De Openbare Mening

De toekomst van bedrukt papier

Gasthoofdredacteur H.J.A. Hofland maakt zich zorgen over de toekomst van bedrukt papier: kranten hebben ernstige problemen. In deze Groene Amsterdammer laat hij de huidige stand van zaken in de geschreven journalistiek onderzoeken en vraagt hij aandacht voor de belangrijke rol van de krant voor het publieke debat en het functioneren van de democratie.

Medium vliegend tapijt

DE DEMOCRATIE KAN ALLEEN GOED functioneren als ze steunt op een goed geïnformeerde openbare mening. Dankzij de serieuze media kan het publiek zich dagelijks op de hoogte stellen van wat zijn vertegenwoordigers, de politici en de bestuurders uitvoeren en nalaten, of ze hun beloften houden, welke fouten ze maken, in welke doolhoven van corruptie ze terecht zijn gekomen. Ze worden dag in, dag uit gecontroleerd door deskundige journalisten die, onafhankelijk als ze zijn, alles in de media openbaar maken. Zo ontstaat de publieke opinie. En dan, op de dag van de verkiezingen, kan de terzake kundige kiezer beslissen wie zijn stem verdient.
Dat was al een sprookje. In deze tijd wordt het met de dag ongeloofwaardiger. Niet dat er geen journalisten meer zijn die hun best doen om de waarheid van politiek en bestuur, het bedrijfsleven, misdaad en rechtspraak te openbaren, maar de publiciteit die hun specialisme is, is in het gedrang. De gedrukte krant is stervende, zeggen sommige helderzienden. Als een prehistorisch dier heeft het bedrukte papier met nieuws, analyse en opinie zijn tijd gehad. De evolutie heeft een nieuwe wending genomen. We zijn digitaal geworden! En over hooguit een paar generaties kun je dit soort papier alleen nog in het museum bekijken.

HET IS WEL een begrijpelijke voorspelling. Al op z’n minst een jaar of twintig wordt de krant steeds zwaarder belaagd. De afbraak is definitief begonnen met het einde van de Koude Oorlog, in 1989. Voor dat jaar was het lezend publiek gepolitiseerd, of het wilde of niet. Internet bestond nog niet. Het nieuws over de tegenstelling, de wedijver tussen de twee machtsblokken was onvermijdelijk en het stond in de krant. De Koude Oorlog bracht levensbedreigende ontwikkelingen met zich mee. Oost en West hadden hun eigen helden en het Westen had ook zijn verraders, meelopers, slappelingen, en de vijand in eigen gelederen. De Koude Oorlog was een werelddrama waarbij ieder denkend mens dagelijks betrokken was. En de betrokkenheid werd voor het grootste deel veroorzaakt door het bedrukte papier en de televisie.
Zonder dat we het toen beseften is met de val van de Berlijnse Muur geleidelijk een einde aan deze betrokkenheid gekomen. Nadat de Sovjet-Unie verslagen was, is er nog even een discussie geweest over wat er met het ‘vredesdividend’ moest worden gedaan. Daarna werd de publieke aandacht gevangen gehouden door Saddam Hoessein die Koeweit had veroverd en weer werd verjaagd. Maar de poging van president Bush sr. om een ‘nieuwe wereldorde’ te stichten, is letterlijk weggelachen. Wereldwanorde zul je bedoelen! Die wanorde kon het Westen zich veroorloven. Dacht het.
Zo werd de grote depolitisering bevestigd. Al eerder waren via de televisie fun, entertainment en sport aan hun onweerstaanbare opmars begonnen. Het destijds beroemde boek van Neil Postman, Amusing Ourselves to Death, was verschenen in 1985. De politiek leek op sterven na dood. Kort na het fiasco van de Nieuwe Wereldorde begonnen de Joegoslavische burgeroorlogen. Op het journaal was dagelijks te zien hoe oude steden aan puin werden geschoten. We hebben duizenden burgers gedeporteerd zien worden. Onder toezicht van de televisiecamera’s zijn omstreeks tweehonderdduizend mensen vermoord, zonder dat Europa de besluitvaardigheid kon opbrengen om in te grijpen. Een in quarantaine gehouden bloedbad. Uiteindelijk is onder leiding van Amerika met bombardementen een einde aan de slachtpartij gemaakt, ook onder toezicht van de televisie.
In 1998 verscheen in Amerika het boek Life: The Movie van Neal Gabler. Hij beschreef daarin onder meer hoe ook het nieuws tot een show werd verwerkt. Verre oorlogen werden behandeld als een reality soap waar de kijker zelf niets meer mee te maken had en die alleen dienden om hem geboeid te houden en tot slot zijn gratuite verontwaardiging uit te spreken. Dat is de volgende fase in de depolitisering, de onthechting van de werkelijkheid.
De gedrukte pers voelde de concurrentie en begon haar eigen aandeel in het divertissement te leveren. If you can’t beat them, join them. De kranten werden vrolijker, met steeds meer katernen die niets met het nieuws te maken hadden. Meer sport, lekker eten, mode, film, roddel, auto’s, verre reizen, persoonlijk geluk. En heel veel hype, de truc om van een mug een olifant te maken. Kranten die wilden overleven, zo goed mogelijk, dat wil zeggen als winstgevende ondernemingen, werden de bedienden van de nieuwe, niet-geformuleerde ideologie: die van het consumentisme.

