Voorbij is de tijd van iconen

De toekomst van de architectuur

De Architectuurbiënnale in Venetië toont een toekomst die waarschijnlijk nooit gebouwd zal worden. Als we vooruit willen, zullen we eerst onvoltooide projecten moeten afmaken. Maar wie gaat dat doen?

DE TOEKOMST IS verleden tijd. Die paradoxale conclusie valt te trekken uit enkele presentaties op de tweejaarlijkse Architectuurbiënnale van Venetië. Hoe futuristischer de stad zich voor ons ontvouwt, hoe gedateerder die vooruitgangsgedachte nu overkomt. Het duidelijkst blijkt dat uit het paviljoen van Australië dat is gedompeld in black light. In de met fluorescerende oranje strepen gemarkeerde ruimte kunnen we via 3D-brillen het Sydney van morgen binnenstappen: wolkenkrabbers die echt de hemel belagen rijgen zich aaneen in een strip langs de kust. Mensen lijken geen rol te spelen in deze metropolis.

Het onthutsende is dat we weten dat die stad nu of misschien wel nimmer gebouwd zal worden. Dubai bijvoorbeeld, nog maar vijf jaar geleden gepresenteerd als het New York van de 21ste eeuw, is volledig tot stilstand gekomen. De Indiase en Filippijnse bouwvakkers zijn naar huis gestuurd, de dagelijkse files zijn opgelost. Zo onverbiddelijk kan een economische crisis toeslaan in de stedenbouw.

Had de Architectuurbiënnale van 2002 nog als thema ‘Next’, waarin de verwachting van een nieuwe wereld ondanks de aanslag op de Twin Towers werd vormgegeven, acht jaar later likt het Westen zijn wonden. En die zijn diep. De bouw van woningen stagneert, het klimaat speelt op met overstromingen of extreme hitte, de kloof tussen arm en rijk neemt toe. Typerend voor het laatste is het terecht bekroonde paviljoen van Bahrein dat vissershutten liet nabouwen in het Arsenaal. De houten bouwsels moesten het veld ruimen voor megalomane nieuwbouw aan de Perzische Golf. Een wanhoopskreet van een visser: 'Het strand is veranderd in een veld van keien en stenen, en de zee die ons thuis was, is onbereikbaar geworden.’ Ja, de vooruitgang kan schrijnen. Opmerkelijk, deze eerlijke zelfreflectie uit de Arabische wereld.

Wat de Architectuurbiënnale dikwijls tot een interessante weergave van de tijdgeest maakt, is de collectie filosofen en ontwerpers die de curator aanlegt. Deze keer heet de curator Kazuyo Sejima, de Japanse architecte die haar persoon koppelt aan haar gebouwen, haar ruimtelijke concepten en - om het enigszins beladen te zeggen - haar visie op de wereld. Zo heeft ze tijdens haar studie onderzocht of ze via architectuur de wapperende sensatie van het dragen van een rokje zou kunnen bereiken. Een zoektocht naar soepelheid in een discipline waar stijfheid de norm is. Sejima liet de Duitse filmregisseur Wim Wenders een universiteitsgebouw filmen waar ze zelf met haar partner van haar bureau SANAA op een Segway doorheen rijdt. Wat Sejima, ook gefilmd in 3D, ons aanschouwelijk wil maken is hoe vloeiende lijnen en ruimtes in een gebouw mensen in staat stellen elkaar te ontmoeten. Ruimtelijke verbindingen scheppen intermenselijke contacten - dit moet Sejima op het spoor hebben gezet van het biënnalethema van dit jaar: People meet in Architecture. Niet alleen het persoonlijke is politiek maar ook architectuur.

Dat komt op mij over als een braaf onderwerp, zelfs wat obligaat, want waar gaat architectuur anders om? Gebouwen, huizen zijn er om te gebruiken en liefst met elkaar. Toch blijkt het een listige kapstok voor veel ontwerpers die het begrip 'ontmoeten’ vanuit verschillende perspectieven benaderen. Door bruggen bijvoorbeeld - in het Zwitserse paviljoen -, op ingenieus geconstrueerde wippen (Servië) of met animatiefilms van 'meet and greet’-momenten in Bangkok waar stedelingen elkaar in de openbare ruimte steeds meer treffen. Overdrachtelijk zou je ook het woud van potloden (Hongarije) onder het thema kunnen rangschikken, omdat het de oorsprong van architectuur raakt. Die begint met tekenen, en met tekeningen draag je ideeën over.

