De toekomst van Nederland

Het is inmiddels bijna een metadebat geworden. De uitbraak van de coronacrisis ging gepaard met een even heftige golf aan commentaren, voorspellingen en vergezichten over hoe de post-coronawereld eruit zou kunnen zien, of beter: zou móeten zien. Of het nu ging om klimaatverandering of een hervonden saamhorigheid, om de status van de ‘frontsoldaten’ in de zorg of de acceptatie van onze kwetsbaarheid en de dood – Covid-19 zou voor een ‘reset’ zorgen, we zouden onze ‘oude’ wereld als een versleten winterjas afwerpen en ruim baan geven aan een ‘nieuwe’, betere.

Op al die commentaren, voorspellingen en vergezichten kwam al snel de pruttelende reactie dat dit allemaal wensdenken is. ‘Het virus is een ramp’, schreef Bas Heijne in een grote beschouwing over de ‘coronagoeroes’ in de NRC. ‘Voor sommigen is het ook een buitenkansje. Hoop is ook een markt.’ Hoop, zo betoogt Heijne, die uitblinkt in stelligheid over wat wij moeten doen en in zelfbevestiging. Want de visioenen van die betere wereld passen altijd wel heel mooi in het eigen straatje.

Heijne was zeker niet de enige die zijn ergernis uitte over al die orakels die opeens opdoken. Ziedaar dat metadebat.

Maar al voor de pandemie, waar de goeroes nu hun eigen wending aan proberen te geven, kampte de wereld met grote problemen die, hoewel breed erkend, vooruit werden geschoven. In de eerste plaats de opwarming van de aarde en de ecologische crisis die daarvan het gevolg is. De acute ramp die de corona-epidemie is, vergroot juist de kans dat de concrete plannen die er liggen om de wereld te vergroenen in de ijskast worden gelegd.

Haalbare toekomstbeelden helpen om ons over ons verlammende pessimisme heen te zetten

Als het om Covid-19 gaat, tasten we voor een groot deel in het duister – er is vooral heel veel dat we nog níet weten van het virus. Voor veel andere, slepende problemen liggen de plannen en scenario’s klaar, veelal gebaseerd op nauwgezet en geduldig wetenschappelijk onderzoek. Over die plannen en scenario’s wilden wij een speciaal nummer maken, bedachten wij in januari, vóórdat corona Europa had bereikt. Hoe zou Nederland de grote problemen van nu het hoofd bieden, dat was de vraag die we onszelf stelden. En daarbij wilden we niet alleen schrijven over plannen die nog op de tekentafel lagen, maar ook op zoek gaan naar plekken waar kiemen van veranderingen al te zien waren. En omdat we al aan de special waren begonnen voor de lockdown, konden onze journalisten ook daadwerkelijk hun ogen de kost geven.

Inspiratie vormde de kaart van Nederland in 2120, een initiatief van Wageningen University & Research, die begin dit jaar werd gepubliceerd. Het is een aanlokkelijk land dat de kaart toont: groen en blauw vormen de hoofdkleuren; de klimaatverandering wordt het hoofd geboden door de natuur en natuurlijke processen – de bodem, het water, de kust – de ruimte te geven. Zoals een van de initiatiefnemers van de kaart het uitdrukt: ‘Wat we op onze kaart visualiseren is: yes, we can! Dat is volgens mij een overtuigende manier om de mensen tegen te spreken die zeggen dat klimaatbeleid alleen maar geld kost en niks oplevert.’

Nederland in 2120 ligt natuurlijk in een heel ver verschiet; als het om de aanpassingen gaat die ons veranderende klimaat vereist, kun je allicht ook zo ver vooruitkijken. In dit nummer gaat het niet alleen over klimaatverandering, maar ook over de toekomst van de stad en de periferie, mobiliteit en energie, de economie en technologie, migratie en de vraag waarin we geloven – daarbij hebben we niet de tijdspanne van honderd jaar en verder gekozen, maar de meer nabije toekomst over twintig à dertig jaar.

Uit veel van de gesprekken die we voerden, keerde terug hoe belangrijk het is een richtinggevend idee te hebben, juist in een tijd waarin zoveel problemen sluimeren. Onze politiek is pragmatisch ingesteld en goed in het oplossen van allerlei losse problemen, constateert een van de makers van de Wageningse kaart, maar minder goed in het schetsen van het langetermijnperspectief. ‘Wat ontbreekt is een toekomstbeeld waarop we die oplossingen kunnen afstemmen en dat tegenwicht kan bieden aan dat gevoel van machteloosheid onder de mensen.’

Het is ook wat de Amerikaans-Australische ecologische econoom Robert Costanza, specialist in het maken van toekomstscenario’s, in dit nummer zegt: doemdenken leidt tot inertie; concrete en haalbare toekomstbeelden helpen om ons over ons verlammende pessimisme heen te zetten. Of wat Rijksbouwmeester Floris Alkemade, die recentelijk het essay De toekomst van Nederland publiceerde, wil uitdragen: stop met doemdenken, begin weer met dromen. Dat is geen wensdenken, maar gaat over reële mogelijkheden. Er zijn ook volop initiatieven die de verbeelding voeden van een toekomst die in de werkelijkheid is geworteld. ‘Zonder het te beseffen, leven we in een heel revolutionaire tijd’, stelt Alkemade. ‘We zijn bezig met een collectieve zoektocht. Het komt langzaam op gang, maar het gebeurt wel.’


PS Dit is een dubbeldik nummer. De volgende Groene verschijnt 7 mei. Ondertussen publiceren wij op groene.nl extra verhalen over corona