HEEFT HET GEHOLPEN? Nee. Althans niet op de langere termijn. Want terwijl het consumentisme de geest van de massa’s veroverde, begon internet zich te ontwikkelen tot het nieuwe medium: the electronic highway. Idealisten van het eerste uur zagen internet als de totale vervulling van de democratie. Voortaan zou iedereen, zonder aanzien des persoons, vrij zijn om aan de hele wereld te laten weten wat hij van alles vond. En ook kon hij voortaan, zonder tussenkomst van eigenwijze redacties, de wereld melden wat hem was overkomen. Daarmee was de grondslag voor de burgerjournalistiek gelegd; de blogger was geboren.
Dit alles heeft zich ontwikkeld in de jaren negentig, de Roaring Nineties. In grote trekken was het voor het Westen een zorgeloze tijd. Sombere profeten voorspelden dat de natuurlijke hulpbronnen uitgeput zouden raken en de zeeën leeggevist en waarschuwden dat het klimaat al aan het veranderen was. Dat kon je alleen in een paar serieuze kranten lezen. Met de Concorde vloog je in drieënhalf uur van Londen naar New York, met tienduizenden gingen de toeristen naar Thailand of Antarctica, koning Fun was de baas.
Het met symboliek geladen einde, de vervulling van het decennium, is de zaak-Monica Lewinsky. De machtigste man ter wereld liet zich door een stagiaire oraal behandelen. Het meisje vertelde het aan haar vriendin. Zij vertelde het verder, aan Matt Drudge, die een website had. Hij bevorderde dit incident tot wereldnieuws, er kwam een speciale aanklager, Kenneth Starr, die een rapport schreef dat een bestseller werd. Drudge werd gekocht door de mediagigant Rupert Murdoch, protoreactionair en president van News Corp. Ten slotte overleefde de president het impeachment. De manier waarop het Lewinsky-schandaal werd behandeld was een nederlaag voor de politiek en voor de kritische media die aan deze wanprestatie niets hebben kunnen doen.

Tot 11 september 2001 heeft de maatschappij van het Westen overwegend in de droom van het consumentisme en de fun geleefd. Na de aanslagen leek de werkelijke wereld te worden herontdekt. Maar na de oorlog tegen de Taliban, die in het Westen algemeen als gerechtvaardigd werd beschouwd, begon het grootscheepse bedrog dat resulteerde in de oorlog tegen Saddam Hoessein. Kritische schrijvers als Bob Woodward, Seymour Hersh en Vincent Bugliosi en media als The New Yorker en The Nation tekenden verzet aan. Ze bleken machteloos, niet alleen tegen de propaganda zoals die door Washington en aan Washington verwante media was ontketend. Ook The New York Times en CNN behoorden tot de slachtoffers. Ten slotte ontstond er een collectieve razernij die uitliep op de rampzalige oorlog waarvan wij nog lang de lasten zullen dragen, en het volk van Irak nog langer.

NEDERLAND KREEG zijn eigen nationale catastrofe. Omstreeks de eeuwwisseling was het in ruime kring al duidelijk dat het eens geprezen poldermodel was vastgelopen. Hans Wijers en Nout Wellink hadden beredeneerd verklaard dat het de hoogste tijd was voor iets anders. Dit iets anders werd Pim Fortuyn, die zei wat hij dacht en deed wat hij zei, en die verder verklaarde dat de islam een achterlijke godsdienst was. Zeggen wat je denkt enzovoort kan een mooie eigenschap zijn, maar het is geen politiek programma; integendeel, het kan een recept voor chaos zijn.
Fortuyn bleek een politieke goudader te hebben opengelegd. Wel was duidelijk dat hij niet zozeer een politicus was als wel de profeet van de nieuwe, gedepolitiseerde burger. Maar ook hij zou, als hij na de verkiezingen leider van de grote beweging was geworden, compromissen hebben moeten sluiten. Ik heb hem toen een dwaallicht en een kwibus genoemd. Frits Bolkestein liet weten dat we met Fortuyn als premier internationaal ‘een pleefiguur’ zouden slaan. Bezorgde commentatoren zagen hem als de leider van een antidemocratische beweging, een nieuwe Mussolini. De razernij was losgebroken. De leider achtte zich gedemoniseerd. Hij werd door een gek vermoord en daarna kregen we de zomer van de kogelbrieven en op internet de doodsbedreigingen.

De openbare mening was de kluts kwijt. De serieuze media zagen het gebeuren, rapporteerden, analyseerden, gaven hun mening. Vergeefs. Nadat de LPF ten onder was gegaan, niet door verzengende mediakritiek maar als gevolg van interne ruzies en gebrek aan een uitvoerbaar politiek programma, kwam de beweging van Rita Verdonk. Principieel van hetzelfde laken een pak en met een overeenkomstig einde.

