Essay: Kan de liberale democratie de neergang van de middenklasse overleven?

De toekomst van de geschiedenis

De liberale democratie wordt omarmd in landen met een hoog welvaartsniveau en een meerderheid die zichzelf ziet als middenklasse. Maar ver-ontrustende economische en maatschappelijke trends bedreigen de stabiliteit. Het is tijd voor een nieuwe ideologie.

Er is op het moment iets vreemds aan de hand in de wereld. De mondiale financiële crisis die begon in 2008 en de huidige crisis van de euro zijn allebei een product van het model van licht gereguleerd financieel kapitalisme dat in de afgelopen drie decennia is ontstaan. Maar ondanks wijdverbreide woede over Wall Street_-bail-outs_ hebben we als reactie geen grote opleving van links Amerikaans populisme gezien. Je kunt je voorstellen dat de Occupy Wall Street-beweging sterker zal worden, maar tot nu toe is de meest dynamische populistische beweging de rechtse Tea Party, wier voornaamste doelwit de regulerende staat is die gewone mensen wil beschermen tegen financiële speculanten. Iets dergelijks is ook in Europa aan de hand, waar links bloedeloos is en rechtspopulistische partijen in opkomst zijn.

Er zijn verschillende redenen voor dit gebrek aan linkse mobilisatie, maar de belangrijkste daarvan is een gebrek aan ideeën. In de voorbije generatie was het ideologische terrein wat economische kwesties betreft in handen van een libertair rechts. Links is niet in staat geweest met een over­tuigende agenda te komen anders dan een terugkeer naar een onbetaalbare vorm van ouderwetse sociale democratie. Die afwezigheid van een overtuigend progressief contranarratief is ongezond, omdat concurrentie net zo goed is voor het intellectuele debat als voor economische activiteit. En serieus intellectueel debat is dringend nodig, aangezien de huidige vorm van geglobaliseerd kapitalisme de maatschappelijke middenklassebasis uitholt waarop de liberale democratie steunt.

De democratische golf

Maatschappelijke krachten en omstandigheden ‘determineren’ ideologieën niet simpelweg, zoals Karl Marx stelde, maar ideeën worden pas krachtig als ze grote aantallen gewone mensen aanspreken. Liberale democratie is tegenwoordig in een groot deel van de wereld de standaardideologie deels omdat ze reageert op en wordt gefaciliteerd door bepaalde sociaal-economische structuren. Veranderingen in die structuren kunnen ideologische gevolgen hebben, net zoals ideologische veranderingen sociaal-economische gevolgen kunnen hebben.

Bijna alle krachtige ideeën die vorm gaven aan menselijke samen­levingen tot aan de laatste driehonderd jaar waren religieus van aard, met uitzondering van het confucianisme in China. De eerste belangrijke seculiere ideologie die een aanhoudend wereldwijd effect had was het liberalisme, een doctrine die in verband staat met de opkomst van eerst een commerciële en vervolgens een industriële middenklasse in bepaalde delen van Europa in de zeventiende eeuw. (Met ‘middenklasse’ bedoel ik mensen die noch aan de bovenkant noch aan de onderkant van hun maatschappij staan wat betreft inkomen, die ten minste een vervolg­opleiding hebben genoten, en die een huis bezitten, duurzame goederen of hun eigen zaak.)

Zoals het werd geformuleerd door klassieke denkers als Locke, Montesquieu en Mill gaat het liberalisme ervan uit dat de legitimiteit van de staatsautoriteit eruit voortkomt dat de staat de individuele rechten van zijn burgers beschermt en dat de macht van de staat moet worden begrensd door de wet. Een van de fundamentele rechten die moesten worden beschermd is het recht op persoonlijk bezit; de Engelse ­Glorious Revolution van 1688-89 was essentieel voor de ontwikkeling van het moderne liberalisme omdat ze voor het eerst het constitutionele principe vestigde dat de staat geen belasting kon heffen van zijn burgers zonder hun toestemming.

