Wetenschap, een falende totem

De toekomst wordt niet beter

De wetenschap heeft geleid tot betere leefomstandigheden. Toch is de mens niet rationeler of verdraagzamer geworden. Integendeel. Onverstand en rancune hebben meegelift met de rede. Dit gevaarlijke mengsel zal weldra in ons gezicht ontploffen.

WIE GELOOFT NOG in de maakbaarheid of voorspelbaarheid van de wereld? Niet alleen op straat, in de media en in kringen van politici en andere beleidsmakers, ook onder filosofen moet je de aanhangers van wenkende toekomstperspectieven tegenwoordig met een lampje zoeken. Nadenken over de toekomst staat steeds vaker gelijk aan nadenken over schadebeperking, over beheersing en terugdringing van het onrecht en de vernielingen die de mens op aarde en onder zijn soortgenoten aanricht, of het nu gaat om het bestrijden van armoede en onrecht, het inperken van massamigratie, het veilig stellen van het mondiale handelsstelsel of het voorkomen van een klimaatramp. We voelen ons op de hielen gezeten door ons verleden, voortgedreven door ons collectieve falen.

Francis Fukuyama was wellicht de laatste serieuze vooruitgangsdenker. Toen de Amerikaanse politicoloog in 1989 het hegeliaanse einde van de geschiedenis afkondigde, was hij al wel zo beleefd te waarschuwen dat het niet noodzakelijk goed met ons zou aflopen. De politieke ideeënstrijd was beslecht in het voordeel van de kapitalistische democratie, aldus Fukuyama; de strijd om die samenlevingsvorm universeel te verwezenlijken nog niet. ‘Het hardnekkigste misverstand omtrent mijn stelling is dat ik een conflictloze toekomst, een soort eeuwige vrede zou voorspellen’, zei hij destijds: ‘Ik constateer slechts dat de ideeënstrijd over de beste samenlevingsvorm beslecht is. Overal ter wereld wordt tegenwoordig de kapitalistische democratie als maatgevend beschouwd. Zelfs het theocratische Iran en de nationalisten in voormalig Joegoslavië hebben een parlement en willen integreren in de wereldmarkt’ (De Groene Amsterdammer, 1 november 1995).

Fukuyama leek de feiten aan zijn kant te hebben. In 1900 had geen enkel land algemeen kiesrecht, bijna honderd jaar later hadden 120 landen een min of meer legitieme meerderheidsregering. Die sample leek groot genoeg om er conclusies uit te trekken, bijvoorbeeld dat democratieën productiever, minder oorlogszuchtig en intern minder gewelddadig of repressief zijn dan niet-democratische landen. Het einde van de Koude Oorlog leek hem opnieuw gelijk te geven. De sterke toename van het aantal democratieën sinds 1991 ging aanvankelijk gepaard met een wereldwijde afname van oorlog, burgeroorlog en mondiale vluchtelingenstromen. Toch was dat allemaal geen garantie voor een onbezorgde toekomst, meende Fukuyama. Het is niet onmogelijk, schreef hij in The End of History and the Last Man (1992), dat we een nieuwe ‘totalitaire fase’ binnengaan die wellicht eeuwen zal duren. De kapitalistische democratie zal niettemin op termijn zegevieren, vooropgesteld dat er na een totalitaire fase nog een mensheid bestaat.

INMIDDELS ZIJN DE etnische en religieuze confrontaties in volle hevigheid terug terwijl het vertrouwen in het probleemoplossend vermogen van democratieën ernstig is aangetast. Fukuyama is nog pessimistischer gestemd dan tijdens het schrijven van dat boek uit 1992. In Trust (1995) benadrukte hij dat de mens geen rationele, calculerende burger is, maar een wezen dat zich laat leiden door instinct en emotie: ‘Waarom rennen mensen een brandend huis binnen om een ander te redden? Waarom zijn ze bereid om te sterven voor een beginsel? Dat is het domein van cultuur en politiek, waar de nutsmaximalisatie moet wijken voor tijdloze passies als trots, schaamte en verontwaardiging.’ Vandaar dat de ‘geschiedenis van gebeurtenissen’ in alle hevigheid voortraasde; het was nog maar de vraag, aldus de auteur, of de kapitalistische democratie op den duur tegen de ontwrichtende werking van die tijdloze passies bestand is.

