Soetan Sjahrir in het voorlopige parlement, de K.N.I. Poesat. Indonesië, 1947 ©  Fotomuseum / ANP

We zijn een inhaalslag aan het maken. Nadat Nederlands-Indië lange tijd een wingewest was geweest, met daarbij een gevoel van trots, werd het kort na de Tweede Wereldoorlog een probleem dat opgelost moest worden. De ‘oplossing’ mislukte en liet een kater achter. Ongemak en daarbij passende zwijgzaamheid waren het gevolg. Weliswaar werd die zwijgzaamheid regelmatig verstoord, doorbroken werd hij niet echt. Dat gebeurt nu pas, nu het gevoel van ongemak plaatsmaakt voor een derde ‘emotioneel regime’: schuld. Zie de enorme reeks onderzoeken, documentaires en geschriften waarvan misdoen en schuldgevoel de grondtoon zijn.

Een volgende en vermoedelijk laatste fase, hoe ver weg wellicht ook, ligt voor de hand: van aanvaarding en balans, oftewel zuivering. In een gezuiverde relatie tussen Indonesië en Nederland kan een man als Soetan Sjahrir, vooraanstaand onafhankelijkheidsstrijder, eerste premier van de Indonesische republiek en gematigd politicus, een sleutelrol spelen. Dit stelt Kees Snoek ook met zoveel woorden in zijn uitvoerige, honderd pagina’s lange biografie bij Wissel op de toekomst, de bloemlezing van Sjahrirs brieven: dat het begrijpelijk is dat een man als hij na decennia van dictatuur opnieuw aandacht krijgt; reformasi en democratisering waren immers wat Sjahrir nastreefde. In de eerste halve eeuw van de Indonesische onafhankelijkheid was zowel het een als het ander kennelijk (te) veel gevraagd. Nu, ruim twintig jaar na de dictatuur van Soeharto, niet meer.

Een van de verklaringen waarom Sjahrir destijds iets anders voor ogen had dan mannen als Soekarno is welhaast zeker gelegen in zijn Nederlandse ervaring, Nederlandse relaties en zijn daarbij passende intellectueel-idealistische kijk op het leven. Soekarno en Soeharto hadden zo’n kijk niet. Zij waren machtspolitici. Mede daardoor waren ze, althans op de korte termijn, sterker. Maar op de lange?

Sjahrirs ‘Nederlandse ervaring’ is sinds lang onderwerp van aandacht. Dat komt doordat hij tijdens zijn studietijd in Leiden tussen 1929 en 1931 in links-politieke kringen verzeild raakte en een relatie kreeg met de vrouw van een van zijn politieke vrienden, Sal Tas. Die vrouw, Maria Duchâteau, was gedurende lange tijd Sjahrirs houvast. Hoewel de twee na Sjahrirs terugkeer naar zijn geboorteland door vele duizenden kilometers van elkaar gescheiden waren, schreven zij elkaar steeds weer. Een eerste uitgave van Sjahrirs brieven, of beter gezegd een gefingeerd dagboek op basis daarvan, verscheen eind 1945 bij De Bezige Bij en past perfect in de sfeer van vrijheid en dekolonisatie die op dat moment een deel van de Nederlandse intellectuelen in de ban had.

De brieven van Sjahrir zijn van een prachtige en ontroerende diepgang

Onder hen dus ook Duchâteau. Zij is het dan ook die schuilgaat achter het pseudoniem dat genoemde Indonesische overpeinzingen publiceerde. Ze werden in kleine kring een succes, een paar keer herdrukt en vertaald in het Indonesisch en het Engels. Als zodanig werden Sjahrirs brieven zoiets als een geheimtip voor kenners en recentelijk onder meer nog gebruikt door David Van Reybrouck in Revolusi. Ongelooflijk, schrijft hij, dat zo’n jonge man – Sjahrir is uit 1909 en was dus pas 25 toen hij in 1934 door de Nederlandse kolonisator naar een uithoek van het rijk verbannen werd – zo scherp kan zien en zo goed in staat is het moreel kompas recht te houden.

En inderdaad, de brieven van Sjahrir zijn regelmatig van een even prachtige als ontroerende diepgang. Aangrijpend bijvoorbeeld zijn de beschrijvingen van de grote armoede van de Javaanse bevolking, met hierbij het inzicht dat reformasi onvoldoende is. ‘De toestanden zijn tot op de wortel verrot’, schrijft Sjahrir in augustus 1932, nog vóór zijn verbanning dus en op het moment dat hij politiek actief is. ‘Hier kan alleen helpen een radicale verandering.’

Volgens hem besefte de bevolking dat zelf ook. ‘Het verschil tussen het volk hier [regentschap Indramajoe, Noord-Java] en op Midden-Java is dat de ellende hier iets dreigends heeft… dat de mensen vechten willen.’

Vechten kon niet, nog niet. De tegenstanders van het Nederlands regime hadden geen schijn van kans. Dat merkte Sjahrir ook en had tot gevolg dat hij zo’n acht jaar uit de openbaarheid werd verbannen. Pas na de Japanse inval, begin 1942, kwam hij vrij. In de tussentijd had hij veel van zijn idealisme verloren. Hij schrijft dat ook herhaaldelijk aan Duchâteau. In februari 1936 bijvoorbeeld: dat beschaving slechts een dun laagje is en dat de ruwe kern snel weer bovenkomt. Precies drie jaar later: ‘De enige redelijkheid die voor ons overblijft is, in te zien, dat de geschiedenis geheel onredelijk verloopt.’

Door alle politiek, observatie en overweging van Sjahrirs brieven loopt als rode draad een even dramatisch als mooi liefdesverhaal. Sjahrir en Duchâteau leerden elkaar kennen in Nederland, in 1929 of 1930. Duchâteau was nog niet zo lang met Sal Tas getrouwd, kreeg twee kinderen, maar bezweek toch voor de vriend van haar man. Lang duurde het geluk niet. De politiek dwong Sjahrir terug te keren naar Nederlands-Indië. Ze reisde hem één keer achterna – na haar scheiding van Tas, in 1932. De twee trouwden meteen en Duchâteau werd zwanger. Maar de Nederlandse overheid aanvaardde het huwelijk niet en zette haar uit: ze beviel in Nederland van een kind dat kort na de geboorte overleed. Pas in 1947 zagen ze elkaar weer, Sjahrir was op dat moment al anderhalf jaar premier. De liefde was niet meer. Slechts de herinnering bleef. En de brieven, inderdaad prachtige liefdesbrieven.