De toekomst van de wereld

Zijn we op weg naar het paradijs of naar de ondergang? Net als aan het eind van de vorige eeuw speculeren we er weer lustig op los. Maar nu staan we er heel anders voor dan toen, meent professor Gita Sen van het Indian Institute of Management in Bangalore. Afgelopen vrijdag hield zij de eerste UvA Development Lecture: ‘Als soort zullen we hetzij gezamenlijk overleven, hetzij ten onder gaan.’
Vertaling: Margreet de Boer.
De volledige tekst van de lezing ‘Mondialisering in de eenentwintigste eeuw: uitdagingen voor de maatschappij’ is te verkrijgen bij het Institute for Development Research Amsterdam (Indra), tel. (020) 5255050
EEUWEN ZIJN wonderlijke creaties van de menselijke verbeelding. Dat geldt uiteraard ook voor millennia. Natuurkundig gesproken zal de aarde na de ophanden zijnde breuk in onze jaartelling gewoon blijven wentelen en draaien. Toch blijkt de komst van een nieuwe eeuw, en zeker een nieuw millennium, een stroom van bespiegelingen op gang te brengen waarin een uiterst rooskleurig of juist apocalyptisch beeld van de toekomst wordt geschetst. Kennelijk vormt het tijdsbesef zo'n fragiel onderdeel van ons streven om grip te krijgen op de meest wezenlijke problemen van het bestaan - de dood, het uitsterven van de soorten en het vraagstuk van vooruitgang of verval - dat een belangrijke datum ons uit ons evenwicht brengt.

We weten niet hoe, en zelfs niet òf onze verre voorouders nadachten over de veranderingen die de menselijke soort in de loop der millennia had doorgemaakt. Wel weten we dat de publieke opinie op het breukvlak van de negentiende en de twintigste eeuw heen en weer geslingerd werd tussen zeer uiteenlopende toekomstverwachtingen. Naast het idee dat de mens dankzij toegenomen kennis en technologische ontwikkeling een paradijs op aarde zou scheppen, deden sombere voorspellingen over ondergang en verval opgeld. De collectieve angst dat het economische stelsel eigen wetmatigheden volgde zonder dat de staat of samenleving daar ook maar enige greep op hadden, kreeg in de loop van deze eeuw extra voedsel door de massale sociale ontwrichting als gevolg van de depressie van de jaren dertig en de beide wereldoorlogen. Maar tegelijkertijd brak er met de nieuwe eeuw ook een tijdperk van nieuwe hoop aan, hoop die gestalte kreeg in het streven naar democratisering, sociale verbetering en dekolonisatie. De mijlpalen in onze jaartelling blijken dus niet alleen onzekerheid en ambivalentie, maar ook hoop op vooruitgang aan te wakkeren.
In het laatste decennium van deze eeuw en dit millennium zie je hetzelfde gebeuren. Zowel burgers als regeringen filosoferen over de vraag of de mens in de eenentwintigste eeuw beter bij machte zal zijn het eigen bestaan en de wereld in het algemeen vorm te geven. Het huidige proces van mondialisering werpt een scherp licht op deze vraag. Want ook al nemen het inkomen en de produktiviteit van de wereldbevolking gemiddeld toe, in het kapitalisme is economische groei toch vooral gebouwd op de sterkeren. Het is dan ook de vraag of de mensheid als geheel bij het proces gebaat is. Het ziet er immers naar uit dat het de bestaanszekerheid van grote groepen ondermijnt, de sociaal-economische ongelijkheid tussen de seksen, rassen, kasten en klassen vergroot, de zorgen voor het menselijk nageslacht marginaliseert en het milieu plundert. In de dertig jaar dat het proces nu aan de gang is, zijn de nadelige gevolgen steeds sterker aan het licht getreden.
HOEWEL JE KUNT verdedigen dat het kapitalisme altijd al mondiale trekken had, heeft de mondialisering van de afgelopen dertig jaar een aantal nieuwe basiskenmerken. Ik zal de belangrijkste noemen.
Als gevolg van de technologische revoluties in de micro-elektronica en biotechnologie is de ontwikkeling in economisch, politiek en cultureel opzicht in een stroomversnelling geraakt. De revoluties brachten zodanige veranderingen teweeg in de arbeidsprocessen en arbeidsverhoudingen alsook in de verhouding tussen produktie en distributie, dat transnationale bedrijven een ongehoorde economische macht kregen in de wereld en bovendien feller dan ooit gingen concurreren om afzetmarkten, hulpbronnen en technologie.