In Our Post-Human Future (2002) betoogt Fukuyama dat ook de wetenschap roet in het hegeliaanse wereldplan dreigt te gooien. De ‘biotech-revolutie’ kan de mensheid de instrumenten verschaffen om haar eigen genetische aanleg verregaand te manipuleren, met een ongewisse uitkomst voor de overlevingskansen van de soort als geheel en voor die van de democratie in het bijzonder.

De kritiek op het vrijemarktdenken en op het bijbehorende ‘rationeel-calculerende’ mensbeeld die Fukuyama in Trust formuleerde, staat nog altijd als een huis. De vermarkting van essentiële menselijke waarden, sociale relaties en het openbaar belang leidt tot een aantasting van het ‘vertrouwenskapitaal’ dat een samenleving in stand houdt. We zien dat vandaag gebeuren nu de financiële wereld zijn eigen deregulering niet aankan en verwordt tot windhandel. De uitverkoop van publieke taken aan particuliere belangen leidt ertoe dat onderwijs en wetenschap in dienst van multinationals komen te staan, dat zorgverzekeraars op de stoel van de arts gaan zitten, dat vaklieden in alle sectoren van de economie worden vervangen door flexkrachten en dat het openbaar vervoer verwordt tot veetransport. Het vertrouwen in de politiek, de wetenschap en het morele gezag van experts daalt dienovereenkomstig.

Maar zoals keizer Wilhelm II in zijn balkonrede van 1914 uitriep dat ‘wij nu allen Duitse broeders en niets dan Duitse broeders zijn’, zo roepen de verdedigers van de liberale status-quo ons toe dat wij vandaag allemaal liberalen en niets dan liberalen zijn. Inderdaad, politieke alternatieven dienen zich niet aan, afgezien van dystopische fantasieën van rechts over een herovering van de nationale identiteit, van milieuactivisten over een duurzaamheidsdictatuur of van religieuze fundamentalisten over een gouden tijdperk onder de hoede van hun particuliere god. Hun eisen zijn ingegeven door angst of valse zekerheden, hun oplossingen zijn in de complexe wereld van vandaag niet realiseerbaar. De kiezers weten dat en zwalken van de ene gelegenheidsoplossing naar de andere. De filosofen helaas ook.

‘Er is opvallend weinig fundamentele filosofische kritiek op het liberalisme’, zegt filosoof Hans Achterhuis, die zich momenteel ‘uit de naad’ werkt aan een boek over het liberalisme als utopie. Achterhuis heeft de naam dat hij actuele dilemma’s goed aanvoelt en zijn komende boek is actueler dan ooit, want er gaapt een reusachtige leegte in de hedendaagse politieke filosofie. Hans Achterhuis: ‘Je zou denken dat sinds de financiële crisis dit thema in de filosofie voor het oprapen ligt. Maar de enige moderne denker die het liberalisme systematisch als een utopie ontmaskert, is uitgerekend een conservatief, John Gray.’

De hoogleraar Europees gedachtegoed aan de London School of Economics verkondigt al twintig jaar dat het liberalisme net als het socialisme of het nazisme een quasi-wetenschappelijke variant is op oudere, religieuze heilsverwachtingen. Het liberalisme heeft de hand van God vervangen door de onzichtbare hand van de markt, maar is daarom niet minder bijgelovig te noemen. De conservatief Gray geldt als gezaghebbend denker en zijn boeken zijn in tientallen talen beschikbaar. Toch wordt dit thema uit zijn werk bijna niet opgepakt, ook niet door filosofen ter linkerzijde. Misschien komt het doordat Gray’s opvatting van de Verlichting als geheel buitengewoon zwartgallig is. Zoals de Brit korte metten maakt met de ideologische feilen van het liberalisme, zo rekent hij ook af met alle alternatieven van links.

Niet alleen het liberalisme, alle stromingen die uit het Verlichtingsstreven voortkwamen waren volgens Gray een voortzetting van het christendom met andere middelen. Hij vergelijkt ze met de millenaristische beweging uit de Middeleeuwen die geloofde dat Christus’ duizendjarige rijk op aarde aanstaande was. De Verlichters brachten dezelfde boodschap, verpakt in de parafernalia van ratio en wetenschap. ‘De Verlichtingsfilosofen konden het christendom alleen uitbannen door het verlangen naar verlossing dat het had opgewekt te bevredigen’, schrijft hij in Black Mass (2007): ‘Ze konden niet erkennen wat vóór-christelijke denkers vanzelfsprekend achtten, namelijk dat de menselijke geschiedenis geen alomvattend doel heeft. Ze moesten terugvallen op een manicheïsche visie van de geschiedenis als een strijd tussen licht en duisternis. Het licht mag dat van de kennis zijn geweest in plaats van het goddelijke en het duister dat van de onwetendheid in plaats van het kwade, maar het wereldbeeld was hetzelfde.’