En nu hebben we Geert Wilders, volgens Maurice de Hond virtueel op het ogenblik de grootste partij van Nederland en evenmin met een samenhangend politiek programma. Het verbieden van de Koran, een film maken en het bestrijden van ‘de’ moslims is geen programma dat hier ook maar een schijn van een kans op uitvoering heeft. Het drukt een gevoel uit, maar het biedt geen oplossing. Door de opkomst van het profetendom in onze politiek is het centrum wel steeds verder naar rechts geschoven. Tegelijkertijd is een uitvoerbare oplossing van wat daar als het hoofdprobleem wordt gezien, de ‘islamisering’, niet dichterbij gekomen. Politiek als de kunst van het mogelijke is in deze kringen een verjaarde formule.

EEN VAN DE KRACHTEN die tegenwicht kunnen bieden wordt gevormd door de onafhankelijke serieuze media. Ze hebben de mogelijkheden en die worden door de redacties gebruikt. Maar kennelijk is dat onvoldoende. Sinds een jaar of tien heeft zich in de openbare mening een magma van ontevredenheid, gevoel van miskenning, verongelijktheid gevestigd. Daar worden de journalisten als linkse meelopers, politiek correcte verraders en lidmaten van de linkse kerk beschouwd. De journalistiek is in Nederland nooit een beroep geweest waarmee je je een hoog maatschappelijk aanzien kon verwerven. Sinds Fortuyn is dat niet verbeterd. De afgelopen tien jaar is het politieke landschap ten koste van het oude bestel gefragmentariseerd en tegelijkertijd heeft zich in de journalistiek, ook door de invloed van internet, een culturele polarisatie voltrokken. De ‘nieuwe media’ met de mening van de bloggers zijn voor een groot deel van de publieke opinie toonaangevend geworden. Dit is de gedigitaliseerde stem des volks.

Dat was al zo voor de crisis begon. De afgelopen twintig jaar hebben de gedrukte media met redelijk succes de tegenspoed overleefd. Ze zijn economisch wel verzwakt, maar ze hebben zich aangepast zonder hun wezen prijs te geven. Ze zijn onafhankelijk gebleven, hebben hun onderzoek naar verdachte zaken gedaan, hun mening gegeven. Daarmee hebben ze een groot publiek weten vast te houden. Nu komt na alle tegenslag de economische crisis, en onder deze omstandigheden blijkt dat de zwakste media het niet meer kunnen volhouden. Regionale kranten verdwijnen, in Amerika dreigen grote dagbladen met nationale allure ten onder te gaan. Daarmee wordt een fundament van de westerse democratie in zijn voortbestaan bedreigd.

Het nieuws, onbevooroordeeld gebracht, toegelicht door deskundigen, behoort tot de publieke voorzieningen. Redacties van de serieuze media zijn instituten waar honderden specialisten werken. Met onverbiddelijke regelmaat leveren ze het product op basis waarvan de burgerij tot een gefundeerd politiek oordeel komt. Het zou logisch zijn om de productie van dit drukwerk ook tot de publieke voorzieningen te rekenen, zoals gas, water en licht. Tientallen jaren geleden heeft Han Lammers voorgesteld om drukfabrieken op te richten, staatsbedrijven waar iedereen (na gebleken geschiktheid) tegen kostprijs zijn krant zou kunnen laten drukken. Nu wil minister Plasterk hier en daar subsidies uitdelen. Zal dat effect hebben? Of komen we het pas te weten als het te laat is?
Kranten die economisch zwakker staan, worden handelswaar. De twee belangrijkste ‘kwaliteitskranten’ – NRC Handelsblad en de Volkskrant – hebben een buitenlandse eigenaar gekregen, zonder dat dit in het openbaar meer dan een bezorgd gemompel bij de direct betrokkenen heeft veroorzaakt. Kwaliteitskranten zet ik tussen aanhalingstekens omdat deze term de indruk van een niet gerechtvaardigde verhevenheid wekt. De Telegraaf heeft een andere journalistieke formule en een andere politieke instelling, maar het vakmanschap waarmee deze krant wordt gemaakt en de invloed op de openbare mening zijn op z’n minst even groot. Maar De Telegraaf is een campagnekrant. Dat is iets heel anders.

De nieuwe Belgische eigenaar van NRC Handelsblad en de Volkskrant, Christian Van Thillo, is een aimabele man, maar over wat hij met zijn nieuwe eigendommen gaat doen laat hij zich niet uit. Misschien wil hij NRC Handelsblad verkopen. Aan wie? Welke garantie is er dat de volgende eigenaar niet aan die krant wil prutsen? Ja, de Volkskrant en NRC Handelsblad zijn elitaire kranten. Dat is geen nadeel. Een natie kan niet zonder een politiek-literaire elite, zoals ze ook niet kan zonder een medische elite, een juridische elite of een elite van ingenieurs. Het zou het beste zijn dat de twee kranten zich verzelfstandigen. Dat ze op de een of andere manier voor hun eigen exploitatie verantwoordelijk worden waardoor ze ophouden handelswaar te zijn. Onafhankelijkheid is niet te koop.