Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen

De toekomst van de wijsbegeerte

Toekomst is er voor de filosofie wanneer ze een open oog houdt voor de werkelijkheid zoals die ís, en niet zoals ze zou hopen dat ze wás, en wanneer ze bovendien binnen en voor die werkelijkheid wil spreken. Tegen de klippen van de academische disciplinering op is er zowel in Nederland als daarbuiten nog een vertrouwenwekkende hoeveelheid filosofen die voor de roeping van hun vak willen instaan.

Als wij de voorvechters van Nederland Kennisland mogen geloven, moet het nationale wetenschappelijk onderzoek internationaler worden, waarna de kwaliteit ervan met sprongen omhoog zal gaan. De confrontatie met vakgenoten elders werkt stimulerend én zuiverend. Het kaf onder het koren veet koren verdwijnt en op de mondiale ideeënmarkt bevruchten de ideeën elkaar williger. De broedplaatsen daarvan zijn internationale conferenties en publicaties, die door alles wat in het Nederlandse onderwijs en onderzoek de dienst uitmaakt dan ook krachtig worden gestimuleerd.

Dat gaat niet zomaar, want waar gehakt wordt vallen spaanders en hakhout wordt onder deze kennisbijl vooral het nationale debat. Wie als onderzoeker moet sappelen om zijn toppublicaties uitgegeven te krijgen in Engelstalige tijdschriften (daar komt internationalisering steevast op neer) komt aan een Nederlands boek of artikel zelden nog toe. En waarom zou hij ook? Het levert hem op zijn instituut hoogstens scheve ogen en een moeizaam functioneringsgesprek op, met de pijnlijke vraag of hij zijn tijd niet beter kan besteden.

En wellicht kan hij dat ook wel, zolang hij astrofysicus, microbioloog of deeltjesonderzoeker is — al kan enige publieke deskundigheid ook op deze terreinen geen kwaad. De onderwerpen en structuur van deze wetenschappen onttrekken zich nu eenmaal aan de schaal en eigenheid van het per definitie plaatselijke publieke gesprek, en partners voor een zinvolle gedachtewisseling vind je alleen maar in mondiaal vertakte vakkringen.

Dat ligt heel anders voor de sociale wetenschappen en misschien nog wel meer voor de meeste alfa-disciplines. Die zijn bijna steeds gericht op lokale vraagstukken, waarvan de betekenis voor de niet-vakman, als het goed is, bovendien een stuk inzichtelijker zal zijn. Het gaat in die wetenschappen tenslotte over hem en zijn sores: het uiteenvallen van het buurtgevoel, de problemen van meertalig onderwijs, de stress van de eenzaamheid of — om wat optimistischer te zijn — het belang van feesten en rituelen. De geschiedschrijving vertelt het verhaal van zijn verleden (en dus zijn identiteit), de taalkunde heeft het over de woorden die hij zelf gebruikt en de literatuurwetenschap over de boeken die hij zou kunnen lezen.

Toch moeten ook deze disciplines zich plooien naar het format dat het nationale onderzoeksbeleid de Nederlandse universiteiten heeft opgelegd. Ze moeten de mores volgen van de natuurwetenschappen, die de gidsdisciplines van de ware wetenschappelijkheid heten te zijn, opdat ook zij op den duur even succesvol zullen worden. In het beste geval gaat die gedachte terug op de oude misvatting dat de wetenschap één samenhangend geheel vormt en dat daarin dus ook één werkwijze moet worden gevolgd, in het slechtste op de ambtelijke luiheid die onderzoeksvoorstellen allemaal op hetzelfde formulier ingediend wil zien.

Geen vak dat van deze koekoeks-éénzang zo erg te lijden heeft als de filosofie. Terwijl de maatschappelijke vraag naar wijsgerige bezinning almaar groter wordt, worden de universiteiten ertoe gedwongen met hun rug naar het publiek te gaan staan om zich in de beslotenheid van de internationale vakkringen aan hun onbezoedelde wetenschappelijkheid te wijden. De resultaten daarvan zijn niet altijd verwaarloosbaar of onzinnig, maar verliezen zich even vaak in een geheimspraak waarin problemen worden ontrafeld die hoogstens het hart van Spitzwegs metafysische Bücherwurm nog sneller doet kloppen. Toch geldt dit onderzoek, en meer nog deze exclusieve publicatiewijze daarvan, als de exemplarische weg die de filosofie te bewandelen heeft.