UNIEK IS DAT wereldbeeld niet. Volken in alle delen van de wereld menen te weten waar ze vandaan komen en waartoe ze zijn voorbestemd. Althans hun bestuurders, geestelijk leiders en geschiedschrijvers handelen alsof ze dat weten en hun onderdanen handelen alsof ze die eschatologie aanvaarden. Aan het begin ervan staat een schepper, aan het einde een triomf van goddelijke rechtvaardigheid dan wel persoonlijke verlossing in de vorm van nirwana. Wij westerlingen beschouwen onszelf graag als uitzondering. Wij geloven niet in sprookjes, we vertrouwen op de wetenschap. Reikt ons besef van tijd soms niet terug tot het eerste natuurverschijnsel waarover we met enige zekerheid een uitspraak kunnen doen: de Big Bang, een thermonucleaire explosie die een uitdijend heelal voortbracht en de voorwaarden voor het leven op onze planeet, maar ook de voorwaarden voor het onvermijdelijk verdwijnen van dat leven schiep? Integendeel, zegt Gray niet zonder overdrijving: ‘Als iets het Westen kenmerkt, is het wel het streven naar verlossing in de geschiedenis. Het is die historische teleologie – het geloof dat de geschiedenis een ingebouwd doel heeft – en niet een traditie van democratie of tolerantie waardoor het Westen zich van alle andere beschavingen onderscheidt.’

Voor traditioneel links is het moeilijk te verkroppen dat Gray stromingen als communisme, socialisme en anarchisme op een hoop gooit met het liberalisme, om van het nazisme maar te zwijgen. Communisme en nazisme wilden de mensheid door een zelfbenoemde, oppermachtige elite laten ‘bevrijden’ van de kluisters van het verleden. Daarentegen zagen liberalen, socialisten en anarchisten de Verlichting als een proces van geweldloze zelfbevrijding. Toch was er een element dat hen allemaal verbond, meent Gray, namelijk een geloof in vooruitgang dankzij de wetenschap. En aangezien wetenschap naar haar aard elitair is – alleen de knapste koppen hebben immers overzicht over een relevant kennisgebied – is er ook binnen de democratische stromingen die uit de Verlichting voortkwamen onvermijdelijk een priesterkaste van ‘ingewijden’ ontstaan. Bij de liberalen en socialisten zijn dat de economen, bij de groene bewegingen de ecologen.

Economen maken zich na de kredietcrisis terecht geen illusies meer omtrent hun maatschappelijk aanzien. Voor ecologen geldt hetzelfde omdat ze zich uitputten in steeds weer door de feiten ingehaalde doemvoorspellingen, onrealistische economische scenario’s en proto-religieuze opvattingen over de aarde als levend organisme dat ‘terugvecht’ tegen de mens. Terecht stelt Gray dat het westerse denken is vastgelopen in zijn vooruitgangsgeloof, gebaseerd op de aanname dat wetenschappelijke kennis ons zal verlossen. Helaas staat hij vrijwel alleen. Ter vergelijking hoeven we maar te denken aan een filosofisch zwaargewicht als Peter Sloterdijk, die tegenwoordig een extreem liberalisme omhelst. In zijn boek Het heilig vuur (2008) oppert Sloterdijk zijn eigen oplossing voor het feit dat de drie grote wereldgodsdiensten zich zo conflictueus gedragen. Hij zou het liefst zien dat de islamitische, joodse en christelijke geloofsgemeenschappen zichzelf veranderen in ‘marktpartijen’ die om de gunst van de consument dingen, waarbij ze wel hun monopolistische aanspraken maar niet hun waarheidsaanspraken laten vallen. Van Kants opdracht aan de mens om zich te bevrijden uit zijn zelfveroorzaakte onmondigheid – een opdracht die Gray wel degelijk serieus neemt – blijft bij Sloterdijk niet veel meer over dan een reclamezuil voor religieuze propaganda.