Tegelijk met de produktie veranderde ook de wereld van de handel en financiën. Doordat een veel groter deel van het particuliere kapitaal zich over de hele aardbol ging bewegen, werd het voor regeringen lastiger om nationale en internationale monetaire stelsels te beheersen. De monetaire instabiliteit diende als de zoveelste rechtvaardiging voor het terugdringen van overheidsuitgaven. Er is veel moeite gedaan om het internationale goederenverkeer aan nieuwe bepalingen en richtlijnen te onderwerpen. Maar de enige regulerende mondiale organisatie op dit gebied, de Wereldhandelsorganisatie (WTO), is volledig afgestemd op de belangen van de sterkste industrielanden. Nog meer vraagtekens kun je plaatsen bij het akkoord waaraan de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) op dit moment werkt. Op sterke aandrang van multinationale ondernemingen zullen er in dit Multinationale Investeringsakkoord (MIA) sancties worden opgenomen tegen landen die maatregelen nemen om de internationale geldstromen te beteugelen.
Het uiterst ongelijkmatige mondialiseringsproces heeft van oudsher bestaande economische en politieke banden tussen landen aangetast. Nieuwe handels- en economische zones en groeiregio’s zijn in opkomst. Met onder meer als consequentie dat de toch al nooit grote eenheid in wat lange tijd de Derde Wereld werd genoemd, nu totaal is verdwenen. Onder de voormalige leden ervan vind je nu landen met de snelst groeiende economie ter wereld en landen die helemaal onder aan die ranglijst staan. Van gemeenschappelijke belangen en problemen is dan ook geen sprake meer. Met als gevolg dat het Zuiden, zoals de nieuwe benaming luidt, niet langer met het Noorden onderhandelt op basis van een lange-termijnvisie of -strategie. Integendeel, de gesprekken berusten geheel op het drijfzand van compromissen per punt en inderhaast in elkaar gezette akkoorden. En de concurrentie tussen de landen van het Zuiden onderling is sterker dan de wil tot samenwerken.
Onder druk van het motto ‘mondialiseer of verdwijn’ is de economische rol van de staat aanmerkelijk ingeperkt. Konden regeringen de economie vroeger nog sturen en compromissen tussen maatschappelijke groepen bevorderen, nu hebben de economische mondialisering, de conservatieve aanval op de overheid en de welhaast verpletterende ideologische druk van de Wereldbank en het IMF hun invloed verkleind. Maar diezelfde overheden hebben nog wel het machtsapparaat om iedereen die het waagt zich tegen de mondialisering zelf te verzetten, het zwijgen op te leggen. Het optreden van de Nigeriaanse regering tegen Ken Saro-Wiwa en het Ogoni-volk is daarvan maar één voorbeeld. Het onvermogen van regeringen om economisch beleid te voeren, heeft al tot bloedige oorlogen, uitbarstingen van gruwelijk geweld en tragische volksverhuizingen geleid.
Na het einde van de Koude Oorlog is de wapenindustrie vooral in het Zuiden op zoek gegaan naar nieuwe afzetmarkten. Onder invloed van de wereldwijde zwarte economie, die zich met wapens, drugs en witwasoperaties bezighoudt, is de politieke cultuur in een aantal landen volkomen veranderd. Doordat democratische initiatieven hier ongenadig de kop wordt ingedrukt, wordt er een voedingsbodem gecreëerd voor uitbarstingen van oorlog en geweld.
Bij alle gruwelverhalen over de wijze waarop de mens met de diersoorten en het milieu omspringt, zijn er ook lichtpuntjes te melden. Er worden internationale afspraken gemaakt, zoals op de VN-conferentie voor Milieu en Ontwikkeling in Rio de Janeiro in 1992. En met het oog op het hoge tempo waarin het milieu achteruit holt, vragen meer en meer mensen zich af of we niet veel te traag reageren. Aan het eind van dit millennium hebben biologen met hun kloonexperimenten een geest uit de fles gelaten, vergelijkbaar met de krachten die natuurkundigen meer dan vijftig jaar geleden vrijmaakten toen ze voor het eerst een atoom splitsten. Maar de biologische ontwikkeling roept nog wezenlijker morele vragen op. Want nu gaat het niet alleen om het overleven, maar ook om de identiteit van de menselijke soort.