In het begin impliceerde liberalisme niet noodzakelijk democratie. De Whigs die de constitutionele regeling van 1689 steunden waren vaak de rijkste huizenbezitters in Engeland; het parlement van die periode ver­tegenwoordigde minder dan tien procent van de hele bevolking. Veel klassieke liberalen, onder wie Mill, waren uiterst sceptisch over de deugden van democratie: zij geloofden dat verantwoordelijke politieke participatie opleiding en een belang bij de maatschappij vereiste – dat wil zeggen, het bezit van onroerend goed. Tot eind negentiende eeuw werd in vrijwel alle delen van Europa het stemrecht ingeperkt door eisen aan opleiding en huizenbezit. Andrew Jacksons verkiezing als president van Amerika in 1828 en vervolgens zijn afschaffing van bezitseisen voor het stemmen, in elk geval voor blanke mannen, markeerden zodoende een belangrijke vroege overwinning voor een robuuster democratisch principe.

In Europa plaveiden de uitsluiting van politieke macht van de grote meerderheid van de bevolking en de opkomst van een industriële arbeiders­klasse de weg voor het marxisme. Het Communistisch manifest werd gepubliceerd in 1848, hetzelfde jaar dat revoluties zich verspreidden naar alle belangrijke Europese landen behalve het Verenigd Koninkrijk. En zo begon een eeuw van strijd om het leiderschap van de democratische beweging tussen communisten, die bereid waren procedurele democratie (verkiezingen met meer dan één partij) overboord te zetten ten faveure van wat zij substantieve democratie vonden (economische herverdeling), en liberale democraten, die geloofden in het uitbreiden van de politieke participatie en tegelijk het handhaven van wetten die individuele rechten beschermden, waaronder eigendomsrechten.

Op het spel stond de loyaliteit van de nieuwe industriële arbeidersklasse. Vroege marxisten geloofden dat ze zouden winnen puur door de macht van het getal: toen het stemrecht werd uitgebreid aan het eind van de negentiende eeuw groeiden partijen als het Engelse Labour en de Duitse Sociaal-Democraten met grote sprongen en bedreigden de hegemonie van zowel conservatieven als traditionele liberalen. De opkomst van de arbeidersklasse werd hevig bestreden, vaak met niet-­democratische middelen; de communisten en veel socialisten lieten, op hun beurt, de formele democratie los ten faveure van een directe machtsovername.

Gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw bestond er een sterke consensus bij progressief links dat een of andere vorm van ­socialisme – overheidscontrole van de economie om een gelijke verdeling van de welvaart te verzekeren – onvermijdelijk was voor alle ontwikkelde landen. Zelfs een conservatieve econoom als Joseph Schumpeter kon in zijn boek Capitalism, Socialism and Democracy uit 1942 schrijven dat het ­socialisme als overwinnaar boven zou komen omdat de kapitalistische maatschappij zichzelf ondermijnde. Van het socialisme werd gedacht dat het de wensen en belangen vertegenwoordigde van de grote meerderheid van de mensen in moderne samenlevingen.

Maar zelfs terwijl de grote ideologische conflicten van de twintigste eeuw zich afspeelden op een politiek en militair niveau waren er kritieke veranderingen gaande op een maatschappelijk niveau die het marxistische scenario ondermijnden. In de eerste plaats bleef de reële levens­standaard van de industriële arbeidersklasse stijgen, tot het punt waarop veel arbeiders of hun kinderen zich bij de middenklasse konden voegen. Ten tweede groeide de relatieve omvang van de arbeidersklasse niet meer en begon in feite zelfs te krimpen, met name in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen de diensten­sector de plaats ging innemen van productie in wat ‘postindustriële’ economieën werden genoemd. Ten slotte ontstond er een nieuwe groep arme of achter­gestelde mensen onder de industriële arbeidersklasse – een heterogeen mengsel van raciale en etnische minderheden, nieuwe immigranten en sociaal uitgesloten groepen, zoals vrouwen, homoseksuelen en gehandicapten. Als gevolg van die veranderingen is in de meeste geïndustrialiseerde maatschappijen de oude arbeidersklasse simpelweg een van de vele belangengroepen geworden, die de politieke macht van de vakbonden gebruikt om de zwaarbevochten overwinningen van een vroeger tijdperk te beschermen. Bovendien bleek economische klasse niet een geweldig vaandel om populaties in ontwikkelde industriële landen te mobiliseren om politiek in actie te komen. De Tweede Internationale werd in 1914 wreed wakkergeschud, toen de arbeidersklassen van Europa niet meer luisterden naar oproepen tot klassenstrijd maar wél naar conservatieve leiders die nationalistische slogans predikten, een patroon dat tot de dag van vandaag herkenbaar is. Veel marxisten probeerden dit te verklaren, volgens de wetenschapper Ernest Gellner, met de ‘wrong address theory’:

Net zoals extreme sjiitische moslims ervan overtuigd zijn dat de aarts­engel Gabriël zich vergiste toen hij de Boodschap overbracht aan Mohammed terwijl die bedoeld was voor Ali, zo denken marxisten in de grond graag dat de geest van de geschiedenis of het menselijk bewustzijn een vreselijke blunder heeft begaan. De oproep om te ontwaken was bedoeld voor klassen, maar door een of andere verschrikkelijke adresseerfout werd ze afgeleverd bij landen.

Vervolgens betoogde Gellner dat religie in het hedendaagse Midden-Oosten een vergelijkbare functie vervult als het nationalisme: ze is in staat mensen daadwerkelijk te mobiliseren doordat ze een spirituele en emotionele inhoud heeft die het klassenbewustzijn niet heeft. Net zoals het Europese nationalisme werd aangedreven door de verplaatsing van Europeanen van het platteland naar de steden aan het eind van de negentiende eeuw, zo is ook het islamisme een reactie op de urbanisatie en verhuizing in hedendaagse maatschappijen in het Midden-Oosten. De brief van Marx zal nooit worden bezorgd op het adres waar ‘klasse’ op staat.

Marx geloofde dat de middenklasse, of tenminste het kapitaal bezittende deel ervan dat hij de bourgeoisie noemde, altijd een kleine en bevoorrechte minderheid zou blijven in moderne samenlevingen. Wat in plaats daarvan gebeurde was dat de bourgeoisie en meer in het algemeen de middenklasse uiteindelijk de grote meerderheid uitmaakten van de bevolking van de meeste ontwikkelde landen, wat problematisch was voor het socialisme. Sinds de tijd van Aristoteles hebben denkers geloofd dat een stabiele democratie steunt op een brede middenklasse en dat samenlevingen met extremen in rijkdom en armoede vatbaar zijn voor ofwel oligarchische overheersing of populistische revolutie. Toen een groot deel van de ontwikkelde wereld middenklassemaatschappijen wist te creëren, ging de aantrekkingskracht van het marxisme in rook op. De enige plekken waar links radicalisme standhoudt als een sterke macht zijn in hoogst ongelijke gebieden van de wereld, zoals delen van Latijns-Amerika, Nepal en de verarmde regio’s van oostelijk India.

Wat de politicoloog Samuel Huntington de ‘derde golf’ van mondiale democratisering noemde, die begon in Zuid-Europa in de jaren zeventig van de twintigste eeuw en culmineerde in de val van het communisme in Oost-Europa in 1989, deed het aantal electorale democratieën op de wereld toenemen van zo’n 45 in 1970 tot meer dan 120 aan het eind van de jaren negentig. Economische groei heeft geleid tot de opkomst van nieuwe middenklassen in landen als Brazilië, India, Indonesië, Zuid-Afrika en Turkije. Zoals de econoom Moisés Naím heeft opgemerkt zijn deze middenklassen relatief goed opgeleid, bezitten een huis en zijn technologisch verbonden met de buitenwereld. Ze stellen eisen aan hun overheden en zijn makkelijk te mobiliseren als gevolg van hun toegang tot technologie. Het hoeft geen verbazing te wekken dat de belangrijkste aanstichters van de opstanden in de Arabische lente hoogopgeleide Tunesiërs en Egyptenaren waren wier uitzichten op werk en politieke participatie werden gedwarsboomd door de dictaturen waarin ze leefden.

Mensen uit de middenklasse steunen in principe niet per se democratie: net als iedereen zijn het egoïstische spelers die hun bezit en hun positie willen beschermen. In landen als China en Thailand voelen veel midden­klassemensen zich bedreigd door de herverdelingseisen van de armen en hebben zich derhalve aaneengesloten om autoritaire rege­ringen te steunen die hun klassenbelangen beschermen. Noch is het zo dat democratieën noodzakelijkerwijs tegemoet komen aan de verwachtingen van hun eigen middenklassen, en wanneer ze dat niet doen, kunnen de middenklassen weerspannig worden.