STEL DAT WE in de trant van Gray het failliet van ons vooruitgangsdenken onder ogen zien – wat is dan de consequentie? Wat betekent dit voor het antwoord op de drie fundamentele vragen die ieder mens zich vroeg of laat in navolging van Kant stelt: wat kan ik weten, wat mag ik hopen en wat moet ik doen? Zijn we in staat alle lineaire noties van tijd van ons af te zetten? Kunnen we aanvaarden dat de geschiedenis geen kenbaar doel of verloop heeft, dat de aarde of de hemel ons niet ‘straffen’ voor veronderstelde ‘zonden’ en dat we geen patronen (goddelijke voorzienigheid, dialectische omslagen, massieve samenzweringen) moeten willen zien in reeksen willekeurige gebeurtenissen? Jammer genoeg schrijft Gray zelf hier nauwelijks over, dus aan hem hebben we niet veel bij het exploreren van de vraag.

Een ding staat vast: de mens is een ‘patroonzoeker’. Zoals het moderne cognitieonderzoek uitwijst, zoekt ons brein koste wat het kost naar zingevende patronen in onze waarneming, ook in toevallige situaties of willekeurige reeksen van gebeurtenissen. Dit vermogen heeft ons veel evolutionair voordeel bezorgd en we kunnen er maar moeilijk afscheid van nemen. Nu na alle religieuze en ideologische verlossingsplannen ook nog de vooruitgangsillusie die de wetenschap sinds de achttiende eeuw leek te verschaffen wegvalt, leggen we ons niet neer bij de deceptie. We zoeken een vervanger. De occulte en chiliastische bewegingen, pseudo-wetenschappelijke heilsleren en complottheorieën die de moderne samenlevingen overspoelen zijn het bewijs dat de mens betekenisvolle patronen zoekt, ook daar waar ze niet bestaan, en dat hij er met religieuze zekerheid aan vasthoudt. Als de wetenschap niet wil buigen voor hun claims, dan moet zij maar barsten. Ze heeft immers als leidraad voor de mensheid afgedaan?

De huidige hausse aan schijnwetenschap was het grootste schrikbeeld van wetenschappers en filosofische sceptici als de Amerikanen Isaac Asimov en Carl Sagan en in ons eigen land de sterrenkundige Cornelis de Jager, die een aanzienlijk deel van hun werkzame leven hebben besteed aan het bestrijden van (bij)geloof, paranormale claims en pseudowetenschap. Ze hebben die dreiging van de Nieuwe Middeleeuwen zien aankomen, ze hebben de symptomen beschreven, maar ze hebben het niet kunnen tegenhouden. Bij alle praktische verbeteringen van ons leven die de wetenschap tot stand heeft gebracht moeten we erkennen dat ze de mens niet rationeler, verdraagzamer of zelfs maar nieuwsgieriger heeft gemaakt zoals de Verlichters ooit hoopten. Het lijkt er meer op dat het onverstand al die tijd heeft meegelift met de Rede en nu het stuurwiel wil overnemen. De rancune en brutaliteit waarmee dat gebeurt, zijn alleen te verklaren uit een diepgewortelde psychologische behoefte om wraak te nemen op de falende totem die de wetenschap in veler ogen is.

SAGAN WAS KORT voor zijn dood in 1996 zeer pessimistisch gestemd. In zijn boek The Demon-Haunted World (1995) stelde hij dat de moderne wereld weliswaar rust op de verworvenheden van de moderne wetenschap, maar dat we die wereld zo hebben ingericht dat de meeste mensen nooit in hun leven kennis nemen van de elementaire beginselen van die wetenschap en er dus niets van begrijpen. ‘Dit is het recept voor een ramp. Vroeg of laat zal dit krachtige mengsel van onwetendheid en macht in ons gezicht ontploffen. Vooral nu het Millennium nadert maak ik me zorgen dat pseudowetenschap en bijgeloof van jaar tot jaar sterker worden en de sirenenzang van de antirede luider en aantrekkelijker klinkt. Wanneer onze etnische of nationale trots wordt geprikkeld, in tijden van schaarste, wanneer we piekeren over onze onbeduidende plaats in het heelal of wanneer fanatisme om ons heen opborrelt – dan nemen denkwijzen uit vroeger eeuwen het roer over.’