Maar eerst is er de ruimte, of liever gezegd, de ruimtelijke beleving. Architectuur is immers een driedimensionaal vak. Zelden wilde een biënnale ons daarvan zo doordringen als deze editie. Letterlijk is ruimte een uit balken opgebouwde koepel, imaginair is ruimte een met luidsprekers afgebakende cirkel waarin een koor een compositie uit de Renaissance zingt: een bijna hallucinerende ervaring van Janet Cardiff. Deze soundscape is een meditatief hoogtepunt van de biënnale maar dat niet alleen. In essentie grijpt Cardiff met uiterst moderne opnametechnieken terug op een compositie uit 1560. Ze verschuift het perspectief van de toehoorders naar de zangers door een microfoon voor hun mond te plaatsen. Niet alleen de toekomst maar ook het heden klampt zich vast aan de geschiedenis.

Doordat de nadruk ligt op de ruimtelijke sensatie komen andere architectonische instrumenten bijna over als 'ouderwets’. Maquettes en tekeningen bijvoorbeeld. Waarom zouden we ons nog verlustigen aan het model van een woning waarin elk vertrek is ingevuld en ingericht, als we weten dat het vals is, een droom, geen werkelijkheid? De architecten van nu willen ons confronteren met installaties of films waarbij we zelf associaties mogen of kunnen maken. Hoe ziet de heruitvinding van geluk eruit? Een levensgrote maquette van Aldo Cibic geeft daarop antwoord: rijstvelden tussen woningen op pilaren, een golfbaan en zwembad naast de deur, plezierjachten in de kanalen. Hoe beleven we het landschap vanuit Google Earth en tegelijk vanaf maaiveld-niveau? Paradijselijk en ongerept van boven, sappelend als we de straat in ogenschouw nemen, waar mensen dijkjes moeten opwerpen. Idylles worden verstoord of opgebouwd naarmate het perspectief wisselt. Daarmee geven ontwerpers indirect aan dat ze de wereld niet meer maakbaar achten: dat is een taak van de burger zelf. In een van de presentaties wordt dan ook ontnuchterend vastgesteld dat 98 procent van de gebouwen niet door architecten is ontworpen. De vissershutten uit Bahrein zijn er het bewijs van.

ZOALS GEZEGD is de herwaardering van het bestaande het leidmotief van deze biënnale en daarmee de opgave van nu. Opnieuw is het OMA van Koolhaas die trefzeker de vinger op de zere plek legt, nota bene met meubelstukken uit het Haus der Kunst in München dat werd gebruikt voor de tentoonstelling van nazi-kunst. Deze burgerlijke en beladen meubelstukken mogen niet terugkeren. Opmerkelijk is die semi-nostalgische koers wel, want OMA nam tot dusver voornamelijk een voorschot op de toekomst, het shoppen als tijdverdrijf of de stedenbouwkundige visie op metropolen in Zuid-China. Als het aan Koolhaas ligt, is het nu tijd voor bezinning. Niet meer iets nieuws ontwerpen, maar een herinterpretatie van ons erfgoed. Dat staat er namelijk slecht voor. Ongebruikte kantoren, zelfs onaffe kantoren, waar ook ter wereld. 'Eerst afmaken en een bestemming geven’, is het advies van OMA. Er zit een verkapte ecologische boodschap aan. Laten we eerst de rommel opruimen voordat we nieuwe rommel maken.

Moet China Venetië redden, is een van de dilemma’s uit de koker van OMA. Moet, met andere woorden, een nieuwe economie een oude opkopen en restaureren? Het geeft in essentie aan waar architecten en zelfs regeringen tegenaan lopen. Als Griekenland noodlijdend is, zou het een paar eilanden aan China of een Russische oliemagnaat kunnen verkopen om het hoofd boven water te kunnen houden. Afrikaanse landen worden nu al door China geholpen met de aanleg van infrastructuur in ruil voor grondstoffen. De nieuwe rijke helpt de oude, de lamme en de blinde.