Het minst slechte alternatief?

In deze tijd bestaat er een brede wereldwijde consensus over de legitimiteit, in elk geval in principe, van liberale democratie. Zoals Amartya Sen zei: ‘Terwijl democratie nog niet universeel in praktijk wordt gebracht, en zelfs niet algemeen wordt geaccepteerd, heeft in het algemene klimaat van de mondiale meningsvorming democratisch bestuur nu zo’n status verworven dat ze wordt beschouwd als goed.’ Het wordt het breedst geaccepteerd in landen die een niveau van materiële welvaart hebben bereikt dat genoeg is om een meerderheid van hun burgers zichzelf te laten beschouwen als middenklasse – en dat is de reden dat er vaak een correlatie is tussen hoge niveaus van ontwikkeling en stabiele democratie.

Er zijn samenlevingen, zoals Iran en Saoedi-Arabië, die liberale democratie afwijzen ten faveure van een vorm van islamitische theocratie. Maar die regimes zijn doodlopende wegen wat ontwikkeling betreft, en worden alleen in leven gehouden omdat ze boven op enorme plassen olie zitten. Ooit was er een grote Arabische uitzondering op de derde golf, maar de Arabische lente heeft laten zien dat het Arabische publiek net zo snel kan worden gemobiliseerd tegen dictatuur als dat in Oost-Europa en Latijns-Amerika kon. Dat betekent natuurlijk niet dat het pad naar een goed functionerende democratie geplaveid of recht zal zijn in Tunesië, Egypte of Libië, maar het wijst er wel op dat het verlangen naar politieke vrijheid en participatie niet een culturele bijzonderheid is die is voorbehouden aan Europeanen en Amerikanen.

De allerbelangrijkste uitdaging voor de liberale democratie in de wereld van vandaag komt van China, dat een autoritaire regering heeft gecombineerd met een gedeeltelijk vrije markteconomie. China is erf­genaam van een lange en trotse traditie van bureaucratisch bestuur van hoge kwaliteit, dat twee millennia terugvoert. De leiders ervan zijn geslaagd in een enorm gecompliceerde overgang van een gecentraliseerde, sovjet­achtige planeconomie naar een dynamische open economie en dat hebben ze gedaan met opmerkelijke competentie – meer competentie, eerlijk gezegd, dan Amerikaanse leiders in de afgelopen tijd aan de dag hebben gelegd in het besturen van hun eigen macro-economisch beleid. Op dit moment bewonderen veel mensen het Chinese systeem niet alleen om zijn economische prestaties maar ook omdat het grote, ingewikkelde beslissingen snel kan nemen, vergeleken met de hart­verscheurende beleidsverlamming die in de afgelopen jaren zowel de Verenigde Staten als Europa heeft getroffen. Vooral sinds de recente financiële crisis zijn de Chinezen zelf begonnen het ‘Chinese model’ aan te prijzen als een alternatief voor liberale democratie.

Het is echter onwaarschijnlijk dat dit model ooit een serieus alternatief voor liberale democratie wordt in gebieden buiten Oost-Azië. In de eerste plaats is het model cultureel-specifiek: de Chinese overheid is gebouwd rond een lange traditie van meritocratische rekrutering, ambtenaren­onderzoeken, een grote nadruk op opleiding, en eerbied voor techno­cratische autoriteit. Weinig ontwikkelingslanden kunnen hopen dat model na te bootsen; de landen die dat hebben gedaan, zoals Singapore en Zuid-Korea (in elk geval in een vroegere periode), bevonden zich binnen de Chinese culturele zone. De Chinezen zelf zijn sceptisch over de vraag of hun model kan worden geëxporteerd; de zogenaamde Beijing-consensus is een westerse uitvinding, niet een Chinese.

Ook is het onduidelijk of het model stand kan houden. Noch exportgedreven groei noch de _top-down-_benadering van besluitvorming zal tot in de eeuwigheid goede resultaten opleveren. Het feit dat de Chinese regering geen open debat wilde toestaan over het rampzalige ongeluk met de hogesnelheidstrein van afgelopen zomer en het ministerie van Spoor­wegen dat er verantwoordelijk voor was niet in het gareel kon brengen, suggereert dat er nog andere tijdbommen verstopt liggen achter de façade van efficiënte besluitvorming.

