpen, overtredingen, maar nu kan de officier van jusitie altijd een schikkingsvoorstel doen als het maar niet gaat over een misdrijf waarop als maximum meer dan zes jaar gevangenisstraf staat. In 1992 werd van alle misdrijven die bij justitie bekend waren, een derde deel door schikking afgedaan. De schikking behoedt de verdachte voor het in het openbaar terechtstaan, het behoedt justitie en de samenleving voor de kosten van berechting en het levert meestal zelfs een financieel voordeel op. En het treft de verdachte in een gevoelig punt: zijn beurs of wat daar tegenwoordig voor staat.
Het is wel nodig dat het Openbaar Ministerie van verschillende arrondissementen wat schikkingen betreft zoveel mogelijk een gelijke koers varen. Ook moet het gevaar van ongelijkheid van bestraffing zo klein mogelijk gemaakt worden door de rechtbanken regelmatig een volledig en duidelijk overzicht te geven van het aantal transacties, de zaken waarop de transactie betrekking heeft, de reden van de transacties en de bedragen die ermee gemoeid zijn.
Wie zou menen dat het groot aantal schikkingen in milieuzaken verontrustend is - zulks vanuit de gedachte dat zware vergrijpen op dat gebied door kapitaalkrachtige mensen of bedrijven begaan, zo te licht worden bestraft, moet ik voorhouden dat er heel veel 'kleine’ milieuovertredingen zijn, die overigens samen een groot gevaar vormen. Maar voor die feiten tezamen zijn de individuen die hun auto- asbak op de parkeerplaats legen, niet strafrechtelijk aansprakelijk.
Soms hoort men van grote milieumisdrijven die geschikt zijn. Maar de bedragen zijn dan beslist niet mals. Wie zou opmerken dat mensen zonder geld dan wel zwaarder dreigen te worden gestraft dan de mammonbezitters, omdat voor hen alleen gevangenisstraf overblijft, geef ik als antwoord dat voor die mensen in ruime(re) mate gebruik zou moeten worden gemaakt van alternatieve straf.
Ik vat samen: als er op het schikkingsgedrag van het Openbaar Ministerie voldoende licht wordt geworpen, als het Openbaar Ministerie landelijk zoveel mogelijk een lijn volgt in die zaken, dan is het instituut van de schikking - hoewel beslist niet zonder gevaren voor de rechtsgelijkheid - een aanvaardbaar en wellicht zelfs een wenselijk fenomeen.