Daarmee doet de filosofie zichzelf te kort. Ze maakt zichzelf aan de ene kant nodeloos tot een wereldvreemde discipline, terwijl ze aan de andere kant de maatschappij in de steek laat — die haar vragen vervolgens tot andere, niet per se gekwalificeerde beroepsdenkers richt. Ze rijdt ook zichzelf in de wielen doordat ze niet meer gedwongen is haar bekommernissen begrijpelijk te maken voor een publiek dat al bij voorbaat aan een half woord genoeg heeft. Daarmee loopt ze van de weeromstuit het risico niet eens meer haar eigen betekenis te begrijpen. En ten slotte wendt ze hoogmoedig het hoofd af van de noties van de alledaagse wijsheid, die weliswaar niet in ongefilterde staat filosofie mag worden genoemd, maar deze wel mag inspireren.

Wie vraagt naar de toekomst van de filosofie wordt dus wat moedeloos bij het zien van deze, door het onderzoeksbeleid gestimuleerde hang naar inwendige en uitwendige steriliteit. De discipline die als eerste in aanmerking komt voor de beantwoording van dringende maatschappelijke behoeften wordt door een overspannen idee van wetenschappelijkheid gedoemd tot irrelevantie. Ze doet daarbij nog het meest denken aan de eeuwenlang voort vegeterende scholastiek, die haar hoogtepunt bereikte in de dertiende eeuw maar het academisch tot ver na de Verlichting volhield.

Levenskracht heeft de filosofie dan ook alleen wanneer ze zich aan de ene kant beweegt in het publieke domein en debat, maar aan de andere kant haar discipline niet verliest. Van de regen in de drup raakt ze alleen maar wanneer ze, in haar gretigheid haar licht te doen schijnen over de vraagstukken van individu en samenleving, iedere logische en argumentatieve kritiek uit het oog verliest en ongemerkt afdrijft in de richting van het esoterische. Als je de filosofie al «wetenschappelijk» kunt noemen, dan is het nu juist in haar vastbeslotenheid zelfs aan de grenzen van de menselijke ervaring haar redelijkheid niet te verliezen. Alleen dankzij die roeping van redelijkheid (niet meer en niet minder) verdient ze een plaats in het academische bestel, dat haar op kritieke momenten in het gareel houdt, maar haar anderzijds niet mag binden op het procrustesbed van een haar wezensvreemde methodiek. Daarbij is ze bovendien gebonden aan een minimum van realisme. Haar redelijkheid bestaat niet in een heiligverklaring van de logica, die voor zichzelf een ideale en coherente wereld uitdenkt en «jammer voor de feiten» mompelt wanneer de werkelijkheid daar niet geheel aan voldoet.

Die uitspraak wordt (waarschijnlijk apocrief) toegeschreven aan de filosoof Hegel, die in zijn megasysteem de gehele wereld geschiedenis systematiseerde. Tegenwoordig lijkt zij eerder toegesneden op de zelfuitgeroepen erfgenamen van de Verlichting, die redelijkheid inperken tot rationaliteit en ieder fenomeen dat daarbinnen niet coherent valt in te passen als de rafelrandjes van een achterhaalde historie hopen te kunnen wegsnijden.

Toekomst is er dus voor de filosofie wanneer ze een open oog houdt voor de werkelijkheid zoals die is, en niet zoals ze zou hopen dat ze was, en wanneer ze bovendien binnen en voor die werkelijkheid wil spreken. Tegen de klippen van de academische disciplinering op is er zowel in Nederland als daarbuiten nog een vertrouwenwekkende hoeveelheid filosofen die voor de roeping van hun vak willen instaan. Een van de jongste en veelbelovendste onder hen is Ad Verbrugge, die in zijn onlangs verschenen essaybundel Tijd van onbehagen (Sun) even toegankelijk als kritisch schrijft over de interne spanningen waarin de westerse cultuur is verstrikt en waardoor ze op drift is geraakt.

Verbrugge beweegt zich in deze essays over een groot aantal probleemgebieden, variërend van de Europese eenwording tot de uitbarstingen van zinloos geweld, van het mensenrechtenvraagstuk tot dat van de marktwerking en haar grenzen, oorlog en vrede en de dood van God. Fascinerend — en filosofisch in de eigenlijke zin van het woord — wordt zijn visie doordat hij het onbehagen dat met deze vraagstukken gepaard gaat, terugleidt tot een fundamenteel misverstand over de menselijke persoon, dat zich in de loop van de afgelopen eeuwen gaandeweg in onze cultuur gevestigd heeft.

Anders dan welke andere beschaving ook heeft het moderne Europa de mens allereerst als een individu leren zien, zo stelt Verbrugge vast. Dat is geen opzienbarende observatie, maar de wijze waarop hij vervolgens de consequenties daarvan laat zien is dat wél. Dat individu is immers in de loop van de eeuwen die je — tussen de zestiende en de twintigste eeuw — de zéér lange Verlichting mag noemen steeds abstracter geworden. Alles wat verder nog zijn wezen zou kunnen bepalen (nationaliteit, geslacht, klasse, ja zelfs zijn geschiedenis) is weggesneden uit dit uitgebleekte individu-begrip, dat vervolgens het verzamelpunt werd van al even abstracte en algemene (mensen)rechten.