Ten slotte staat China een grote morele kwetsbaarheid te wachten. De Chinese regering dwingt haar ambtenaren niet om de fundamentele waardigheid van haar burgers te respecteren. Elke week zijn er weer nieuwe protesten tegen het in beslag nemen van land, schendingen van het milieu of grove corruptie van ambtenaren. Als het land snel groeit, kunnen dergelijke misstanden onder het tapijt worden geveegd. Maar snelle groei zal niet voor eeuwig doorgaan, en de regering zal een prijs moeten betalen in opgekropte woede. Het regime heeft niet langer een leidend ideaal waar het omheen is georganiseerd; het wordt geleid door een Communistische Partij die zogenaamd gelijkheid voorstaat en die aan het hoofd staat van een maatschappij die wordt gekenmerkt door drastische en toenemende ongelijkheid.

De stabiliteit van het Chinese systeem kan dus op geen enkele manier als vanzelfsprekend worden beschouwd. De Chinese overheid betoogt dat haar burgers cultureel anders zijn en altijd de voorkeur zullen geven aan een groei-stimulerende dictatuur boven een rommelige democratie die de sociale stabiliteit bedreigt. Maar het is onwaarschijnlijk dat een zich uitbreidende middenklasse zich in China heel erg anders zal gedragen dan in andere delen van de wereld. Andere autoritaire regimes proberen dan misschien China’s succes na te bootsen, er is weinig kans dat een groot deel van de wereld er over vijftig jaar zal uitzien als het China van vandaag.

De toekomst van de democratie

Er bestaat een brede correlatie tussen economische groei, maatschappelijke verandering en de heerschappij van liberale democratische ideologie in de wereld van vandaag. En op dit moment is er geen serieuze concurrerende ideologie in zicht. Maar enkele zeer verontrustende economische en maatschappelijke trends, als die doorzetten, zullen zowel de stabiliteit van hedendaagse liberale democratieën bedreigen als democratische ideo­logie onttronen zoals we die nu begrijpen.

De socioloog Barrington Moore zei ooit onomwonden: ‘Geen bourgeois, geen democratie.’ De marxisten kregen hun communistische Utopia niet omdat volwassen kapitalisme middenklassemaatschappijen opleverde, en geen arbeidersklassemaatschappijen. Maar wat als de verdere ontwikkeling van de technologie en globalisering de middenklasse ondermijnt en het onmogelijk maakt voor meer dan een minderheid van burgers in een ontwikkelde maatschappij om een middenklassestatus te bereiken?

Er bestaan al overvloedige tekenen dat zo’n ontwikkelingsfase is ingegaan. In de Verenigde Staten zijn de gemiddelde inkomens gestagneerd in reële termen sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw. De economische impact van die stagnatie is tot op zekere hoogte verzacht doordat de meeste Amerikaanse huishoudens tweeverdieners zijn geworden in de afgelopen generatie. Bovendien, zoals de econoom Raghuram Rajan overtuigend heeft aangetoond, aangezien Amerikanen niet graag meedoen aan directe herverdeling hebben de VS in plaats daarvan geprobeerd een hoogst gevaarlijke en inefficiënte vorm van herverdeling toe te passen in de vorige generatie door hypotheken voor huishoudens met een laag inkomen te subsidiëren. Die trend, die werd gefaciliteerd door een golf van liquiditeit die binnenstroomde uit China en andere landen, gaf veel gewone Amerikanen de illusie dat hun levensstandaard gestaag aan het stijgen was gedurende het afgelopen decennium. In dat opzicht was het barsten van de huizenbubbel in 2008-9 niets meer dan een wrede terugval naar het gemiddelde. In deze dagen profiteren Amerikanen dan misschien van goedkope mobiele telefoons, betaalbare kleding en Facebook, maar ze kunnen zich in toenemende mate niet langer een eigen huis, een zorgverzekering of een goed pensioen veroorloven.

Een meer zorgwekkend verschijnsel, opgemerkt door de durf­kapitalist Peter Thiel en de econoom Tyler Cowen, is dat de voordelen van de meest recente golven van technologische innovatie buitenproportioneel zijn toegekomen aan de meest getalenteerde en hoogopgeleide leden van de samenleving. Dat verschijnsel hielp mee de enorme groei van ongelijkheid in Amerika in de vorige generatie te creëren. In 1974 nam de top-één-procent van de gezinnen negen procent van het bnp mee naar huis; in 2007 was dat opgelopen tot 23,5 procent.