Plaats voor een driedimensionale architectuur is er, lijkt me, tijdelijk niet in een wereld die bezig is zich te hergroeperen. Die oplossingen moet bedenken voor rampen en rampjes. Plaats voor restauratie en herbestemming is er daarentegen wel. Cynisch gezegd is er voor Europa de komende jaren slechts één taak weggelegd: ervoor zorgen dat het openluchtmuseum in stand blijft en wordt verbeterd opdat het een lokmiddel voor de nieuwe toerist kan zijn. Venetië zelf, dat zijn inwonertal drastisch ziet teruglopen tot nog geen tachtigduizend mensen, kan eenvoudig niet meer terug. Het is overgeleverd aan Chinezen in een gondel.

Zowel Nederland als België toont in het eigen paviljoen aan dat het bestaande onze grootste zorg is voor de komende jaren. Het ontwerperscollectief Rotor verzamelde uit recent gesloopte universiteitsgebouwen in België gesleten vloeren en traptreden, tapijttegels en leuningen. Een prikkelende vorm van eigentijdse archeologie. In het Nederlandse paviljoen is de vloer leeg maar de hemel (het plafond) volgepakt met een dicht doch ongebruikt stadslandschap. Het ontwerp van Rietveld Landscape biedt in al zijn lieflijkheid een angstaanjagend toekomstbeeld, al die monumentale complexen in binnensteden waar we geen invulling meer aan weten te geven.

Begrijpelijk dat er voor architecten en stedenbouwkundigen momenteel niet meer valt te halen dan concepten bedenken, aan wedstrijden meedoen of voorstellen voor hergebruik verzinnen. Het is even niet anders.

Als er nog gebouwd wordt, is het in China, Taiwan en Korea. Ze grossieren in musea, operagebouwen en concertzalen, alsof er een onstilbare honger bestaat naar westerse waarden. Het is daarom begrijpelijk dat veel Europese bureaus, waaronder Nederlandse, hun focus verplaatst hebben naar het Verre Oosten. De behoefte aan dergelijke culturele voorzieningen doet vermoeden dat de West-Europese muziekcultuur en beeldende kunst, die ter plekke geen traditie kennen, net zo begeerlijk zijn als een Louis Vuitton-tas en een Bourgogne-wijn. Het is niet alleen de massaliteit die opvalt maar ook de vormrijkdom. Terwijl de eerste vrouwelijke curator van de biënnale, Sejima, gezocht heeft naar bijna gewichtloze gebouwen, te vergelijken met een 'opwaaiende zomerjurk’, heeft haar landgenoot Toyo Ito zich toegelegd op het openbreken van architectuur, letterlijk door gaten te boren in daken en muren. In zijn toren op de Zuidas in Amsterdam wordt dat aan de buitenkant niet duidelijk, maar in zijn opera voor Taichung in Taiwan des te meer. Wanden en plafonds vloeien in elkaar over, ramen breken als periscopen uit het dak of als trechters uit de muur. Ito won daarmee een prijs in 2005: door de complexiteit van de constructie (gebogen stalen frames waarop de betonnen huid wordt bevestigd) is het nu op weg naar voltooiing. Grotachtige ruimtes zullen afgewisseld worden met vides en grote openingen.

Bij het zien van deze opera in wording realiseer je je dat hooguit in Azië nog plaats is voor icoonachtige gebouwen waaraan een nieuwe economie behoefte heeft. Vandaar het succes van CTSV-toren van Rem Koolhaas in Beijing en de Petronas-torens in Kuala Lumpur. Iconen verlenen een stad of een land identiteit. Het zijn bakens in een woelige tijd. Vervelend voor de westerse wereld die sloft in een economische neergang, en waar het ontbreekt aan geld en ruimte voor dergelijke iconen. Laten we daarom onze bestaande iconen koesteren, verwennen en opknappen. Koolhaas heeft gelijk. Het verleden, daar zitten we aan vast.

De twaalfde Architectuurbiënnale in Venetië duurt tot 21 november