De wijze waarop Verbrugge het menselijk wezen probeert terug te denken in de schil van zijn feitelijke bestaan waardoor hij pas de concrete mens wordt die hij is, doet in veel opzichten denken aan de poging van Peter Sloterdijk om te laten zien dat een mens nooit kan bestaan zonder een sfeer die hij niet zelf is, maar die het hem wel mogelijk maakt te bestaan als degene die hij is. Maar terwijl Sloterdijk in het slotdeel van zijn Sferen-trilogie terugschrikt voor de conservatieve implicaties van dat inzicht, schroomt Verbrugge niet de moderniteit te bekritiseren als een beweging die — minstens voor een deel — op het verkeerde paard heeft gewed en beter ten halve kan keren dan ten hele te dwalen.

Het is niet nodig in alle opzichten met Verbrugge in te stemmen om de ernst en scherpzinnigheid van zijn cultuurkritiek te onderkennen. Zijn boek is een voorbeeld van wat filosofie zou kunnen zijn wanneer ze haar opdracht niet uit het oog verliest. Voor Verbrugge behoeft de wereld zoals zij is opheldering, inclusief de mens die nu eenmaal geen ideaal design is van de logisch-wetenschappelijke rede. Verstand en luciditeit zijn voor die opheldering noodzakelijk, maar zij zijn instrumenten voor de analyse van het feit, niet het feit en instrument tegelijk — waardoor de filosofie het zich bij voorbaat al bijzonder gemakkelijk maakt.

Het is veelbetekenend dat de moderne individualiteitsgedachte in veel opzichten ontsprongen is aan het natuurwetenschappelijke wereldbeeld en zijn methodiek, die nu ook de filosofie probeert aan te nemen. De wetenschappelijke revolutie in het begin van de moderne tijd nam afscheid van het aristotelische wereldbeeld waarin alles zijn eigen plaats had binnen een kosmische ordening, schrijft Verbrugge. In plaats daarvan werd de wereld een opeenstapeling van losse elementen die alleen nog via abstracte, mathematische wetten met elkaar verbonden waren. Een appel en een mens vallen allebei even hard van een toren naar beneden: niet omdat de grond hun «natuurlijke» plaats is maar vanwege de universele wet van aantrekkingskracht tussen twee fysieke lichamen, van welke aard die ook zijn.

Dat model van wat een «voorwerp» is werd ook het voorbeeld van het individu, constateert Verbrugge. Wát een mens was, deed niet meer ter zake, alleen nog hoe hij functioneerde binnen een wereld van sociale («natuur»)wetten en een abstracte juridische wetgeving. Het natuurwetenschappelijke wereldbeeld, dat zichzelf nooit meer hoefde te verlaten omdat het bij voorbaat alles elimineerde dat daarin geen plaats kon vinden, was daardoor bij voorbaat van zijn succes verzekerd.

De successen daarvan zijn onweerlegbaar, zolang het over die natuurlijke werkelijkheid gaat. Wanneer de sociale en persoonlijke realiteit aan de orde komen, is de winst — aldus Verbrugge — aanzienlijk minder evident. Kan onze cultuur, aan gene zijde van de slogans van individuele bevrijding en ontplooiing, er werkelijk op bogen dat ze haar individuen een vervuld en gelukt levenslot biedt? Is zij er, na de destructie van het ancien régime van voorbestemde levensloop en -plaats, in geslaagd de opengevallen ruimte te voorzien van een nieuwe oriëntatie en samenhang?

Of de bezorgde twijfel waaraan Verbrugge in vele toonaarden lucht geeft in alle opzichten terecht is, is minder belangrijk dan de vraag die hij opwerpt en het culturele zelfonderzoek waartoe hij een aanzet geeft. Daarin hervindt ook de filosofie haar meest dringende taak en bevrijdt zij zich tegelijk van een dwang tot wetenschappelijkheid die alleen maar ogenschijnlijk neutraal is. Wanneer individualisme, natuurwetenschap én het sciëntistische ideaal ontspringen aan één en dezelfde bron, dan betekent de wijze waarop de academische filosofie momenteel gedwongen wordt zich te organiseren tegelijk de keuze voor een zeer bepaald, niet onomstreden en zelfs niet ongevaarlijk mensbeeld.

Zoals Verbrugge laat zien, verdient de moderne mens een beter lot. Hetzelfde geldt voor de filosofie, die niet beter aan haar opdracht zou kunnen voldoen dan deze denkdwang aan het licht te brengen en te pareren.