Handel en belastingbeleid hebben misschien die ontwikkeling versneld, maar de echte boosdoener hier is de technologie. In vroegere fases van industrialisering – de tijdperken van textiel, kolen, staal en de verbrandingsmotor – vloeiden de resultaten van technologische veranderingen bijna altijd in aanzienlijke mate naar de rest van de samenleving in termen van werkgelegenheid. Maar dat is geen natuurwet. We leven op dit moment in wat de wetenschapper Shoshana Zuboff ‘het tijdperk van de slimme machine’ heeft genoemd, waarin technologie steeds meer in staat is hogere menselijke functies te vervangen. Elke grootse vooruitgang in Silicon Valley betekent hoogstwaarschijnlijk een verlies van laag­geschoolde banen elders in de economie – een trend die niet in de afzienbare toekomst zal ophouden.

Ongelijkheid heeft altijd bestaan, als gevolg van natuurlijke verschillen in talent en karakter. Maar de technologische wereld van vandaag vergroot die verschillen enorm uit. In een negentiende-eeuwse agrarische maatschappij hadden mensen met sterke wiskundige vaardigheden niet heel veel mogelijkheden om hun talent te gelde te maken. Vandaag de dag kunnen ze financiële wizards worden of software-programmeurs en steeds grotere brokken van de nationale welvaart mee naar huis nemen.

De andere factor die de middenklasse-inkomens in ontwikkelde landen ondermijnt is de globalisering. Door het verlagen van vervoers- en communicatiekosten en door het betreden van de mondiale arbeidsmarkt door honderden miljoenen nieuwe krachten in ontwikkelingslanden kan het soort werk dat werd gedaan door de oude middenklasse in de geïndustrialiseerde wereld nu veel goedkoper worden uit­gevoerd op andere plaatsen. Onder een economisch model dat de maximalisering van het gezamenlijke inkomen boven aan de agenda plaatst is het onvermijdelijk dat banen worden ge-outsourced.

Slimmere ideeën en slimmer beleid hadden de schade kunnen beperken. Duitsland is erin geslaagd een aanzienlijk deel van zijn productiebasis en industriële arbeids­krachten te beschermen zelfs al zijn de Duitse bedrijven op mondiale schaal concurrerend gebleven. De VS en Engeland, daarentegen, omarmden gretig de overgang naar de postindustriële diensteneconomie. De vrije markt werd minder een theorie dan een ideologie: toen leden van het Amerikaanse Congres probeerden terug te slaan met handels­sancties tegen China omdat dat zijn valuta onderwaardeerde, werden ze verontwaardigd beschuldigd van protectionisme. Er werd veel opgewekt gepraat over de wonderen van de kennis­economie, en over hoe vuile, gevaarlijke productiebanen onvermijdelijk zouden worden vervangen door hoogopgeleide arbeiders die creatieve en belang­wekkende dingen deden. Dat was een mistige sluier over de harde feiten van de-industrialisatie. Het had niet in de gaten dat de opbrengsten van de nieuwe orde buitenproportioneel toekwamen aan een zeer klein aantal mensen in het geldwezen en de hoge technologie, belangen die de media en de algemene politieke gesprekken domineerden.

Afwezig links

Een van de raadselachtigste kenmerken van de wereld in de nasleep van de financiële crisis is dat het populisme een rechtse vorm heeft aangenomen, en niet een linkse. In de VS, hoewel de Tea Party anti-elitair is in haar retoriek, stemmen de leden ervan voor conservatieve politici die de belangen dienen van juist die financiers en corporate elites die ze beweren te verafschuwen. Een verklaring voor dit verschijnsel is een diepgeworteld geloof in gelijkheid van kansen in plaats van gelijkheid van resultaat en het feit dat culturele kwesties, zoals abortus en wapenrechten, economische kwesties doorsnijden. Maar de dieperliggende reden dat een breed populistisch links niet tot stand kon komen, is van intellectuele aard. Het is al verscheidene decennia geleden sinds iemand van links in staat was uitdrukking te geven aan, ten eerste, een coherente analyse van wat er gebeurt met de structuur van ontwikkelde samenlevingen terwijl die economische veranderingen meemaken, en, ten tweede, een realistische agenda die de hoop heeft een middenklassemaatschappij te beschermen.