Een hoofdkenmerk van de huidige mondialisering is dat ze op grote schaal de flexibiliteit van vrouwenarbeid exploiteert. De mobiliteit van vrouwen is tegenwoordig groter dan ooit, zowel binnen als buiten de nationale grenzen. Toch bestaat er wereldwijd nog steeds een sterke segregatie in de beroepssfeer. Vrouwen betraden massaal de arbeidsmarkt, maar dit bleef voornamelijk beperkt tot de laagste en slechtst betaalde functies. Nu de verzorgingsarrangementen verkruimelen, staan vrouwen overal ter wereld onder enorme druk om een inkomen te verdienen. Het kapitalisme is echter niet berekend op werknemers die naast hun baan ook kinderen moeten baren, opvoeden en verzorgen. Een van de grootste mankementen van het stelsel is dat het onvoldoende rekening houdt met de financiële middelen, de arbeidstijd en de emotionele investering die daarvoor nodig zijn. Een enkele uitzondering daargelaten geldt dit ook voor de stelsels van sociale zekerheid die deze eeuw zijn opgebouwd. Zolang de zorg voor het nageslacht buiten het economische en politieke domein valt, zullen degenen wier taak dit is, vrouwen dus, gesegregeerd, gemarginaliseerd en ondergeschikt blijven in zowel het openbare leven als de privé-sfeer.
Overal ter wereld heeft het religieus fundamentalisme de wind in de zeilen. Tegelijkertijd met dalende geboortencijfers en de groei van het aantal vrouwen dat een inkomen moet verdienen, treden er groeperingen op die het gezin en de rol van de vrouw als echtgenote en moeder fel verdedigen. In conflicten tussen landen, klassen, kasten en rassen waren het altijd de mannen die de strijd leverden en als kanonnevoer dienden. Vrouwen bleef dit soort ellende bespaard. Maar terwijl dergelijke conflicten in vredesonderhandelingen plegen te eindigen, wordt de strijd over de positie van de vrouw gevoerd op het niveau van de alledaagse praktijk en op dat van de waarden, normen en cultuur. Dankzij de mondialisering van de media en de nieuwe communicatietechnologie zijn de verschillen in smaak, consumptiepatronen en aspiraties alsook in visies op het vrouwenlichaam en de vrouwelijke seksualiteit aan het verdwijnen. Voor vrouwen die volwaardige burgers willen worden en hun lot in eigen hand willen nemen, schept dit nieuwe perspectieven. Maar mannen die het lichaam van de vrouw nog immer als hun eigendom beschouwen, voelen zich erdoor bedreigd. Het fundamentalisme is vooral daarom zo problematisch omdat het zijn aanhang grotendeels vindt onder jonge mannen die gemarginaliseerd zijn en die hun macht zijn kwijtgeraakt, en vaak bevat het kritiek op de mondialisering, terwijl tegelijkertijd ook vrouwen weer sterker aan het patriarchaat worden onderworpen.
DE HAMVRAAG bij al deze door de mondialisering veroorzaakte ontwikkelingen is in hoeverre de politiek nog greep heeft op de gang van zaken. Regeringen in het Noorden en het Zuiden staan voor dezelfde problemen. Ze moeten onder meer beleid voeren ten aanzien van de werkloosheid, de inflatie, de financiële markten en het tempo van technologische vernieuwing. Ze worden geconfronteerd met bedrijven die hun activiteiten naar elders dreigen te verplaatsen als er geen gunstiger belastingklimaat en soepeler regelgeving komt. En ze worden geconfronteerd met fundamentalisme, geweld en groeiende ongelijkheid.
Bij al deze overeenkomsten is er echter één groot verschil: de landen in het Noorden en Zuiden hebben een volstrekt andere startpositie waar het gaat om het niveau van de armoede en de maatschappelijke ontwikkeling, de ontwikkeling van markten en instituties, alsook bij de onderhandelingen over het internationale handels- en geldverkeer. Hoewel de overheid in zowel het Zuiden als het Noorden in een crisis verkeert, staat ze er in het Zuiden veel slechter voor. Ze heeft daar bovendien minder mogelijkheden om haar positie weer te versterken.
Om een voorbeeld te noemen: terwijl in het Noorden vooruitgang werd geboekt met de regionale economische integratie - Europa met de EU en de Verenigde Staten met de NAFTA - als methode om weer politieke greep op de economische besluitvorming te krijgen, lukte dit in het Zuiden alleen daar waar de economie het snelst groeide. Alleen in Zuidoost-Azië ontstond met de ASEAN een vergelijkbaar samenwerkingsverband. Een ander punt waarop de noordelijke staten hun invloed versterken is in de economische betrekkingen met het Zuiden. Akkoorden en afspraken worden in toenemende mate door hen gedicteerd, waarbij ze kortzichtig genoeg dikwijls alleen hun eigen belang in het oog houden.