De belangrijkste trends in het linkse denken in de laatste twee generaties zijn, eerlijk gezegd, rampzalig geweest als ofwel conceptuele frameworks of gereedschappen voor mobilisatie. Het marxisme is vele jaren geleden gestorven, en de weinige oude gelovers die er nog zijn gaan binnenkort het verpleeghuis in. Academisch links verving het door post­modernisme, multiculturalisme, feminisme, kritische theorie en een berg andere gefragmenteerde intellectuele trends die meer cultureel dan economisch zijn in hun focus. Het postmodernisme begint met een ontkenning van de mogelijkheid van enig _master-_narratief van de geschiedenis of de maatschappij, en ondergraaft zijn eigen autoriteit als een stem voor de meerder­heid van burgers die zich verraden voelen door hun elites. Het multiculturalisme waardeert het slachtofferschap van vrijwel elke _out-_groep. Het is onmogelijk om een massale progressieve beweging te genereren op basis van zo’n bonte coalitie: de meeste van de burgers uit de arbeiders- en de lagere middenklasse die zijn geslachtofferd door het systeem zijn cultureel conservatief en zouden zich schamen als ze werden gezien in het gezelschap van zulke bondgenoten.

Wat ook de theoretische rechtvaardigingen onder de agenda van links mogen zijn, haar grootste probleem is een gebrek aan geloofwaardigheid. Gedurende de afgelopen twee generaties heeft mainstream links een ­sociaal-democratisch programma gevolgd dat draait rond de levering door de staat van een veelheid aan diensten, zoals pensioenen, gezondheidszorg en onderwijs. Dat model is nu uitgeput: verzorgingsstaten zijn groot, bureaucratisch en onbuigzaam geworden; ze zijn vaak gevangen door precies die organisaties waardoor ze worden beheerd, door bonden in de publieke sector; en, wat het belangrijkste is, ze zijn fiscaal onhoudbaar gezien het ouder worden van populaties vrijwel overal in de ontwikkelde wereld. Zodoende zullen bestaande sociaal-democratische partijen wanneer ze aan de macht komen niet langer ambiëren om méér te zijn dan hoeders van een verzorgingsstaat die tientallen jaren geleden werd gecreëerd; er is er niet één die een nieuwe, prikkelende agenda heeft op basis waarvan de massa’s bij elkaar kunnen worden gebracht.

Een ideologie van de toekomst

Stel je voor, heel even, dat een obscuur schrijvertje in onze tijd ergens op een zolderkamertje probeert een ideologie voor de toekomst te schetsen die een realistische weg zou kunnen bieden naar een wereld met gezonde midden­klassemaatschappijen en sterke democratieën. Hoe zou die ideologie eruitzien?

Ze zou op z’n minst twee componenten moeten hebben, politiek en economisch. In politieke zin zou de nieuwe ideologie de suprematie van democratische politiek over de economie opnieuw moeten vaststellen en de overheid weer moeten legitimeren als een uitdrukking van het algemeen belang. Maar de agenda die ze zou voorstellen om het midden­klasseleven te beschermen zou niet simpelweg kunnen vertrouwen op de bestaande mechanismen van de verzorgingsstaat. De ideologie zou op een of andere manier de publieke sector opnieuw moeten vorm­geven, haar bevrijden van haar afhankelijkheid van bestaande aandeelhouders en nieuwe, door technologie aangedreven benaderingen gebruiken voor het leveren van diensten. Ze zou onomwonden moeten pleiten voor meer herverdeling en een realistische route moeten presenteren naar het beëindigen van de politieke overmacht van belangengroepen.

In economische zin zou de ideologie niet kunnen beginnen met een veroordeling van het kapitalisme als zodanig, alsof ouderwets socialisme nog steeds een levensvatbaar alternatief was. Het gaat vooral om de variant van het kapitalisme en de mate waarin regeringen samenlevingen zouden moeten helpen om zich aan te passen aan veranderingen. Globalisering zou niet moeten worden gezien als een onverbiddelijk en onwrikbaar verschijnsel maar juist als een uitdaging en een mogelijkheid die nauw­keurig moet worden gecontroleerd in politieke zin. De nieuwe ideologie zou markten niet zien als een doel op zichzelf; nee, ze zou mondiale handel en investeringen waarderen zolang ze bijdroegen aan een bloeiende middenklasse, niet alleen aan een grotere gemiddelde nationale welvaart.

Maar het is niet mogelijk om tot dat punt te komen zonder serieuze en aanhoudende kritiek te leveren op een groot deel van het bouwwerk van de moderne neoklassieke economie, beginnend bij fundamentele aan­names als de soevereiniteit van individuele voorkeuren en dat gemiddeld inkomen een accurate maatstaf is voor landelijk welzijn. Deze kritiek zou moeten opmerken dat de inkomens van mensen niet noodzakelijk hun werkelijke bijdragen aan de maatschappij weerspiegelen. Ze zou verder moeten gaan en erkennen dat zelfs als arbeidsmarkten efficiënt zouden zijn de natuurlijke verdeling van talenten niet per se eerlijk is en dat individuen geen soevereine entiteiten zijn maar wezens die in hoge mate worden gevormd door de maatschappij waarin ze leven.

Deze ideeën zijn al een tijdje aanwezig; het schrijvertje zou ze in een samenhangend pakket moeten onderbrengen, en ook het probleem van het ‘verkeerde adres’ moeten vermijden. Dat wil zeggen dat de kritiek op de globalisering zou moeten worden verbonden aan nationalisme als een strategie voor mobilisatie op een manier die het nationaal belang op een fijnzinniger manier definieerde dan, bijvoorbeeld, de ‘Buy American’-campagnes van vakbonden in de VS. Het product zou een synthese zijn van ideeën van zowel links als rechts, losgekoppeld van de agenda van de gemarginaliseerde groepen waaruit de bestaande progressieve beweging bestaat. De ideologie zou populistisch zijn; de boodschap zou beginnen met een kritiek op de elites die hebben toegestaan dat het profijt van de velen werd geofferd ten bate van dat van de weinigen en een kritiek op de geldpolitiek, vooral in Washington, die in enorme mate rijken bevoordeelt.

De gevaren die inherent zijn aan zo’n beweging liggen voor de hand: vooral als de Verenigde Staten zouden ophouden met pleiten voor een meer open mondiaal systeem zou dat elders protectionistische reacties kunnen losmaken. In veel opzichten slaagde de Reagan-Thatcher-­revolutie net zoals de voorvechters ervan hoopten, en bracht een steeds meer concurrerende, geglobaliseerde, frictie-vrije wereld tot stand. Ondertussen genereerde ze enorme rijkdom en creëerde opkomende midden­klassen overal in de zich ontwikkelende wereld, en verspreidde democratie in de nasleep ervan. Het is mogelijk dat de geïndustrialiseerde wereld op het toppunt van een reeks technologische doorbraken staat die niet alleen de productiviteit zullen doen toenemen maar ook betekenisvol werk zullen verschaffen aan grote aantallen mensen in de middenklasse.

Maar dat is meer een kwestie van geloof dan een weerspiegeling van de empirische realiteit van de afgelopen dertig jaar, want die wijst in tegengestelde richting. Er zijn een hoop redenen om te denken dat de ongelijkheid alleen maar groter zal worden. De huidige concentratie van rijkdom in de Verenigde Staten is al zelf-versterkend geworden: zoals de econoom Simon Johnson heeft gesteld heeft de financiële sector haar lobby­kracht gebruikt om meer lastige vormen van regulering te vermijden. Scholen voor de welgestelden zijn beter dan ooit; die voor alle anderen blijven achter­uitgaan. Elites in alle maatschappijen gebruiken hun superieure toegang tot het politieke systeem om hun belangen te beschermen, en daar staat geen democratische mobilisering tegenover om de situatie recht te zetten. Amerikaanse elites zijn geen uitzondering op de regel.

Maar die mobilisering zal niet plaatsvinden, zolang de midden­klassen van de ontwikkelde wereld in de ban blijven van het narratief van de vorige generatie: dat hun belangen het best zullen worden gediend door steeds vrijere markten en kleinere staten. Het alternatieve verhaal bestaat ergens, en wacht tot het wordt geboren.


© Foreign Affairs

Vertaling Rob van Erkelens