DE MENS IS een bijzonder veerkrachtig wezen. Hoe moeilijk de omstandigheden ook zijn, hij blijft overeind door zich te verzetten of te onderwerpen, zich aan te passen of te ontwijken, door te blijven lachen en liefhebben. Deze energie zie je bij individuen en groepen, en deze verwarrende tijden van op hol slaande mondialisering vormen hierop geen uitzondering.
Dat de mens door doelbewust ingrijpen ook een positieve invloed kan uitoefenen, blijkt uit een vijftal ontwikkelingen. Om te beginnen heeft de democratie een aantal overwinningen behaald. De afgelopen vijftien jaar is in menig Latijns-Amerikaans en Afrikaans land de dictatuur ten val gebracht, met de apartheid in Zuid-Afrika als het meest opvallende voorbeeld. Deze democratisering werd veelal afgedwongen door volksbewegingen, die een langdurige georganiseerde strijd voerden, waarin groepen die eerder tegenover elkaar stonden gingen samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken. Zo vonden in Brazilië de vrouwenbeweging en de progressieve vleugel in de katholieke kerk elkaar in de strijd tegen de militaire dictatuur, ondanks het feit dat ze van mening verschillen over kwesties als gezin en vrouwenemancipatie. Politieke democratie garandeert uiteraard geen beleid waarin de mens centraal staat. Maar in dit stelsel kunnen wel verschillende meningen aan bod komen, publieke debatten worden gevoerd en geschillen worden uitgevochten, waarbij ook degenen die door de mondialisering gemarginaliseerd en van hun bestaansmiddelen beroofd zijn een stem kunnen krijgen.
De afgelopen twintig jaar hebben de twee groepen die in het verleden de minste macht hadden, dat wil zeggen vrouwen en inheemse volkeren, zich beter georganiseerd. Met als resultaat dat hun rechten meer dan voorheen worden erkend, en dat ze als groep regeringen en donors om rekenschap kunnen vragen. Met dit laatste wordt een begin gemaakt, en dit is van belang aangezien bij ontwikkelingsvraagstukken interventies en processen het best kunnen worden getoetst aan de hand van de consequenties die ze voor deze beide groepen hebben. Ook de positie en rechten van kinderen krijgen nu meer aandacht dan voorheen.
Een derde positieve ontwikkeling is te zien in de van oudsher bestaande arbeidersorganisaties. Vakbonden in het Noorden en Zuiden beseffen in toenemende mate dat het voor hen van levensbelang is dat ze ook de vrouwelijke werknemers en de werknemers in de zogeheten 'informele’ sectoren gaan organiseren. Zij vormen tenslotte de snelst groeiende doelgroepen. Maar dit zal alleen lukken als zij hun prioriteiten, hun organisatiestrategieën en hun eigen waarden en gedrag drastisch veranderen. De vakbonden zullen bijvoorbeeld oog moeten krijgen voor het belang van het werk dat vrouwen doen voor de instandhouding van de menselijke soort, alsook voor de verantwoordelijkheid die mannen dragen voor de verandering van de verhouding tussen man en vrouw. Ze dienen ideeën te ontwikkelen over de plaats van deze kwesties in het geheel van werknemersrechten, om ze vervolgens in de onderhandelingen met werkgevers beter te kunnen verdedigen. Omdat het in de informele sector moeilijker is mensen op de werkplek te organiseren, moeten ze tevens manieren vinden om gemeenschappen te bereiken.
Zo'n twintig jaar lang heeft de Wereldbank elke kritiek op de structurele aanpassingsprogramma’s van de hand gewezen. Maar onder de huidige president is de instelling iets ontvankelijker geworden voor het idee dat onderzoek naar de effecten ervan noodzakelijk is. Met als gevolg dat de bank nu medewerking verleent aan een onderzoek naar economische hervormingsprogramma’s in een tiental landen, dat op initiatief van een coalitie van niet-gouvernementele organisaties, werkzaam op mondiaal, nationaal of lokaal niveau, is opgezet. Hoewel de zogeheten SAPRI (Structural Adjustment Program Review Initiative) nog in de beginfase verkeert en er tal van struikelblokken blijken te zijn, getuigt het toch van een serieuze poging om meer inzicht te verkrijgen in de gevolgen van het beleid van regeringen en grote mondiale ontwikkelingsorganisaties.
Ondanks het feit dat de migratie in Europa en Noord-Amerika steeds meer vreemdelingenhaat oproept, blijken niet-gouvernementele organisaties op het gebied van ontwikkelingshulp, zoals Eurostep en WIDE, hun lobbyactiviteiten zozeer te hebben verbeterd dat ze bij de eigen regeringen meer gehoor vinden voor economische en sociale rechtvaardigheid en voor de rechten van gemarginaliseerden.
DIT SOORT PROCESSEN laat, net als de mensen en organisaties die erbij betrokken zijn, zien dat er een mondiale civil society in opkomst is. Naar mijn overtuiging volgt die geen 'derde weg’, los van overheden en markt, maar tracht ze daar juist aansluiting bij te vinden. Omdat de organisaties waarop ik doel zich op een nieuw terrein van mondialisering richten, zijn ze soms nog pril. Maar ze bouwen voort op organisaties en vormen van activisme met een langer verleden. In sommige streken zijn ze geworteld in de strijd tegen de dictatuur, elders hebben ze hun sporen verdiend in armoedebestrijding op gemeenschapsniveau, en weer ergens anders gaan ze terug op verzet tegen ontwikkelingsinterventies van overheden of bedrijven die ze in strijd met het belang van de bevolking achten.
Veranderingen vinden kortom op allerlei fronten plaats, en al die veranderingen verdienen onze aandacht. Voorzover het de ontwikkelingspolitiek betreft, moeten er een aantal stappen worden ondernomen om de wereld leefbaar te houden.
Om te beginnen moet de wereldhandel zodanig worden hervormd dat niet langer de rijken en machtigen er de meeste vruchten van plukken. De stelsels moeten eerlijker en rechtvaardiger worden.
Er dienen, ten tweede, plannen te worden ontwikkeld voor een mondiaal systeem van belastingheffing. Daarbij denk ik aan een sociaal-democratie op wereldschaal, die op den duur de huidige ontwikkelingshulp vervangt. De welgestelden reageerden in de vorige eeuw aanvankelijk ook geschokt en verontwaardigd toen de inkomensbelasting werd ingevoerd, maar dit is de enige manier om voldoende geld beschikbaar te krijgen voor sociale ontwikkeling en voor de uitbanning van de armoede. Financieel zwakke landen kunnen niet eindeloos de broekriem aanhalen. 'Ik heb mijn broekriem al zo dikwijls aangehaald dat ik nu alleen nog maar gaten heb!’, zei een Afrikaanse activist eens.
Ten derde is het van cruciaal belang dat de anti-trust- en anti-monopoliewetten die op nationaal niveau gelden, ook op internationaal niveau worden ingevoerd. Waarom zou de eis van fair play binnen de nationale grenzen niet ook worden gesteld aan bedrijven die op wereldschaal opereren? De opstellers van het Multinationale Investeringsakkoord moeten zich hier niet langer tegen verzetten.
Ten vierde dienen de Wereldbank en het IMF meer inzicht te geven in en verantwoording af te leggen over hun activiteiten. Van instellingen die altijd klagen dat andere bureaucratieën, met name die van nationale overheden, te weinig verantwoording afleggen, mag men dit toch verlangen.
Ten vijfde moet er een uitbreiding komen van de bestaande capaciteit binnen de Verenigde Naties om alternatieve ontwikkelingsmodellen te ontwikkelen en adviezen te geven op het gebied van gender en milieu.
Nu we op de drempel van een nieuw millennium staan, worden we geconfronteerd met een groeiend leger van vertwijfelden, die te horen krijgen dat er vooruitgang is terwijl ze aan den lijve ondervinden - door honger, geweld en andere misère - dat hun situatie verslechtert. In de eenentwintigste eeuw zullen we er op een of andere wijze voor moeten zorgen dat de mondialisering aan de gehele mensheid ten goede komt. Daarvoor zal veel politieke moed en volharding nodig zijn van al degenen die na een eeuw van bloedige oorlogen en ongehoorde verschrikkingen, en wetend waar ons streven om de krachten der natuur onder controle te krijgen toe heeft geleid, het morele besef hebben dat we als soort hetzij gezamenlijk overleven, hetzij ten onder gaan.